|
|
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Biografie |
|||||||||||||
|
Het vroege begin
Deze keuze werd overduidelijk op het tweede werkstuk van de groep, "Time And A Word" (1970), waar een heus symfonisch orkest ingehuurd werd om deze muzikale koerswijziging, naar analogie met platenwerk van The Nice en Deep Purple, kracht bij te zetten. Deze zet kwam evenwel te vroeg en beoogde niet het verhoopte resultaat, mede door de wat onevenwichtige verhouding tussen composities en productie. De symfonische hoogtijdagen Peter Banks kon zich niet langer verzoenen met de gekozen muzikale richting en ruimde plaats voor Steve Howe. In deze nieuwe bezetting kwam "The Yes Album" (1971) tot stand, een sterk album waarop de complexe, avontuurlijke symfonische rock van Yes steeds meer een vaste gedaante begon aan te nemen en de klassieke invloeden bijzonder vakkundig in de songs geďntegreerd werden. Een geslaagd optreden als voorprogramma van Iron Butterfly en een eerste tour in de USA als opening act voor Jethro Tull deed de status van de groep aanzienlijk toenemen.
Met kersverse drummer Alan White werd "Tales From Topographic Oceans" (1973) opgenomen en vielen de eerste kritische bemerkingen te noteren als zou de groep te hoog willen grijpen met de lange, uitgesponnen composities. Eerste slachtoffer van deze muzikale evolutie was Rick Wakeman, die afhaakte om zijn prille solocarričre alle kansen te kunnen geven.
Midlife-crisis? Het onsamenhangende "Tormato" (1978) kon de lijn niet doortrekken en weer wierpen de diverse bandleden zich op solowerk. Nieuw platenwerk leek niet te vlotten en zowel Wakeman als Anderson zetten een stap opzij. Begin jaren tachtig sloeg het nieuws, dat beide Buggles Trevor Horn en Geoffrey Downes de band kwamen vervoegen, in als een bom. Hoewel deze manoeuvre aanvankelijk als een commerciële knieval werd beschouwd, leverde het eerste (en tevens laatste) product van deze bizarre samenwerking het sterke "Drama" (1981) op, waarop de krachtige, complexe symfonische rock van Yes prima uit de verf kwam. Downes en Howe hielden het evenwel vrij snel voor bekeken en zouden samen deel gaan uitmaken van Asia, dat begin jaren tachtig redelijk wat successen oogstte met meer AOR-getinte pomprock.
Hoewel het einde van Yes nabij leek, zochten Squire en White toenadering tot oudgediende Tony Kaye en ook Jon Anderson, die toch weer bereid gevonden werd om Yes nieuw leven in te blazen. Trevor Rabin nam de plaats in van Steve Howe en in 1983 verscheen "90125", een niet onaardige lp maar veel toegankelijker dan Yes tot dan toe geklonken had. Niettemin leverde het album met Owner Of A Lonely Heart een gigantische hit op, maar toch was toen al duidelijk dat het in artistiek opzicht steeds verder bergafwaarts ging met de band. De talrijke personeelswisselingen, de soloaspiraties van de diverse bandleden, de steeds vijandiger wordende pers en de veranderende tendensen in de muziekbusiness begonnen hun tol te eisen. Het magere, inspiratieloze "Big Generator" (1987) leek wel het definitieve einde van de band, maar met het alternatieve Yesproject ‘Anderson, Bruford, Wakeman & Howe’ leek de groep toch nog te willen verdergaan.
Deze ‘nieuwe’ line-up werd in de ‘oude’ geďntegreerd en dat leverde begin jaren negentig (na veel geruzie en dreigende processen) nieuw platenwerk op, dat heel symbolisch tot "Union" (1991) omgedoopt werd (later door Wakeman ook smalend ‘Onion’ genoemd). De grijze nadagen? Naast de relatief interessante live releases die als Keys To Ascension I & II uitgebracht werden, werden nog enkele nieuwe studioplaten opgenomen die evenwel weinig applaus oogstten: "Talk" (1994), "Open Your Eyes" (1997) en "The Ladder" (1999) bleken albums die vooral gekenmerkt werden door artistieke bloedarmoede (met uitzondering van het uitstekende "Talk", red.) Hoewel de markt sinds de jaren negentig overspoeld werd met allerlei Yes-materiaal (dvd’s, boxsetjes, compilaties, live cd’s en sporadisch ook nieuw materiaal), bleef het in kwalitatief opzicht maar stil rond de band. "Magnification" uit 2001 bleek, merkwaardig genoeg, een terugkeer naar de periode rond "Time And A Word" waarbij een centrale rol weggelegd leek voor een heus symfonisch orkest. Deze verkwikkende zet bleek van goudwaarde voor de band en tevens het begin van een lange reeks concerten met orkest, waarbij eveneens een beroep gedaan werd op de jonge, talentvolle toetsenist Tom Brislin. Zoals gebruikelijk zou ook aan deze samenwerking al gauw een einde komen en zo verschijnt de groep op geregelde tijdstippen in nieuwe gedaantes op het voorplan waarbij zelfs oudgediende Rick Wakeman weer van de partij is. De trend die zich in de jaren negentig begon af te tekenen (massa’s releases van diverse aard) lijkt zich ook in de 21ste eeuw te zullen handhaven.
|
|||||||||||||
|
Discografie (selectief) |
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|
|||||||||||||