|
Glass
Hammer – The Inconsolable Secret
Waar het Amerikaanse Glass Hammer
nooit een geheim van heeft gemaakt, zijn hun invloeden. In de ruim twaalf
jaar van hun bestaan zijn ze vaak bekritiseerd als zijnde een kloon van
zowel Emerson, Lake and Palmer en
Yes. Bovendien werd, naarmate
de jaren en platen vorderden, de formatie Glass Hammer steeds symfonischer
en – zeg maar – onbescheidener. Daarbij kent elke cd wel zijn portie
Tolkien, C.S. Lewis en de Bijbel en ook daarbij wordt geen cliché uit de
weg gegaan. Glass Hammer kent in Fred Schendel een toetsenist die zich
gemakkelijk kan meten met Keith
Emerson en in Steve Babb een bassist die aan de snaren plukt als ware
hij Chris Squire. Onnodig om te constateren dat Mellotron, Mini-Moog,
Hammond, en Rickenbacker ons om de oren vliegen. Een natte droom van elke
symfonische rockliefhebber, zeg maar.
En nu komt Glass Hammer niet geheel tegen de verwachtingen in met hun
eerste dubbel-cd, gestoken in een hoesontwerp van Roger
Dean (bekend van de hoezen van Yes en Asia). Nu dus niet alleen de
muziek, maar ook de presentatie een schaamteloze kopie van de oude helden
is en het gehele doosje precies zo voelt als de laatste remaster van Yes’ “Tales From Topographic Oceans”, krijg je als kritische
progfan heel sterk de neiging een beetje te schoppen tegen dit heilige
huisje.
Nu heeft Glass Hammer het geluk dat ik wel van clichés houd. Ik houd van
bombastisch opgezette, superdrukke muziek en ik ben dol op dubbel-cd’s
die gaan over elfjes, draken en ridders. Ik houd van toetsensolo’s waar
maar geen einde aan lijkt te komen en waarbij de tempowisselingen niet te
tellen zijn. Ik word graag verrast door weer een nieuw themaatje en juich
van plezier als een nummer van twintig minuten zoveel thema’s en melodieën
kent, dat een gewone popgroep daar gemakkelijk tien normale popsongs van
had kunnen maken. Het maakt mij daarbij nagenoeg niets uit dat een groep
geen progressie maakt ten opzichte van andere symfonische rockgroepen uit
het verleden.
Maar een nieuwe symfonische rockgroep moet altijd
proberen een betere Tarkus te
maken, proberen om Close To The Edge
naar de loef te steken en trachten Selling
England By The Pound van de no.1 positie in menig poll te stoten. Deze
nieuwe groepen zouden met niets minder genoegen moeten nemen. Glass Hammer
probeert dat met “The Inconsolable Secret”
absoluut. Ze slagen er niet in, natuurlijk, maar ze verdienen kudos
door het in elk geval te proberen.
De mensen achter Glass Hammer zijn feitelijk een stel op hol geslagen
Yes-fans, die voor ons een plaat maakten zoals ze het zelf graag horen. In
die missie zijn ze meer dan geslaagd.
Preken voor eigen parochie dus en dan maakt het inderdaad niets uit dat in
het lange The Knight Of The North
solo op solo wordt gestapeld, zonder dat het nummer direct als klassieke
epic bestempeld kan worden. Terwijl ze hun overduidelijk christelijke
boodschap ook op deze nieuwe dubbelaar wat bedekt (als een inconsolable secret dus) overbrengen, staan ze wat betreft muzikale
invloeden op een huizenhoge zeepkist.
”The Inconsolable Secret” bevat twee cd’s, waarvan de eerste The
Knights heet en de tweede The
Lady. Het volgt een klassiek ‘lady-in-distress’-verhaal, gebaseerd
op een gedicht van Steve Babb, dat als cd-rom is bijgesloten op de eerste
cd. Ronduit irritant vind ik dat de teksten ook zijn bijgesloten op deze
cd-rom, zodat je niet met je boekje op de bank kan zitten. Het is ook nog
in een PDF-file gegoten, wat er prachtig uitziet, maar scrollt voor geen
meter. Heren Babb en Schendel, volgende keer weer een normaal boekje
graag!
The Knights
Op de eerste cd, The Knights dus,
staan maar twee nummers, allebei van respectabele lengte, terwijl The
Lady-cd er maar liefst 11 kent. Een argeloze voorbijganger zou
concluderen dat de tweede cd zeker een bonus-cd is, maar niets is minder
waar.
Op The Knights laat Glass Hammer
het beste horen van wat men al jaren heeft gedaan. De twee tracks voegen
niets toe aan het voorgaande werk, maar horen wel allebei tot de beste
nummers die Glass Hammer ooit schreef. Zoals de onderverdeling tussen
lady- en knights al doet vermoeden wordt deze eerste cd voornamelijk
gezongen door Walter Moore, wiens stem wat lijkt op die van Steve
Walsh (Kansas), maar dan
zonder hoge uithalen. Pas rond de 14 minuten in het tweede nummer krijgen
we Susie Bogdanowicz eindelijk te horen, die dan wel gelijk voor een
kippenvelmoment zorgt.
In detail, A Maker Of Crowns is
een kunstig vormgegeven symfonisch rockepos van de bovenste plank en
gelijk een etalage van de kunsten van voornaamste aanwinst Matt Mendians.
Het drumwerk, op vorige platen altijd de zwakste schakel, is met
tientallen percentages in kwaliteit toegenomen. Mendians prettig in de mix
geplaatste drumwerk zorgt voor de broodnodige extra diepte en kracht
hetgeen Glass Hammer ontbeerde. Nadat het thema met veel mooie bombarie
wordt gepresenteerd en er een stuk door Moore wordt gezongen, krijgt het
nummer extra glans door een geweldige Hammond-solo rond de
acht-minutengrens. Een nieuw pianothemaatje doorbreekt deze, alvorens ook
een Mini-Moogsolo eraan toe te voegen rond de tien-minutengrens. Dan bouwt
het nummer zichzelf af en krijgen we een langzaam en geweldige herhaling
van het hoofdthema, compleet met cirkelende gitaren als raven boven onze
hoofden. Het Hammond-thema wordt overgenomen door de Mini-Moog en de
waanzin is compleet. Een geweldig nummer!
The Knight Of The North begint
met een statig klassieke interlude, alvorens ons te overgieten met een
scala van thema’s en uitgewerkte melodieën. De zanglijn zo rond de vijf
minuten is een misser, en Walter Moore moet duidelijk moeite doen de
zanglijn vast te houden. Had hij niet een octaaf hoger kunnen inzetten?
Het is één van de weinige smetten op een voor de rest voortreffelijke
eerste cd. Het zalige IQ-achtige
melodietje zo rond de acht minuten smaakt goed, de uitspatting erna zelfs
nog beter. De radiostem van Moore past prachtig bij de heftige Tarkus-achtige
partijen van Schendel. En ach, er kan ook nog wel weer een Mini-Moog bij.
Op 11:42 zit de sleutel. Het zwaartepunt van de cd, de 1 seconde durende
break waar je als fan op wacht. Briljant!
Onder Mellotron-klanken bouwt de muziek subtiel op en door het toevoegen
van vrouwen in de achtergrondstemmen rond het ‘mercy-mercy’-gedeelte,
kruipt het kippenvel mijlenhoog op. Na dit wat bloedstollende moment volgt
een ‘grappig’ gedeelte, dat opvalt door de warme stem van Susie
Bogdanowicz tijdens de langzame gedeelten. Daarna leven Schendel, Babb en
Mendians zich heerlijk uit in een Hammond/bas/drum eruptie van jewelste.
Wat zou ik dit graag live willen aanschouwen! De finale, die mooi is door
het gebruik van het koor, duurt mij wat te lang. Schiet eens op, stom
koor, ik wil naar de tweede cd, denk ik al bij de tiende beluistering.
The Lady
Het zal duidelijk zijn dat de tweede cd, getiteld The Lady, vocaal meer de ruimte geeft aan de vrouwen. De cd begint
heel toepasselijk met het hoofdthema uit Lirazel,
maar als Long And Long Ago van
start gaat, is het weer Yes wat
de klok slaat. In dit nummer doet Glass Hammer weer waar ze zo sterk in
zijn: de zoveelste variatie van Parallels
vertolken. Toch is het gewoon een geweldig nummer, waar vooral het
drumwerk van Matt Mendians weer in positieve zin opvalt. Met name zijn
drumwerk gedurende de laatste helft, als het nummer een afbouwend karakter
krijgt, is fenomenaal. Wat is die man toch een verrijking voor het Glass
Hammer geluid en ik zou Babb en Schendel toch willen vragen voorzichtig
Steve Wilson’s trucje met “Up The Downstairs” (op de laatste
remaster hiervan is het drumwerk opnieuw opgenomen) even voor de toekomst
te onthouden.
Feitelijk horen de eerste, pak em beet, vijf minuten bij de eerste cd.
Maar vanaf het pianothemaatje rond de zes minutengrens van het nummer,
krijgen we ineens een hele andere, veel breder uitgezette Glass Hammer. De
invloeden van Yes en Emerson, Lake and Palmer verdwijnen naar de
achtergrond. Ik hoor om te beginnen ineens Triumvirat,
ik hoor Museo Rosenbach, ik
hoor Le Orme, ik hoor Renaissance. Ik hoor ook een geweldige gitaarsolo van David
Carter, een singer/songwriter uit Virginia, USA. Maar ik hoor vooral
een herboren Glass Hammer. The
Morning She Woke is als een hoorspel/toneeluitvoering en met name
Susie Bogdanowicz excelleert met haar Lirazel-rol. Zij zingt ook het
gelijknamige nummer dat één van de schoonste ballades is die ik ooit van
Glass Hammer hoorde. Het kinderkoor, de passende en knappe percussie, de
harp, de klavecimbel... het aangrijpende nummer is áf. Het daarop
aansluitende The High Place, dat
feitelijk geheel koorzang is, doet mij nog het meeste denken aan het
afsluitende gedeelte van Eternity
– No Beginning No End op Iona’s
“The Book Of Kells”. Alle nummers daarna sluiten naadloos op elkaar
aan, van het folky en vrolijke Morrigan’s
Song tot het serene, maar ook beklemmende Walking
Towards Doom. Bij dat laatste nummer krijg ik een sterke Howard
Shore injectie toegediend en krijg ik plotseling zin om de complete
trilogie van “The Lord Of The Rings” weer eens te gaan bekijken. In de lange
uitvoering. Maar bij het solootje Mog
Ruith lijkt de nieuwe Refugee te
zijn opgestaan, alhoewel ik ook moest denken aan Ryo Okumoto’s solootje op de tweede cd van “Snow”.
Belangrijker dan het stellen van al die invloeden, is het constateren dat
we hier feitelijk te maken hebben met een werkelijk perfect samengestelde
cd van losse nummers die gezamenlijk veel meer zijn dan de afzonderlijke
delen. Ik durf zelfs zonder schromen te stellen dat die tweede cd van
Glass Hammer behoort tot het beste werk dat de klassieke retroprog de
afgelopen tijd heeft voortgebracht. Through
A Glass Darkly, feitelijk een duet tussen Flo Paris en Walter Moore,
heeft een zalig en meeslepend thema, waarover uitstekend gezongen wordt. The Lady Waits is zelfs puur klassiek. Het nummer heeft een Haydn/Mozart-achtige karakter en oude Disney-films komen mij boven. Het blijkt een opmars te zijn tot het
afsluitende Having Caught A Glimpse,
maar niet alvorens de muziek, via het Mahler-achtige
The Mirror Cracks, ons verdere
les geeft in klassieke invloeden. Dat slotnummer is precies wat je van een
slotnummer van een klassieke Talesachtige
dubbelaar mag verwachten. Het heeft een sterk Saint-Saens-achtig karakter (If
I Had Words, dus), met name door het gebruik van het kerkorgel. De
repeterende piano in combinatie met de baspartijen maken aan het einde van
het nummer bijzonder veel indruk. De laatste vier minuten pakt beide
Lirazel-thema’s terecht weer op, om daarna de cd passend te eindigen met
een progjam gebaseerd op het thema uit The
Knight Of The North. Toepasselijk.
Een dubbelcd waarbij de tweede cd vele malen beter is en dieper gaat dan
de eerste cd, komt niet vaak voor. “The Inconsolable Secret” is zo’n
meesterwerk. Een geweldige eerste cd en een briljante tweede cd. Glass
Hammer is misschien te retro en te herhalend om een werkelijke betekenis
aan de symfonische rock toe te kennen, maar met “The Inconsolable
Secret” leveren ze zonder meer hun beste werk af en kan de plaat bijna
op gelijke voet staan met bovengenoemde voorbeelden.
Het zal voor de lezer geen geheim meer zijn dat “The Inconsolable Secret” een klassieker is van ongekende
grootte. Gelieve dit echter niet verder te vertellen.
Markwin
Meeuws
terug naar progarchief
progwereld.org
|