Isobar – III

Fans en andere liefhebbers van Metaphor waren niet blij toen deze groep in 2019 besloot ermee op te houden. Het album “The Pearle” uit 2019 was het vierde en tevens laatste wapenfeit van deze progband uit de Verenigde Staten. Daarna gaven ze er de brui aan, naar horen zeggen vanwege het ontbreken van succes.

Niet veel later trokken drie van de vijf bandleden de stoute schoenen aan en richtten Isobar op. Waarmee men zich op het pad begaf van instrumentale progrock en jazzrock/fusion. In 2020 resulteerde dat in het debuutalbum “I”. Al snel volgde in 2021 “II”. Het gaat Jim Anderson, Malcolm Smith en Marc Spooner daarbij niet meer om succes. Het enige wat telt is lekker muziek maken, zonder invloeden van buitenaf. Ondersteund door Änglagård-drummer Mattias Olsson laat men horen dat goede muziek geen zang nodig heeft.

Met “III” krijg je als het ware twee albums in een, een gitaaralbum en een toetsenalbum. In ieder nummer staat namelijk het gitaarspel van Malcolm Smith en het toetsenwerk van Marc Spooner centraal. Met name Spooner laat een heel arsenaal aan (retro-) klavieren de revue passeren, waaronder Hammond en (veel) Mellotron. Na een paar algemene luisterbeurten vond ik het een uitdaging om een luisterbeurt alleen te besteden aan het gitaarspel en een andere aan het toetsenwerk. Een wonderlijke ervaring kan ik je vertellen.

Het is vanzelfsprekend dat ook op dit schijfje flarden Metaphor hoorbaar zijn en Zappa en Gentle Giant zo nu en dan om de hoek komen gluren. Maar de muziek van Isobar staat vooral op zichzelf en mag je haast een eigen stijl noemen. Alle nummers zijn na een lang proces tot stand gekomen, zoals je in het interview met de groep elders op deze website kunt lezen.

Binnen ieder nummer valt enorm veel te beleven. Het lijkt simpel en dat is het misschien ook wel. Het resultaat is vrij complexe en soms technisch aandoende muziek waarvan je je regelmatig afvraagt waar het heengaat, maar het komt altijd ergens uit en het blijft ook nog eens toegankelijk. Zowel de arrangementen als de melodieën zijn vindingrijk en origineel. Voor de nodige afwisseling en variatie zijn in enkele nummers saxofoon, een schaarse trompet en viool te horen. Het beste voorbeeld daarvan is het ruim tien minuten klokkende The Mimus Polyglottos Alarm Clock. Wat een opbouw en wat een virtuositeit! Zowel Smith als Spooner is topmuzikant. Waar in veel groepen meerdere ego’s nog wel eens strijden om de eer, gaan de mannen hier hand in hand en gunnen ze elkaar een podium. Bovendien hebben zij in Olsson de perfecte drummer. Met zijn atypisch drumstijl en gebruik van een breed scala aan percussie-instrumenten wordt een prachtige symbiose gecreëerd. Een kraakheldere productie helpt daar ook nog eens bij.

Ik haal hem nog maar eens uit de kast. Het veelgehoorde cliché dat instrumentale albums snel aan verveling onderhevig zijn. Daar is hier geenszins sprake van. “III” is met afstand het beste Isobar-album, maar gelijk een van de betere instrumentale albums die ik in lange tijd heb gehoord. En dat zijn er veel. Inmiddels wordt door de heren al driftig gewerkt aan “IV”.

Wil je meer weten over Isobar, lees dan dit interview met Malcolm Smith.

The Tangent – Pyramids, Stars & Other Stories, Live Recordings 2004-2017

“Pyramids, Stars & Other Stories, Live Recordings 2004-2017” is een hele mond vol. Een heel paar oren vol muziek ook, want dit is een driedubbel-lp/dubbel-cd met live opnamen van The Tangent. Met het uitbrengen hiervan gaat een kinderwens van bandleider Andy Tillison in vervulling. Menig kind zal een dergelijke wens niet koesteren, durf ik te beweren. Drie concerten staan centraal in deze compilatie, uitgebracht ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van deze typisch Britse band.

Tillison benadrukt dat het om pure live-opnamen gaat, met alle beperkingen van dien. Compleet met fouten, sommige passages klinken te zacht en andere juist te hard. Dit is wat er in alle hectiek op het podium gebeurde. Het materiaal is geremastered, maar niet geremixed, waardoor het volgens Tillison meer als “Yessongs” klinkt dan als “Seconds Out”.

Het complete Pyramids And Stars concert van 4 november 2004 in Duitsland neemt de hele eerste cd in beslag. We horen het grootste deel van het debuut van de band, “The Music That Died Alone”, aangevuld met twee nummers van de opvolger hiervan “The World We Drive Through”. De originele live-bezetting is aan het werk. Naast Tillison zijn dat Zoltán Csörsz (drums), Jonas Reingold (basgitaar), Roine Stolt (gitaar en zang), met (toen nog) een extra toetsenman, Sam Baine. De band trapt af met de titelsong van de tweede cd, nadat Tillison in opvallend goed Duits het publiek heeft toegesproken. De louter lange nummers klinken prima en de bandleden halen het beste in elkaar naar boven.

Het zijn stuk voor stuk uitgesponnen composities met veel solowerk en het Canterbury-geluid zat er meteen al goed in. Stolt trekt nadrukkelijk de aandacht naar zich toe en soleert er op los met zijn karakteristieke en o zo herkenbare stijl. Dit maakt dat de muziek soms neigt naar The Flower Kings. Baine doet vooral het pianowerk om Tillison op orgel en synthesizer te kunnen laten schitteren. Zijn solospel is werkelijk om te smullen. Het puike ritmetandem laat zich daarbij evenmin onbetuigd. Regelmatig lijken de  heren er op los te improviseren, maar veel van het origineel afwijken doen ze toch niet. We horen overigens regelmatig een dwarsfluit, zeker op The Canterbury Sequense, al wordt bij de credits geen bespeler vermeld. Theo Travis is het in ieder geval niet, zo wordt ons verzekerd.

Volgens veel fans behoort het werk uit de beginperiode tot het beste van The Tangent. Ik kan ze geen ongelijk geven. Het is in ieder geval genieten geblazen, zoals aan het begin van het imposante In Darkest Dreams, dat een hele lp-kant bestrijkt. Na bijna 70 enerverende minuten eindigt de eerste schijf met een gebbetje: een niet heel bijzondere versie van de Emerson, Lake & Palmer-klassieker Lucky Man.

Cd2 staat in het teken van het concert in Southend-On-Sea (Engeland) uit 2011 en het optreden in New Yersey (Verenigde Staten) in 2017. De muziek staat in het teken wat Tillison de COMM-periode noemt, de cd die 2011 uitkwam. In die periode was hij erg met het thema communicatie bezig. Titelsong van de cd uit 2015 “A Spark In The Aether”, kenmerkt zich door een hoog tempo, veel toetsenwerk en matige zang van Tillison. A Sale Of Two Souls (“Not As Good As The Book”), is daarentegen vooral piano en zang, met een stukje Do It Again van Steely Dan erin verweven. De toen nieuwe gitarist (ook een kanjer) Luke Machin laat voor het eerst van zich spreken in Perdu Dans Paris (“Down And Out In Paris And London”, 2009) dat meedeint op de golven van de emotie die Tillison in zijn stem legt. Het is dan al duidelijk dat hij in 2004 beter zong. Van nature is hij al geen nachtegaaltje, maar bij deze opnamen komt toch nog al eens een valse kraai in gedachten.  Zeker bij de forse uithalen gaat het soms richting schreeuwen. De gitaar gaat pas voluit op A Crisis In Midlife, lekker funky en licht jazzy, snel en ongrijpbaar, kortom zoals het hoort bij The Tangent. Het laatste gezongen stuk is daarentegen niet  om aan te horen.

“The Slow Rust Of Forgotten Machinery” is vertegenwoordigd met Doctor Livingstone (I Presume). Heerlijk smeuïg, vliegensvlug gitaarspel omklemt zo’n ontspannen, ronduit jazzy,  tussenstuk, waar de band patent op lijkt te hebben, op vooral piano. Een woeste drumpartij gaat Titanic Calls Carpathia vooraf, het enige nummer van “COMM” (2011), dat de luisteraar weer in een achtbaan van muzikale sfeermomenten doet belanden. Duidelijk zijn de ‘moderne’ invloeden waarneembaar, waar Tillison zich in de loop der jaren is van gaan bedienen. De synthesizersolo’s zijn weer erg lekker, want met het toetsenspel van Tillison is nog steeds helemaal niets mis. Machin soleert hier lustig omheen. De cd kent een bedaarde afloop met Two Rope Things, ook van “The Slow Rust…”.

Twee cd’s vol met live-opnamen van The Tangent, hebben we daar écht wat aan? Ik denk van wel. Tillison laat in wisselende samenstellingen zien zijn complexe materiaal uitstekend live te kunnen vertolken en er nog iets extra’s aan toe te voegen. Er komt werk van niet minder dan acht cd’s voorbij, zodat we kunnen spreken van een mooie dwarsdoorsnede van het oeuvre van deze Canterbury-specialisten.

The One – Sunrise

Het nieuwe Nederlandse label voor progressieve rock en metal Construction Records heeft na Inhalo een tweede band uit ons kikkerlandje gecontracteerd. The One is het geesteskindje van Timothy van der Holst. Hij groeide muzikaal op in de jaren 80 en luisterde naar bands als Genesis, King Crimson en Yes, waarvan hij onder de indruk raakte. Hij maakte al meer dan 20 albums, echter met jazz- en soulmuziek. Nu hij met “Sunrise” zijn eerste progplaat aflevert kunnen we rustig zeggen dat hij toch nog goed is terechtgekomen.

Met de Britse muzikant en tekstschrijver Frank “Fish” Ayres schreef hij de muziek en speelde de meeste instrumenten zelf in zijn eigen studio in. Edwin in ’t Veld deed de gitaarpartijen en nog een Brit, Max Gilkes, neemt de zangpartijen voor zijn rekening. Twee gitaristen, Fernando Perdomo en Luca Giardano, verlenen hand- en spandiensten. Genoemde “Fish” kreeg de muziek van Van der Holst aangeleverd en in een wip schreef hij daar, vroeg in de ochtend, de teksten bij. Deze werkwijze bood inspiratie voor de titel van de cd.

“Sunrise” gaat over een wetenschapper die in het complexe web van snaartheorieën is gedoken en bijna verdronk in de verleidelijke oceaan van de kwantumfysica. Zijn gezond verstand wordt vastgehouden door een draad wanneer hij zich realiseert dat verliefd worden en liefde verliezen sneller gaan dan de snelheid van het licht. Gaat het om geloof of feiten? De antwoorden komen op met de zon en zijn dag is herboren.

En ze maken nog muziek ook! Die is stevig in de basis, ze schuwen het gebruik van ritmes die er net tegenaan zitten niet en presenteren dit in een melodieuze geschenkverpakking. The Thoughts Of Light is het instrumentale begin. Stevige riffs, het ritme is behoorlijk tegendraads, de gitaar speelt ook qua solospel de hoofdrol, die Perdomo vervult. Je zou hierin zo maar iets van King Crimson kunnen herkennen. Time Out kent een rustiger start, ook als Gilkes zijn bedaard klinkende stem laat horen. De instrumentale tussenstukken zijn weer steviger. De toetsen van Van der Holst dienen zich nu nadrukkelijker aan, zeker tot mijn genoegen. Riedeltjes en behoorlijke solo’s geven dit nummer kleur.

Je ervaart in het pianospel de dreiging in het langste nummer van de schijf. The Past Haunts Again bouwt rustig op. De riffs zorgen voor een stukje hardrock ala Black Sabbath. De stem van Gilkes klinkt hier iets anders en gaat richting die van Mark Trueack van Unitopia. De gitaren en toetsen doen weer goede zaken. De dwarsfluit van Peter Broekhuizen voegt echt iets toe  en de gesproken tekst van Ayres maakt dit sterke nummer af. In een gedragen tempo, zonder zware metalen, met veel toetsenwerk, ontrolt zich Remember. Genoemde Ayres voelt de ontspannen sfeer goed aan met zijn bijdrage op slidegitaar.

Als we dan toch nog een oude favoriet van de bandleider erbij moeten pakken is het Yes. In Let’s Laugh klinkt dit vooral door in weer die er-net-tegenaan-ritmes en het weelderige toetsenspel, dat hier iets weg heeft van Rick Wakeman. Het schriel klinkende gitaartje weerhoudt Van der Holst er niet van de synthesizer het laatste woord te geven. Between You And Me is een betrekkelijk rechttoe rechtaan rocknummer met tot rust manende zang en één uitschieter op gitaar.
Een beetje Genesis klinkt door in het pastorale en melodieuze The Time Stands Still. Gilkes, even vermomd als Cat Stevens, geeft de richting aan, die een hemels koortje inslaat en de dwarsfluit voegt zich bijna ongemerkt bij dit gezelschap.




Het titelnummer tot slot laat niet zoveel nieuws horen. De zang is niet echt bijzonder tussen de pittige riffs en het wilde gitaarspel door en de slotcoupletjes zijn een beetje zoetig. Dat neemt niet weg dat The One met “Sunrise” een aantrekkelijk debuut het licht heeft doen zien. Een prettige mix van stevige riffs, soms tegendraadse ritmes, heerlijke ouderwets toetsenspel, mooie gitaarpartijen en goed verzorgde zang leveren een zoveelste maar dik verdiende knipoog naar de jaren 70 op. Er is misschien niet zoveel nieuws onder de zon, maar ik vind het gewoon heerlijk klinken.

Epinikion – Inquisition

Epinikion is een symfonische metalband gevestigd in Essen, België, net over de grens bij Zeeland. De band is in 2020 opgericht door twee Nederlanders, Renate de Boer op toetsen en Robert Tangerman op gitaar. Beiden hebben eerst een topsportcarrière opgebouwd en besloten daarna de muziekwereld binnen te stappen. In die eerste carrière was Tangerman actief als atleet en De Boer als psycholoog en coach van sporters, hoewel zij daarvoor ook topsport heeft bedreven als hardloper. Als ex-topsporters kregen de twee een relatie die inmiddels vijftien jaar duurt.

Nadat ze met hun sportloopbaan waren gestopt, speelde Robert met het idee iets in de muziek te gaan doen, een hobby die beiden al beoefenden voordat topsport überhaupt in beeld kwam. De combinatie van zijn elektrische gitaar en Renate’s klassieke piano leidde tot de keuze voor symfonische metal. Als bandnaam kozen ze voor Epinikion, wat ‘hymne voor de winnaar’ betekent. In het oude Griekenland werden de heroïsche verhalen van atleten in een epinikion gezongen na overwinningen op grote evenementen. Een feniks werd toegevoegd aan het bandlogo, als teken van atleten die als muzikanten uit hun as zijn herrezen. Mede door de passie en sportmentaliteit van Robert en Renate evolueerde de band snel. Dit album “Inquisition” is voltooid met sessiemuzikanten Eleonora Damiano als zangeres, Levent Gasgil op leadgitaar en Emre Demir op basgitaar. Vanaf het begin combineerde Epinikion zware gitaarriffs met subtiele progressieve en metalinvloeden, aangevuld met harmonische, bombastische en orkestrale lijnen.

De band is als project met veel gastmuzikanten opgestart, maar al snel veranderde dat in een vaste band met als boegbeeld zangeres Eleonora Damiano. De Boer en Tangerman bedachten een rockopera met als concept de Tachtigjarige Oorlog. Naast Damiano is er nog een aantal gastvocalisten actief, waaronder de Nederlandse Laura Guldemond, bekend van Shadowrise, Burning Witches, Ayreon en The Gentle Storm. Het artwork van de cd is in handen van de Italiaanse Beatrice Demori.

Bijna vanzelfsprekend zijn er overeenkomsten met bands als Nightwish, Epica en Within Temptation wanneer een nieuwe symfonische metalband zich met een frontvrouw presenteert. Dat is natuurlijk wat gechargeerd, maar ook in dit geval gaat die toetsing parallel. Opvallend zijn de volle songs, elk detail is goed doordacht en ingekleurd. De orkestraties en toetsen staan wat klinisch in de productie en ik had graag naar  natuurlijke of akoestische pianoklanken van De Boer geluisterd. Door die statische toetsen ontbreekt het wat aan meeslepend karakter binnen de tracks. De gitaren zijn prima gedoseerd, je vindt niet overdreven veel gitaarsolo’s op het album. Zijn ze er wel, bijvoorbeeld in If I Could Turn Back Time, daar is deze van prima kwaliteit. Ook het gitaarintro, de solo en de riffs in Welcome To The Wonderful World Of Jealousy zijn een genot voor het oor.




De Italiaanse Damiano zingt netjes maar het ontbreekt aan absolute power bij deze dame. Ze heeft een ietwat geknepen manier van zingen maar vliegt anderzijds nergens uit de bocht. De productie van haar zang had wat mij betreft ook wat dynamischer gekund. De gastzangeressen vervullen daardoor een opvallende rol, bijvoorbeeld Laura Guldemond in False Faced Demon. Zij klinkt in deze song theatraal, gepassioneerd en in vergelijking met Damiano vooral ook accentloos. De combinatie van zangeressen Monique de Bruin en Debby Zimmermann in If I Could Turn Back Time is een regelrecht schot in de roos; wat maken zij er een geweldige song van!

Kwalitatief is de muziek van Epinikion van prima niveau maar na een complete luisterbeurt kun je constateren dat de productie vol en verzadigend is. Elk detail, elk vlak is ingekleurd, de bombastische elementen zijn na een goed uur iets teveel van het goede en het geheel is té intensief. Maar eerlijk is eerlijk, dat is smaakgevoelig en gebruikelijk binnen het genre. Hoe dan ook is dit een prima debuut om mee voor de dag te komen. Spreekwoordelijk nog de puntjes op de i zetten en als het aan de wilskracht van deze voormalige atleten ligt, verwacht ik voor de toekomst mooie prestaties.

Caravela Escarlate – III

Het is een opvallende match, een Braziliaanse progband en een Noors platenlabel, maar wel een slimme. Waar het voor Zuid-Amerikaanse groepen lastig is om voet aan Europese wal te zetten, lukt dat Caravela Escarlate met deze deal. En ik hoop dat het ze geen windeieren zal leggen.

Net als op het album “Caravela Escarlate” is het op dit derde album jaren 70 troef. De invloeden van Emerson, Lake & Palmer en Trace, maar ook Triumvirat zijn overduidelijk aanwezig. Het zal je daarom niet verbazen dat het drie kwartier genieten is voor de liefhebbers van (retro) toetsenwerk. Ben je sterk gehecht aan gitaarsolo’s, dan moet ik je teleurstellen. Opener Bússola Do Tempo zet dan ook gelijk de bakens: speels aandoende toetsenloopjes, een hoogpolig tapijt van Hammond en het kenmerkende basgeluid van een Rickenbacker. De zang van bassist David Paiva is in het Portugees. Zijn stem is aan de vlakke kant en kan neigen naar verveling.




 

Productioneel had het ook vetter gemogen. De dunne en cleane productie laat zich in negatieve zin gelden in Castelos Do Céu. Met de toetsen vooraan in de mix en galm op de zang komt dit het drukke en daardoor aan Cast denkende nummer niet ten goede, tenzij je in staat bent daar doorheen te luisteren. Ondanks een ‘minder is meer’ begin kent Sonhos Medievais datzelfde euvel. Enkele gave toetsensolo’s van Ronaldo Rodrigues maken gelukkig veel goed. Nee, doe mij dan maar het instrumentale Mandala met breed uitgesponnen toetsenpassages, waaronder veel Mellotron en Hammond.




 

Met ruim tien minuten is Cruz Da Ordem het beste nummer. Sterk beïnvloed door Emerson, Lake & Palmer, dus veel Hammond en een sterk stuk met dominante baspartijen waar Rodrigues alleen mag volgen. De zang is beperkt tot een paar regels. In het korte Ciclos is het weer drukte troef met een overenthousiaste mengelmoes van toetsen en ritmes. Het slotakkoord heet Filtro Dos Sonhos. Hier krijgt het trio de gelegenheid zich nog eenmaal individueel te onderscheiden, want dat de mannen spelen kunnen is wel duidelijk.

Deze Brazilianen zijn duidelijk liefhebbers en weten waar de mosterd wordt gehaald. Liefhebbers van retro en veel toetsen zullen zich aan “III” geen buil vallen.

Dream Theater – Lost Not Forgotten Archives: Live At Madison Square Garden (2010)

En daar is alweer nummer zeventien in de Lost Not Forgotten Archief reeks van Dream Theater. Ook in 2023 is het recordlabel niet te stoppen en blijft het albums toevoegen aan deze ondertussen toch al immense verzameling. Voor degenen die niet elke maand een album kunnen aanschaffen, alle albums zijn ook via Spotify te beluisteren. En om eerlijk te zijn; sommige albums uit deze reeks zijn ook alleen leuk om een keer te beluisteren. Daarentegen hebben andere albums weer een mooie verzamelwaarde.

Deze zeventiende editie bevat niet eerder uitgebrachte opnamen van hun optreden in het legendarische Madison Square Garden op 12 juli 2010. Zoals James LaBrie aan het eind van het optreden aangeeft: een droom die uitkomt om hier, in hun eigen geboortestad New York, te mogen spelen. Daar ze in het voorprogramma van Iron Maiden staan spelen ze een korte, stevige setlist. De zes nummers op dit album, met in totaal toch zo’n 50 minuten, zijn ook de complete set die ze toen konden spelen. Een opvallend voordeel van zo’n korte setlist is, dat zanger LaBrie dit kan volhouden en bijzonder goed bij stem is. Iets wat bij andere – langere – optredens wel eens tegenvalt.

Omdat ze tijdens deze optredens in het voorprogramma stonden van Iron Maiden hebben ze gekozen voor een ietwat stevigere setlist, die direct heftig start met As I Am. Dream Theater wil voor het Maiden publiek laten horen uit wat voor hout ze gesneden zijn en men neemt de tijd voor ieder nummer. De solo’s worden goed neergezet, waarbij vooral het duo Petrucci en Rudess opvalt. Maar ook Mike Portnoy – die zoals later blijkt zijn laatste tour met Dream Theater beleeft – laat zijn base- en snaredrums flink horen.

In 2009 is het album “Black Clouds & Silver Linings“ verschenen, waarna ze in 2010 op stap gingen voor de “Black Clouds & Silver Touring” tour. Ook dit optreden is daar – zij het in afgeslankte vorm – onderdeel van. Wordt in de headliner shows nagenoeg het gehele album gespeeld, nu beperken de heren zich tot één nummer: A Rite Of Passage. De opname op dit album is daarmee de enige officieel uitgebrachte live-uitvoering van dit nummer. Alleen daarom is dit album al uniek en voor de verzamelaar onmisbaar.

Act II, Scene Six: Home van het album “Metropolis, Pt. 2: Scenes From a Memory” is het langste nummer van dit optreden en laat duidelijk horen wat een geweldige drummer Mike Portnoy toch wel is. Hoewel de mastering van deze opnames niet optimaal is, klinkt het drumgeluid heerlijk. Hun huidige drummer Mike Mangini is natuurlijk van een heel ander kaliber, maar Portnoy is nog steeds een van de betere drummers ter wereld. De afsluitende drumsolo bewijst dit nogmaals. Daarnaast bevat dit nummer ook nog een zeer geweldige toetsensolo, waarbij Jordan Rudess laat horen waarom hij toentertijd de perfecte vervanger van Derek Sherinian was. Overigens over solo’s niet te klagen in dit nummer, want ook John Petrucci en John Myung laten zich voortreffelijk horen.

Met dit album hebben we er wederom een geweldige live-opname bij van deze progressieve metalband die volgens ChatGPT ‘al jaren bekend staat om hun technische vaardigheden en complexe composities. De nummers zijn energiek en emotioneel, met een aantal indrukwekkende soloprestaties van gitarist John Petrucci. Ze hebben een toegewijde fanbase en hebben gedurende hun carrière veel albums uitgebracht met lovende kritieken.’
Indien we deze door een computerprogramma geschreven omschrijving mogen geloven, dan zal hun toegewijde fanbase dit album zeker weer kunnen waarderen.

Riverside – ID.Entity

Vijf jaar na het laatste studioalbum en twintig jaar na de debuut-EP is Riverside terug met een nieuw album. Dat is om meerdere redenen groot nieuws. Natuurlijk is Riverside uitgegroeid tot een grote band met heel veel fans, ook in Nederland. Maar het was ook niet per se zeker dát er een nieuwe plaat zou komen, na het verdrietige overlijden van gitarist Piotr Grudzinski in 2016. Oud Quidam-gitarist Maciej Meller, die op “Wasteland” al een gastrol had, is tot de band toegetreden en daarmee hebben we weer een kwartet.

“ID.Entity” wordt door het marketingteam van InsideOut Music het begin van een nieuwe fase genoemd, en dat is heel begrijpelijk, maar wat mij betreft niet helemaal terecht. Op “Wasteland” hoorden we immers voor het eerst meer een melancholische rockband dan een progmetalgroep en dat geluid wordt doorgetrokken op het nieuwe album. Vanzelfsprekend was “Wasteland” een donker en emotioneel album, “ID.Entity” is niet alleen aanzienlijk meer poppy, de muziek is ook een stuk vrolijker en daarmee dynamischer.

Uiteraard ligt aan de plaat weer een thema ten grondslag en zoals dat bij Mariusz Duda wel vaker het geval is, speelt identiteit een grote rol. Wie ben je? Speel je bij tijd en wijle een andere rol? Voor Riverside heeft hij het antwoord al paraat: De band is het meest zichzelf op het podium. Vandaar dat voor de opnamen van dit album getracht is het livegevoel vast te leggen. Dat is van oudsher een van de grootste struikelblokken bij het opnemen van muziek: de dynamiek van het samen muziek maken verliest het altijd van de wens zo ‘goed’ en ‘netjes’ mogelijk op te nemen. Door van elke noot tientallen versies op te nemen, gaat de spontaniteit ten onder.

Duda heeft dat nu deels ondervangen door de muziek niet in de studio te schrijven, maar in de oefenruimte met alle muzikanten tegelijk. Daardoor krijgt bijvoorbeeld toetsenist Michal Lapaj veel meer de ruimte en dat betaalt zich uit in een paar meesterlijke partijen, met name op Hammondorgel. Ook nieuwe gitarist Maciej Meller speelt een paar knappe en prachtige solo’s. Daarbij zijn de liedjes wat minder eenkennig dan voorheen.

Ik ben onder de indruk van dit album, omdat het zo veel meer ‘open’ klinkt dan eigenlijk alle vorige albums. Over elke plaat hing wel een sluier van somberte, vaak vertaald in een brommend soort toetsenbehang. Daarmee werd de muziek wel reuze stemmig en melancholisch, maar dit frisse geluid bevalt me beter. De composities zijn helemaal top. Er zit geen zwakke broeder tussen en een aantal verrast behoorlijk. Opener Friend Or Foe doet me aan Simple Minds en zelfs A-Ha denken, zo toegankelijk is het. Dat komt ook door de zang van Duda, die beter klinkt dan ooit. Een iets minder sikkeneurige toonsoort past hem goed. Natuurlijk scheurt er hier en daar een gitaartje, maar dit nummer kun je gerust aan je Top 2000 minnende partner laten horen. Later op de plaat gaat het van aanmerkelijk dikker hout, qua planken. I’m Done With You klinkt bijvoorbeeld lekker nijdig en ook tijdens het langste nummer The Place Where I Belong wordt er nat en droog geschuurd.

Maar voor het overige zoekt Riverside het op dit nieuwe album meer in de breedte. Zo heeft afsluiter Self-Aware niet alleen een meebrul refrein, maar komt er ook een stukje reggae voorbij en een toetsenlijn die aan Pink Floyd doet denken, en dat alles ten dienste van de mooie zangpartijen van Duda. Ook is er zowaar iets van humor aan de hand, zoals in de opening van Big Tech Brother, waarin verder zelfs digitale blazers te horen zijn!




Riverside is al 20 jaar een naam om rekening mee te houden. “ID.Entity” bewijst dat daar nog geen enkele sleet op zit, integendeel. Ik was de Poolse vrienden een beetje zat, maar met deze cd ben ik weer van de partij. Het is een briljante plaat, zeker een serieuze kandidaat voor de jaarlijsten!

Limited Edition:

Vinyl:

Deluxe Edition:

Kansas – Another Fork In The Road – 50 Years Of Kansas

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de band Kansas brengt hun huidige label InsideOut Music een triple verzamelalbum uit waarop alle studioalbums met twee of drie composities zijn vertegenwoordigd, aangevuld met een aantal opnames van live-albums. De compilatie gaat vergezeld van een boekwerkje met foto’s en begeleidende tekst van journalist Jeff Wagner, waarover ondergetekende helaas nog niet kon beschikken.

Kansas werd in 1973 opgericht in Topeka (Kansas) in de klassieke bezetting met Kerry Livgren, Steve Walsh, Robby Steinhardt, Phil Ehart, Bob Hope en Richard Williams. Deze bezetting vergaarde in korte tijd veel bekendheid en succes met hun unieke mix van southern rock (van folk tot heavy), symfonische rock en messcherpe samenzang, met een vocale hoofdrol voor de immense stem van Steve Walsh. Dat gezegd hebbende moeten we de vocale inbreng van Robbie Steinhardt niet onderschatten.

Exemplarisch zijn hun mini-symfonieën zoals Journey From Mariabronn, Song For America, Icarus en Portrait (He Knew). Dat ze niet vies waren van een portie vuige southern rock bewezen ze met nummers als Down The Road en Child of Innocence. Al vroeg zag de band dat we niet erg zuinig met onze planeet omgingen (Death of Mother Nature Suite) en vroegen ze aandacht voor de oorspronkelijke bewoners van hun geboortestreek en hun cultuur (Cheyenne Anthem en People of the South Wind).

Het grote muzikale brein binnen de band was ontegenzeggelijk gitarist en toetsenist Kerry Livgren die veel composities schreef en veel klassieke invloeden inbracht. Hij bleek na een aantal jaren echter ook de splijtzwam binnen de band. Zijn steeds sterkere christelijke overtuiging leidde tot fricties binnen Kansas en uiteindelijk tot het vertrek van Steve Walsh in 1981. Daarna volgden diverse bezettingswisselingen zich in een snel tempo op met mensen als John Elefante, Steve Morse, Billy Greer, David Ragsdale en Greg Robert.

In 2014 volgde het bericht van het definitieve afscheid van Steve Walsh uit Kansas. De iconische zanger, die al langere tijd met stemproblemen worstelde, werd al snel opgevolgd door Ronnie Platt, wiens timbre aardig dicht in de buurt van zijn voorganger komt. Vijftien jaar na het laatste studioalbum verscheen bij InsideOut Music het verrassend frisse “The Prelude Implicit”, dat een herboren Kansas liet horen in een heavy progressief jasje.

Het typische van deze compilatie “Another Fork In The Road – 50 Years Of Kansas” is dat men van achteren naar voren heeft gewerkt. De meest actuele nummers staan als eerste in de tracklist. Dat geeft soms een verwarrend beeld. Vooral wanneer oudere nummers al vrij vroeg in de tracklist verschijnen omdat ze van een recenter album stammen, zoals The Wall en Dust In The Wind. Deze versies stammen van het album “Always Never The Same” en worden uitgevoerd in samenwerking met het London Symphony Orchestra. Dit resulteert in een prachtige filmische versie van eerstgenoemde en een te drukke versie van hitsucces Dust In The Wind.

Ter gelegenheid van dit verzamelalbum heeft de huidige bezetting, met Platt als leadzanger en Tom Brislin op toetsen, de eerste single Can I Tell You uit 1974 opnieuw opgenomen. Dat was eigenlijk niet nodig geweest, want deze versie voegt helemaal niets toe aan het origineel. Vervolgens horen we het Kansas van de laatste twee zwaar progressieve albums, waarbij opvalt dat Platt prima zingt, maar toch de power en de urgentie van Walsh, zelfs in mindere doen, ontbeert. Wel verdient de band een pluim omdat ze zonder inbreng van Livgren twee sterk progressieve albums weten af te leveren.

Daarna horen we de originele line-up met het schitterende materiaal van “Somewhere To Elsewhere” uit 2000, waarmee de band voor korte tijd in zijn oude glorie was hersteld. Alle nummers op dit album zijn geschreven door Livgren en dat is te horen ook. Luister maar eens naar het schitterende Icarus II en Distant Vision. We horen hier duidelijk de rauwe randen aan de, eens zo kraakheldere, stem van Steve Walsh, maar jeetje, wát een voice.

Op het eind van disc 1 en aan het begin van disc 2 zakt het muzikale niveau in mijn oren een beetje in. Het is de jaren negentig- en tachtig-periode. Het is het Kansas met Steve Morse in de gelederen dat muzikaal zwaar tegen de hardrock uit die tijd leunde. Je hoort nog af en toe een fraai refrein en een flitsende solo van Steve Morse, maar het muzikale vernuft van de beginperiode is ver te zoeken.

De tracks met John Elefante in de gelederen, zoals End Of The Age en Play The Game Tonight bewegen zich tussen goed verzorgde AOR en zelfs mainstream poprock. Vanaf het tweede deel van schijf twee horen we de hoogstaande composities van het oude Kansas langzaam terugkeren en komen we automatisch bij symfonische krakers als On The Other Side, Miracles Out Of Nowhere, Magnum Opus en Song For America terecht. Dan is het weer genieten van dat heerlijke gitaarspel, de scheurende Hammond, de zingende, maar ook speelse viool, de stuiterende ritmes, maar vooral die geweldige meerstemmige zang.

Natuurlijk is een aantal keuzes voor composities arbitrair, maar dat is inherent aan het samenstellen van compilaties. Uiteindelijk geeft “Another Fork In The Road” een mooi overzicht van 50 jaar Kansas in de reverse stand en mag je concluderen dat deze band een fantastische legacy achterlaat. En als de huidige bezetting er nog een muzikale bevlieging uit kan persen in de komende jaren kan die legacy alleen maar groeien.

Timelock – The Dawn

Twee vragen die een beroep doen op het geweten.
Smaakt oude wijn in een nieuwe zak nu beter of niet?
Nemen ‘wij’, symfomanen, anno 2023 genoegen met productionele kwaliteiten van 1994?

In navolging van het debuutalbum “Louise Brooks” uit 1992 is op de valreep van 2022 ook het tweede album van Timelock, “The Dawn”, uit 1994 opnieuw uitgebracht. En dat is voor mij goed nieuws. Immers tot mijn schande moet ik bekennen dat Timelock begin jaren negentig niet op mijn radar stond. Net als veel anderen liep ik aan achter groepen als Marillion, Pendragon, Pallas en Saga. Maarten Goossensen stipte het in zijn recensie van “Louise Brooks” al aan, symfo en (neo-)prog uit Nederland kropen toen langzaam uit het verdomhoekje.

Op dit tweede schijfje “The Dawn” heeft Timelock zijn eigen geluid verder uitgewerkt. Een geluid dat vooral bestaat uit stuwende symfo en redelijk dominant gitaarspel van destijds Rinus Hollenberg. Het toetsenwerk van Julian Driessen is vooral atmosferisch en ondersteunend, maar komt op deze opnieuw gemasterde uitgave nog beter tot zijn recht. Dat levert aan het begin gelijk fraaie nummers op als Emotional Target en Between Dusk And Dawn. In de laatste valt mij met terugwerkende kracht op dat het nog jonge stemgeluid van Ruud Stoker doet denken aan Michael Sadler. Net als dat Timelock soms doet denken aan de Canadezen van Saga.




Maar ook flarden van het eveneens Canadese Rush komen op dit album regelmatig voorbij, hun symfonische periode dan welteverstaan. Zoals te horen valt in een van mijn favoriete nummers Napoleon Bonaparte, dat begint als een powerballad met verfijnd gitaarwerk en via een enorme brug met Rush-achtige powersymfo als een uptempo rocker eindigt. Invloeden die je ook kunt horen in de compacte nummers No Man’s Land en Touchdown, maar zonder het eigen geluid geweld aan te doen.

Het originele album wordt bevestigend en opvallend afgesloten met Comets Rising en Icarus Before Noon. Enerzijds bevestigend omdat op de eerste de gitaar net als op het hele album een (prettige) hoofdrol speelt. Het nummer eindigt vanuit het niets met gesproken teksten, waarna Julian Driessen in het laatste instrumentale nummer eindelijk (en opvallend) los mag gaan in een supersymfonisch stuk en mega slotakkoord.




Als bonustracks op deze heruitgave staan akoestische versies van Napoleon Bonaparte en Between Dusk And Dawn (beide opgenomen op 11 maart 1995 bij Radio Hoofddorp). Maar de enorme toef met slagroom is de uitvoering met de huidige line-up van Emotional Target en No Man’s Land. En dat maakt deze heruitgave extra interessant. Het toevoegen van orkestraties door Arjen van den Bosch en achtergrondvocalen van Laura Eradus en Coby van Oorschot zijn een enorme verrijking. Voor de rest is er gelukkig weinig aan de composities gesleuteld. Wat daarmee bewijst dat de muziek van Timelock nog jaren moeiteloos mee kan.

En wat betreft de twee gewetensvragen aan het begin van deze recensie: de antwoorden laten zich raden.

Whitecave – Times Of Trouble

Whitecave is een Nederlands trio dat in 2015 is ontstaan en nog niet echt aan de weg heeft kunnen timmeren. Met het uitbrengen van hun eerste cd willen ze hierin verandering brengen. Hans Holeman doet zo’n beetje alles. Hij schrijft alle muziek en teksten en bespeelt gitaar, toetsen en bij gebrek aan een echte bassist ook basgitaar. De zangpartijen neemt hij ook voor zijn rekening. Drummer Dick Wit schrijft mee aan drie nummers. Nog een toetsenman is Cor Steijn. Ik ben dan direct nieuwsgierig of dit een nazaat is van dé meneer Cor Steyn, die in een grijs verleden komiek Dorus begeleidde op Hammondorgel. De ‘ij’ in zijn naam heeft oude Cor uit publicitaire redenen vervangen door de ‘y’. Toen al!

Het trio maakt melodieuze progrock met vette knipogen naar de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. Al heel snel is een vergelijking met Pink Floyd te maken, zonder dat de band daarbij overigens in de buurt komt. Het debuut is “Times Of Trouble” getiteld en daar is geen woord aan gelogen. Het thema is oorlog en alle ellende die hiervan het gevolg is. De start is sfeervol met piano, vioolgeluiden en een tokkelend gitaartje. De sfeer is eerder melancholisch dan donker.

The Day gaat over D-Day. Weer een nummer over D-Day, compleet met gesproken teksten. Met die teksten en radiofragmenten die zo vaak opduiken op cd’s, ben ik inmiddels wel een beetje klaar. Maar goed, Holeman laat hier wel horen dat hij een behoorlijke David Gilmour-imitatie in huis heeft. Minutenlang soleert hij dat het een lust heeft, de toetsen in een ondersteunende rol. Prachtig! De kerkklokken (op toetsen) verhogen de sfeer die bij de invasie hoort. “The Wall” en “The Division Bell” van Pink Floyd zijn referenties voor deze heerlijke symfonische opening.

Als Holeman op zijn snaren op In Pain wederom van leer trekt is het duidelijk wie in deze band de broek aan heeft. Melancholie en dreiging gaan hand in hand, dit leidt tot de onvermijdelijke slotsolo, die letterlijk uit de boxen knettert. Qua zang is Holema niet uit hetzelfde hout gesneden. Hij heeft een wat vlakke stem die niet erg tot de verbeelding spreekt en hij lijkt niet van zins hier veel emotie in te leggen. Dit leidt tot tamelijk saaie zangstukken. Het wachten is dan maar op weer zo’n mooie gitaarsolo, die dan vaak ook wel komt.

Het toetsenwerk, nog wel verzorgd door twee bandleden, is keurig verzorgd, maar houdt ook niet over. Het is allemaal te voorzichtig, te dienend, de toetsenmannen lijken bang om buiten de lijntjes te kleuren. Het gegeven dat de composities niet alle uitblinken in vernuft helpt hierbij ook niet. Slechts een enkele keer komt het klavierengoed uit de schaduw en dan wordt het meteen leuk. In het instrumentale Fire In The Hole bijvoorbeeld, waar we een heuse toetsensolo meemaken, gevolgd door een prettig samengaan van toetsen en gitaar. Even zijn flarden Eloy te horen.

Nog een instrumentaaltje, Refugees, is opgedragen aan de oorlogskinderen van Syrië. De band weet een Oosters en onheilspellend sfeertje op te roepen en de kinderstemmen hebben hier wel een meerwaarde. Wat dan weer jammer is dat de gitaarsolo in de badkamer van de buurvrouw lijkt te zijn opgenomen. Je hoort ‘m amper, waardoor een groot deel van het effect van zo’n solo verdwijnt. Dat is toch een manco op deze cd. Te vaak staan instrumenten veel te zacht afgesteld in de mix, een piano die nauwelijks hoorbaar is, een synthesizer vaag op de achtergrond, zelfs de gitaar ondergaat hetzelfde lot. Zonde is dat, de muziek had veel krachtiger en overtuigender kunnen klinken met een betere afstelling.




Los van deze minpuntjes levert Whitecave met “Times Of Trouble” een meer dan verdienstelijk debuut af. We horen  sfeervolle melodieuze rock van de overwegend rustige soort met een hoofdrol voor de gitaar en de toetsen in de rol van aangever. En er had dus nog wat meer in gezeten. Laten we dat bonusmateriaal dan maar voor het vervolg bewaren, want dat mag er wat mij betreft zeker komen.

Send this to a friend