PRIJSVRAAG: Win kaarten voor het MOMfest 2018, met o.a. Vuur, InFloyd en 5150. Klik hier voor de prijsvraag.

Genesis – Calling All Stations

genesis-calling-all-stations.jpg

Onrechtvaardig, dat lijkt mij het goede woord dat op dit project geplakt moet worden. In de door ons fanatiek gesteunde symfo / prog stroming komt het vrijwel nooit voor dat een album twee miljoen stuks verkoopt. Veelal zijn bands blij dat ze enigszins uit de kosten komen en moeten ze voor elk optreden, dat met pijn en moeite geregeld kan worden, een vrije middag bij de baas aanvragen. Voor de heren suf (Rutherford) en duf (Banks) was twee miljoen verkochte exemplaren van “Calling All Stations” een reden om Ray Wilson de laan uit te sturen en Genesis in de slaapstand te zetten. Wat hadden de heren dan verwacht? Dat Wilson gelijk de immens populaire Phil Collins volwaardig kon vervangen en dat “Calling All Stations” alle verkoopcijfers van “We Can’t Dance” en “Invisible Touch” zou wegvagen? Nee, dat lijkt mij ook niet. Maar goed, ik zit hier niet om Wilson te beschermen maar om een gefundeerd oordeel te geven over een interessante plaat.

Op een gegeven moment werd Ray Wilson gebeld door Genesis manager Tony Smith of hij auditie wilde doen voor de rol van leadzanger van Genesis. Wilson vond dit maar een warrig verhaal, want hij wist op dat moment niet eens dat Collins de band had verlaten. Maar nadat Smith zijn betoog wat kracht had bijgezet, wilde de overtuigde Wilson dit uiteraard wel proberen. Geheel nieuw in de muziekbusiness was Wilson op dat moment zeker niet. Hij had, met behulp van een Levi’s commercial, al een dikke vette wereldwijde nummer 1 hit op zak. Met zijn band Stiltskin had hij namelijk in de lente van 1994 het nummer Inside uitgebracht. Dit overtrof alle verwachtingen, dus mediatraining had Ray in elk geval niet meer nodig. Wilson werd door de al eerder genoemde heren suf en duf aangenomen, want een echte rocker in het midden moest voor de nodige verfrissing gaan zorgen. De pers was niet bepaald massaal enthousiast, wat moest die ruige vent met dat halfbakken baardje en matje in de nek in hemelsnaam bij proginstituut Genesis? Aangezien Collins niet enkel op zang vervangen moest worden maar ook op drums, wilden suf en duf wat sessiemuzikanten op laten draven, want nog een vast lid erbij zou wel heel druk worden. Het werden er uiteindelijk zelfs twee. Spock’s Beard drummer Nick D’Virgilio mocht op vier nummers zijn slagen laten horen. De andere liedjes werden volgemept door Nir Zidyahu.

Ik heb mezelf een lange tijd afgevraagd waar ik dit album muzikaal nu moest plaatsen op de Genesisladder. Ik vind de betere nummers van “Calling All Stations” een kruising tussen de albums “Wind & Wuthering” en “Genesis” en de mindere nummers een kruisbestuiving tussen “We Can’t Dance” en het net nog genoemde “Genesis”. Er is een niet echt heel erg ingewikkelde wiskundige formule voor nodig dat dan de conclusie moet zijn dat “Calling All Stations” een kopie moest zijn van het uit 1983 afkomstige “Genesis”. Dit klopt maar gedeeltelijk, qua sfeer komt het een heel eind in de buurt, al wordt de humor van ome Phil wel gemist op “Calling All Stations”. Al weet ik niet of het belachelijke slechte eerste gedeelte van Alien Afternoon als grap bedoeld is. Je kan “Calling All Stations” in drie gedeelten opdelen. Ten eerste in de goede nummers, als tweede in de slechte nummers en ten derde in de singles.

We beginnen met het derde gedeelte. Als je niet weet welke drie liedjes er toentertijd op single zijn verschenen, denk ik niet dat je daar erg veel pogingen voor nodig hebt om dat trio liedjes er tussen uit te pikken. Als eerste single en toen dus eerste kennismaking met het vernieuwde Genesis, werd Congo op de wereld losgelaten. Dit zeer logge bombastische over de top nummer was nou niet bepaald het visitekaartje wat “Calling All Stations” zo hard nodig had. Ondanks de fraaie videoclip flopte de single genadeloos en was het vonnis over Wilson eigenlijk al geveild. De tweede poging om weer eens een ouderwetse Genesisklapper te bewerkstelligen werd Shipwrecked. Ondanks mooie orkestrale toetsenpartijen van Banks en gevoelige zang van Wilson, mist dit nummer toch de echte daadkracht om er echt potten mee te breken. De meest fraaie van drie is Not About Us, het mede door Wilson geschreven nummer is een prachtige popsong. Het naar een rockballade neigende nummer is voorzien van strakke, zowel akoestische als elektrische, gitaarpartijen. Wilson zingt het nummer in de coupletten erg ingetogen en de refreinen worden met meer daadkracht overgebracht. Als dit nu eens de eerste single was geweest, was het dan anders afgelopen?

De meest fraaie nummers zijn over het algemene ook de meest symfonische van het, met elf nummers gevulde, album. Zo is albumopener Calling All Stations een zeer goede compositie. De gitaarriff van Rutherford komt gelijk de speakers uit knallen. Het fantastische toetsentapijt van Banks zorgt ervoor dat dit nummer bijna zes minuten voor de volle honderd procent blijft boeien. Wilson zingt alsof zijn leven er vanaf hangt en drummer Zidkyahu gooit er een paar ferme slagen uit. De gitaarsolo kan beter, maar voor Rutherford begrippen klinkt die zeer redelijk. Dit stuwende nummer doet het spanningsveld alleen maar toenemen en doet je verlangen naar meer. Dat verlangen wordt echter pas waargemaakt bij het zesde nummer. If That’s What You Need heeft de ingrediënten om je weer in de houding te laten zitten. Het met het typische overbekende Banksgeluid gevulde nummer loopt je ene oor in en blijft daar wel een tijdje hangen voordat het je andere oor weer uit gaat. Een erg fraai liedje waarbij ook Rutherford je op fraai slaggitaarwerk trakteert. Dit nummer wordt gelijk opgevolgd door het meest symfonische nummer van deze plaat. Het, nog steeds, modern klinkende Dividing Line doet erg denken aan de sound van Home By The Sea (van “Genesis”) en het van “Invisible Touch” afkomstige Domino. Het grootste verschil tussen deze twee jaren ‘80 symfo nummers van Genesis en Dividing Line is het fantastische drumspel van een echt mens. Phil Collins zette steeds vaker de drumcomputer aan en als je de fabuleuze drumpartijen van Nik Zidkyahu hoort op dit nummer, weet je weer precies waarom de mens beter is dan de machine. Tijdens dit nummer klinkt Genesis ineens toch wel erg geïnspireerd en enkel daarom is dit nummer al een aanbeveling. Het spelplezier is duidelijk waarneembaar en het zou me niets verbazen als tijdens de opnames van dit nummer professor Banks menigmaal zijn tanden bloot heeft gelachen. Het sluitende hoogtepunt op dit album is het één na laatste nummer. Het meest energieke nummer op “CAS” is ongetwijfeld There Must Be Some Other Way. Tijdens dit nummer, waar Wilson enkele teksten voor aandroeg, is het meeste het rockgeluid van Wilson’s vroegere periode waarneembaar. Zware gitaren, wederom fantastische drumpartijen van Zidkyahu, warme ondergrond van Banks en Wilson die eindelijk zijn stembanden eens gaat uittesten. Een perfecte afsluiter voor een behoorlijk goed album. Ware het niet dat er nog een nummer achteraan moest komen maar daarover hieronder meer.

Helaas is het niet enkel rozengeur en maneschijn op “CAS”. Zo is er het nummer Small Talk. Nu staat er op elk album sinds “Duke” wel een verschrikking, maar zo slecht als Small Talk zijn ze toch zelden. Het als leuk up-tempo bedoelde nummer zorgt voor enorme kromme tenen. Nergens tijdens dit vijf minuten durende nummer is er ook maar een fractie genialiteit te horen van deze met talent overlopende mannen. Het al eerder gememoreerde laatste nummer van dit album doet mijn hart ook niet sneller kloppen. Het langste nummer van “CAS” is een beetje een vreemd liedje. Het begin nodigt niet bepaald uit tot verder luisteren. Dat je dit wel moet doen is trouwens wel aan te raden, want tegen het eind van dit nummer zitten toch nog een paar aardige stukjes. Weliswaar niet genoeg om het hele nummer te redden, maar toch. Om één of andere reden loopt het nummer in het begin gewoonweg niet. Iets waar overigens de soloalbums van Banks ook zo’n last van hebben. Het past gewoon niet. Het toetsenspel van Banks laat veel te wensen over, de akkoorden van Rutherford komen nog simpeler over dan anders en Ray Wilson weet ook niet echt precies waar hij nu heen moet. Het frisse drumspel ten spijt komt het nummer toch niet echt soepel uit de startblokken. Op het laatst, als het tempo behoorlijk is opgevoerd en Wilson een beetje uit zijn keurslijf stapt, komt het toch nog een beetje goed. Terwijl Wilson tegendraads het refrein zingt en Banks laat zien wat hij in zijn mars heeft, hoor je de potentie die dit drietal toch zeker heeft gehad.

Dat de drie heren tot mooie dingen in staat waren staat vast. Dat dit niet op elk nummer er vlekkeloos uitkwam ook. Het lijkt mij duidelijk dat Wilson een tweede kans verdiende om de goede momenten te bewaren en de slechte bij te schaven. Maar ja, de commercie regeerde als zo vaak en suf en duf bleken daar helaas te gevoelig voor.

Sander Kok

Progwereld | Recensies