Maak kans op toegangskaarten voor Soul Secret en Cirrha Niva in Willem Twee te Den Bosch. Klik hier voor onze wedstrijdpagina!

Cirkus – The Blue Star

Cirkus - The Blue Star

De kwaliteit van dit album schommelt enorm en dat doet het niet alleen qua geluid, ook de composities zijn nogal wisselvallig van niveau. Als je het verhaal achter de plaat hoort zal je dat vast en zeker begrijpen. Na het overlijden in april 2016 van oerlid Stu McDade, de man die al drumde bij de band toen in 1973 het eerste album verscheen, vonden zijn bandmakkers bij hem thuis een hoop materiaal dat nog nooit eerder gemasterd was. Het toeval wou dat Cirkus al eerder dat jaar een contract had getekend voor een nieuw album en zo werd een en ander met elkaar gecombineerd. Het aan McDade opgedragen “The Blue Star” is een bijzondere compilatie die zo wel een mooi eerbetoon aan McDade is als een waardig vierde album in het bestaan van de band.

Laat je niet op het verkeerde been zetten, dat zou zonde zijn. Crossing The Rubycon, het openingsnummer van dit album, komt met z’n psychedelische hardrockriff beduidend anders over dan de zeven artrocksongs die daarop volgen. De band brengt namelijk een hartstochtelijke mengeling van prog en pop met gloedvol gitaarwerk en een vette laag toetsen. Deze klanken zijn voorzien van een Rubens-achtig ritme en dat levert muziek op waarin ze zelf heilig geloven. Het is een beetje net als bij Pendragon ten tijde van “Kow Tow”, muziek met een allure van ‘Wij willen graag doorbreken’. Wat dat betreft is het allemaal niet zo veel anders dan wat Cirkus op z’n vorige albums laat horen. Wel is er meer intensiteit te bespeuren en dat brengt me gelijk op het volgende: ik kan nergens achterhalen wie, wat, waar en wanneer gedaan heeft. Enig speurwerk heeft me in elk geval nog een handje vol feiten opgeleverd.

Nummers als I’ll Never Know, Requim en The Haviest Stone zijn het meest gezichtsbepalend voor het album. Het pakkende I’ll Never Know, waarvan ook een radio-edit is verschenen, komt goed naar voren door de David Bowie-achtige stem van Paul ‘Moos’ Harris. Zijn enigszins smekende vocalen passen erg goed bij de aanstekelijke muziek. Helaas komen er ook wat momentjes a la Genesis en Marillion voorbij waarmee ik maar wil aangeven dat het niet bepaald originaliteit troef is bij de band. En dan het theatrale aspect, iets waar de meeste nummers van Cirkus mee behept zijn. In Requim is deze naar mijn idee het grootst. Het resulteert in elk geval in een lekker slepende gitaarsolo aan het eind die zich tot Cirkus verhoudt zoals Sugar Mice staat tot Marillion. Mijn persoonlijke favoriet is The Haviest Stone, een korte track die sterk gezongen wordt door de eerste zanger van de band, Paul Robson. De compositie is al jaren oud aangezien er een versie van het nummer verschenen is als bonustrack op de heruitgave van het debuutalbum van Cirkus. Dat is typisch want de vele fraaie melodieën en harmonieën doen sterk aan Sowing The Seeds Of Love van Tears For Fears denken, maar ja, de heren van het befaamde duo waren toen nog tikkertje aan het spelen. De uitvoering die het nummer op “The Blue Star” heeft kent een wat meer ingetogen karakter en het is juist daardoor dat de sprankelende pianoriedels van Derek Miller zo aanslaan.

Er valt dus regelmatig wat te halen op de plaat, maar er zijn ook enkele nummers die maar net met de hakken over de sloot zijn en in het geval van het synthi-popdeuntje 19 plonst men er zelfs midden in. Het is een goede zaak dat het album fraai afsluit met het epische Close Encounters Of The Fifth Kind. Het is een negen minuten durende pot psychedelische extravaganza waar je met je hoofdtelefoon op naar moet luisteren. Al die stemmetjes, al die toetsenpartijen, al die gitaren en al die basloopjes; laat ze je niet ontglippen en denk ondertussen aan Rush in de jaren ’80 of aan Roger Waters in het algemeen.

Cirkus; ik heb er een leuke band bij gekregen, zowel om in de toekomst te volgen als om hun verleden uit te diepen. Lang niet al hun materiaal is fantastisch, maar er is genoeg om enthousiast over te zijn. Laten we dat dan maar doen.

Dick van der Heijde

Progwereld | Recensies