Kijk ook eens op onze facebook pagina of meld je aan voor onze mailinglist en blijf op de hoogte.

IQ – The Wake

iq-the-wake.jpg

We schrijven begin jaren ‘80. Punk en new wave hadden een einde gemaakt aan de hoogtijdagen van de symfo. Genesis en Yes waren betrekkelijk eenvoudige popgroepen geworden. Rush was onherkenbaar veranderd. Populaire symfo (Asia, Saga) leunde wel erg tegen de AOR aan. Maar in de loop van die jaren krabbelde er toch weer langzaam iets op met de intentie het symfogevoel uit de glorietijd te herstellen: de neoprog was geboren. Marillion was de bekendste groep hierin, maar landgenoten IQ waren ongeveer gelijktijdig. Het album “The Wake” van deze laatste wordt in symfokringen vaak gezien als een absolute klassieker. Is dat terecht?

Laten we eerst eens kijken waarom de plaat die klassiekerstatus zou kunnen halen. Een niet onbelangrijke zinsnede uit het bovenstaande is “de intentie het symfogevoel uit de glorietijd te herstellen”. Veel neoprog van het eerste uur vond een meer dan sterke inspiratie in vooral Genesis uit de Peter Gabriel periode. Dit kwam tot uiting in de muzikale kleur, in de albumstructuren, in de podiumperformance en in (de sfeer van) het artwork. Dat laatste aspect valt voor beluistering op: het beschilderde gezicht op de voorkant doet direct Gabrieliaans aan.

Dan de muziek zelf maar. Outer Limits opent het album met een broeierig drumlijntje, waaronder een subtiel slepende keyboardpartij de aandacht van de luisteraar vraagt. Nadert er onheil? Na iets meer dan een minuut valt met een spetterende orgelsolo met een klap ineens een boel op zijn plek. De eerste keren dat ik deze solo hoorde, vond ik hem op een prettige manier lachwekkend, maar de laatste tijd hoor ik er meer een soort statement in: “U houdt van dit soort muziek? Hier is het! U houdt niet van dit soort muziek? Dan vindt u dit waarschijnlijk volslagen belachelijk klinken; nou ja, prima”. Deze directe duidelijkheid over de koers van het album is overigens een aspect dat ook op latere IQ-albums nog vaak terug zou komen.

Een ander bekend kenmerk van IQ dat tijdens Outer Limits meteen voor het voetlicht komt, zijn de zeer herkenbare melodieën: je bent er als luisteraar snel vertrouwd mee. Sterker nog: zelfs bij de eerste luisterbeurt klinken ze, hoewel origineel, vaak al bekend. Dat is geen punt van kritiek, integendeel, het is een bepaalde melodieuze kracht die IQ van veel andere bands onderscheidt.

Deze aspecten maken Outer Limits grotendeels representatief voor de betere momenten op deze plaat. Het beste nummer is Widow’s Peak. Met zijn sterke melodie en dito opbouw behoort het überhaupt tot IQ’s beste nummers. Helaas wordt deze typering als beste nummer nog benadrukt doordat de beide omringende nummers een stuk minder overtuigend zijn. Corners is weinigzeggend en heeft een veel te lang instrumentaal outro, gebaseerd op een monotoon drumloopje en een kabbelende toetsenpartij, dat van niks naar nergens gaat. Dat het ook anders kan, werd al bewezen in het outro van Outer Limits, dat to-the-point is, op het juiste moment eindigt en het nummer een cyclisch karakter geeft door het op een zelfde manier uit te luiden als het ingeluid werd. Het andere nummer, The Thousand Days is in de kern ook niet erg sterk. Bovendien eindigt het met een atmosferische toetsenpassage, die zo weggelopen lijkt uit Yes‘ “Tales from Topographic Oceans”, waarvan er in de toekomst nog diverse zullen volgen bij IQ. Dat kan op zich heel mooi zijn, maar hier komt hij wel erg uit de lucht vallen. Je krijgt sterk de indruk dat de band absoluut een dergelijke passage op de plaat wilde hebben, er geen erg passende plek voor kon vinden en hem dus maar lukraak ergens achteraan geplakt heeft. Overigens zijn hiermee de echt zwakke punten van dit album wel volledig benoemd.

Het stemgeluid van Peter Nicholls benadert evenals dat van tijdgenoot Fish (Marillion) dat van Peter Gabriel (Genesis) griezelig dicht qua hoogte en qua fragiliteit (misschien uiteindelijk nog wel de duidelijkste referentie aan genoemde glorietijd). In de jaren die zouden volgen, zou het stemgeluid van dergelijke zangers wat meer gepolijst worden, waarbij we maar even in het midden laten of dit een zuivere stemontwikkeling van de zanger in kwestie is, een aanpassing aan het tijdsbeeld of een uitbreiding van de technische mogelijkheden om in de studio aan stemmen te schaven. Feit is dat muziek uit deze tijd voor het ongeoefende oor nog wel eens wat ‘vals’ klinkt en de stem van Peter Nicholls en de omlijstende muziek zijn hier geen uitzondering op. Hier valt goed aan te wennen, maar het maakt wel dat ik van Headlong de live versie die jaren later op “Forever Live” zou verschijnen een stuk mooier vind dan de versie op deze plaat. Afgezien van het geluid is Headlong ontegenzeglijk een sterk nummer in meerdere delen die nu wel op een natuurlijke manier in elkaar overgaan.

Onder de drie bonustracks vinden we één nieuw nummer, het alleraardige Dans Le Parc Du Chateau Noir en twee demoversies van nummers die al elders op de plaat staan. Zelf vind ik dat nooit zo´n waardevolle toevoeging, maar het is wel veelzeggend dat een van die demo’s van The Thousand Days is en dat de overbodige keyboardpassage in de demoversie nog ontbreekt.

Is dan met dat al “The Wake” een klassieker? We hebben nu een boel goede nummers bij elkaar en gegeven de deplorabele toestand van de symfo anno 1985 en het jonge stadium waarin IQ nog verkeerde, is een voorzichtige kenschets als klassieker wat mij betreft op zijn plaats. Laten we het tijdsbeeld echter buiten beschouwing, dan wil ik wel verdedigen dat IQ vanaf de jaren ‘90 een aantal betere platen opgenomen heeft. Bovendien horen op een Klassieker met grote K wat mij betreft geen missers thuis uit de categorie zoals hierboven beschreven.

Daarmee is “The Wake” nog altijd één van de betere platen uit haar periode (of: een interessant tijdsbeeld). Klassieker is misschien een wat te zwaar etiket, dus houd ik het op: ‘de moeite waard’.

Casper Middelkamp
Koop bij bol.com

Progwereld | Recensies