De naam Porcupine Tree duikt voor het
eerst op in 1989, als Steven Wilson – lid van de Engelse band no-man -
voor zijn eigen plezier een collectie psychedelische stukken uitbrengt
op een cassette met de titel "Tarquin’s Seaweed Farm". De
bijgevoegde bio bevat een verzonnen verhaal over de loopbaan van
Porcupine Tree tot dan toe. De dan 21-jarige muzikant uit Hemel
Hempstead heeft dan onder de naam Altamont in 1983 al de cassette "Prayer
For The Soul" uitgebracht, een fijn stukje huisvlijt. Serieuzer
wordt het met de groep Karma, waarmee hij typische neo-progressieve rock
opneemt tussen 1985 en 1987 (en te vinden is op de tapes "The Joke’s
On You" en "The Last Man To Laugh").
Op
"Tarquin’s Seaweed Farm" en diens opvolger "The
Nostalgia Factory" speelt en zingt Wilson alles zelf. Gitaren,
diverse snaarinstrumenten, toetsen en drumcomputer, de Engelsman blijkt
een alleskunner. Voor teksten put hij uit het werk van schrijver en
labeleigenaar Alan Duffy, die hij nog uit zijn Karma tijd kent. De
nummers hebben een sterk nostalgisch karakter met een grote muzikale
variatie. Pink Floyd, Hawkwind, King Crimson, Nick
Drake en Prince behoren tot de referenties, waarbij Wilson
zonder moeite uit 25 jaar muziekgeschiedenis put. Het Engelse Delerium
label, onder leiding van de latere PT-manager- Richard Allen, brengt
eerst beide cassettes opnieuw uit, en wil deze aansluitend als twee
afzonderlijke dubbelalbums persen. Wilson besluit anders en verzamelt
het beste van beide tapes voor de 2lp/cd "On The Sunday Of Life…",
die in 1992 verschijnt. De overgebleven tracks verschijnen in 1994 op de
nu erg zeldzame cd "Yellow Hedgerow Dreamscape". Terwijl hij
met no-man zich als groepslid sterk profileert als schrijver en
uitvoerend artiest, blijft Porcupine Tree een hobbyproject.
In 1993 schrijft hij "Voyage 34", een moderne muzikale
trip, die fragmenten bevat van een Amerikaanse anti-lsd plaat uit 1965
en uitmondt in een ep van 30 minuten. De uitgave wordt een grote ‘underground’
hit in Engeland en is het voorproefje van album nummer twee, "Up
The Downstair", dat in 1993 uitkomt. Muzikaal en tekstueel grijpt
Wilson terug op zijn Karma-tijd met "Burning Sky" en "Small
Fish", terwijl "Always Never" en "Fadeaway" de
ruwe diamanten van de plaat zijn en sterk geluidsbepalend zijn voor het
latere werk. Porcupine Tree is dan geen eenmansproject meer: Wilson
krijgt hulp van Richard Barbieri (toetsen, ex-Japan) en Colin
Edwin (bas), die korte tijd later vaste bandleden worden. De leftovers
van "Up The Downstair", dat beter verkoopt dan zijn
voorganger, komen terecht op de 10"/cd "Staircase Infinities".
Als
Chris Maitland als drummer is aangesteld, speelt de groep eind 1993 haar
eerste live-optredens. Een half jaar later verschijnt de ep "Moonloop",
waarop Wilson het groepsgeluid meer verfijnt. De uitgave is het
voorproefje van de "The Sky Moves Sideways", dat begin
februari 1995 uitkomt en sterk leunt op de epische progressieve rock in
de stijl van Pink Floyd, maar – als het moet - ook stevig rockt. Het
album maakt diepe indruk op fijnproevers van het genre. Wilson blijft in
de jaren na het uitkomen van de plaat, dat het geen favoriet van hem is.
Porcupine Tree wil vooruit met haar muziek, die meer groepsgeoriënteerd
gaat klinken en compactere songs aflevert. "Signify" (1996) is
een gevarieerde en een deels onevenwichtige plaat, de laatste
studioplaat op het Delerium label. Delen van de op de plaat terug te
vinden jamsessies krijgen alle ruimte op het onderschatte "Metanoia"
(1998). Met de liveplaat "Coma Divine" (1997) neemt de groep,
voor een uitzinnige Frontiera in Rome, in stijl afscheid van haar eerste
muzikale periode.
Ondertussen heeft Wilson al een nieuwe plaat klaarliggen, die, wegens
lang zoeken naar een nieuwe platenmaatschappij, pas begin 1999 uitkomt
op het kersverse Snapper label. Op "Stupid Dream" is het
geluid van de band voor het eerst sinds 1992 echt drastisch veranderd.
Invloeden van The Beach Boys, Crosby, Stills, Nash & Young,
maar ook Talk Talk en zelfs stevige Led Zeppelin-achtige
rock zijn te horen in de sferische popsongs, waarin ook zo nu en dan
strijkers (gearrangeerd door XTC-lid Dave Gregory) een prominente
plaats innemen. Nog steeds is de groep niet definitief doorgebroken,
ondanks haar schare aanhang fans en tournees met Hawkwind, Marillion
en Dream Theater. Opvolger "Lightbulb Sun" (2000) biedt
meer van hetzelfde, maar de composities zijn wederom van zeer hoge
kwaliteit en het album klinkt nog melancholischer dan haar voorganger.
Na een album vol zeldzaamheden en een paar losse nieuwe nummers ("Recordings",
2001) gaat de groep opnieuw op zoek naar een nieuw label. Begin 2002
tekent Lava, onderdeel van Atlantic / Warner Brothers, de groep en kijkt
Porcupine Tree wederom uit naar een doorbraak. Dat heeft tot gevolg dat
drummer Chris Maitland de band verlaat: hij kan zijn andere activiteiten
naast Porcupine Tree niet meer combineren met het groepswerk, dat steeds
meer tijd gaat kosten voor alle bandleden.

Hij wordt vervangen door Gavin Harisson, een oude bekende van Wilson
en Barbieri. Voor Steven Wilson heeft de populariteit van ‘zijn
hobbyband’ die van no-man inmiddels ver overtroffen. Op "In
Absentia" klinkt de band steviger en grimmiger, maar net zo
dromerig en meeslepend als op de twee voorgangers. De plaat verschijnt
eind 2002 in Amerika en begin 2003 in Europa, waarna de groep haar meest
uitgebreide wereldtournee tot dan toe maakt.
Toch vallen de verkoopaantallen tegen en zet de band vol in op "Deadwing",
het volgende album dat in 2004 uitkomt. Een plaat die veel
samenhangender is dan "In Absentia" en tijdloze, spannende
progrock biedt. Vlak na het uitkomen wordt het Lava label opgeheven en
houdt de groep de release van de dvd "Arriving Somewhere…"
in eigen hand, waarop Porcupine Tree bij vlagen een routineuze en
klinische indruk maakt. Dat de populariteit van de band met de dag
stijgt, blijkt wanneer begin 2007 op het Roadrunner label "Fear Of
A Blank Planet" verschijnt. Zowel door pers als publiek wordt het
werkstuk zeer positief wordt ontvangen. Het is een in een korte tijd
geschreven en opgenomen groepsplaat, met bijdragen van Alex Lifeson (Rush)
en Robert Fripp (King Crimson), die bij herbeluistering steeds meer
geheimen prijsgeeft.