De gemiddelde liefhebber en kenner van progressieve rock heeft ongetwijfeld gehoord van het internationale collectief The Samurai of Prog. Minder bekend, maar al ruim 25 jaar actief, is een vergelijkbaar gezelschap: Last Knight uit Spanje.
Last Knight is een internationaal progressief rockproject dat in 1997 is opgericht door de Spaanse componist, toetsenist en producer José Manuel Medina (ook bekend van Mandala Band). De groep opereert niet als een traditionele band, maar als een online collectief waarin inmiddels meer dan dertig muzikanten uit landen zoals Spanje, Engeland, Duitsland, Argentinië en Australië via internet samenwerken. Hun stijl is een mix van symfonische rock, elektronische muziek, folk en filmische soundscapes.
Het project begon in 1997 met het doel om voornamelijk instrumentale muziek te schrijven. In de vroege jaren experimenteerde Medina veel met repetitieve synthesizerpatronen en elektronische invloeden, geïnspireerd door pioniers als Jean-Michel Jarre en Vangelis. Na verloop van tijd verschoof de focus meer richting progressieve rock in de stijl van Pink Floyd en Camel.
“The Lords of Wisdom” is het meest ambitieuze project van de band tot nu toe. Het is opgezet als een conceptueel epos van zes cd’s met totaal 100 nummers. Het eerste hier besproken deel (een enkele cd met een speelduur van 71 minuten) heeft als titel “The Lords of Wisdom 1 – Episode 1 Reconquista Asturias”, en gaat over de geschiedenis van het middeleeuwse Iberische schiereiland.
Het album telt vijftien nummers, waarvan acht volledig instrumentaal. Over het algemeen is de teneur bombastisch met tal van (klassieke) orkestraties, gespeeld door het Somnus Symphony Orchestra. Daarnaast komt koorzang voorbij en hoor je regelmatig Spaans en Keltisch georiënteerde folkrock. Je hoort het allemaal in het instrumentale openingsnummer The Grand Overture, met recht een ouverture die uit tien delen bestaat en daardoor soms wat fragmentarisch overkomt. In The Middle Ages is het eerste van zeven nummers waarop wordt gezongen, in dit geval door Mariano Gardella. De sfeer en het geluid zijn een mengeling van Alan Parsons Project en Jeff Wayne’s War of the Worlds. Invloeden van (Spaanse) volksmuziek hoor je in het instrumentale The Kingdom of Asturias.
Een van de vier vocale gasten is Marc Atkinson (Riversea, Moon Halo). Met zijn zeer herkenbare stemgeluid en fraaie zang is zijn bijdrage op A War of Eight Centuries helaas veel te kort. Rafael Pacha (bekend van zijn samenwerking met leden van The Samurai of Prog en The Guildmaster) laat zijn niet misselijke kunsten op akoestische klassieke gitaar horen op Cordoba. War, met zang van Deibya Artigas, valt vanwege de hardrocksfeer licht uit de toon.
Het album kent twee epics die de speelduur van tien minuten ruim overstijgen. Het eerste daarvan is The Kingdom of Leon, met een krappe veertien minuten. Het is volledig instrumentaal, met wederom invloeden van Alan Parsons en Jeff Wayne, waar ook klassieke, Keltische en moderne invloeden door elkaar zijn vervlochten. De lange speelduur biedt ruimte voor tal van toetsensolo’s door Medina. Daarnaast hoor je een van de spaarzame gitaarsolo’s van Nelson Pombal. Op het korte Flames Would Rise horen we Gardella, wiens stem hier sterk doet denken aan Patrik Lundsytröm (Kaipa, Ritual).
Met ruim zestien minuten is The Kingdom of Asturias het langste nummer van het album. Het is een ‘klassieke’ progrocker met een overvloed aan variatie, organische overgangen en wisselende sferen. Kortom, alles wat Last Knight te bieden heeft. Slotnummer Hymn for Asturias mag niet onvermeld blijven, alleen al vanwege de prachtige bijdrage van Troy Donockley op Keltische instrumenten. Een waardig slot van een mijns inziens fraai album.
Dit album kwam tot stand met de nodige hindernissen, nadat een studio-ongeluk een groot deel van de originele opnames vernietigde. Daardoor moest alles opnieuw ingespeeld worden. Het mag de pret niet drukken, want het resultaat mag er zijn.
Last Knight is in haar bestaan niet bijster productief. Dat alles onder het credo ‘kwaliteit gaat boven kwantiteit’. Deze eerste van een aankomende serie uitgaven laat dat horen. Ik zie met grote interesse uit naar dat vervolg.
Na het aardige Elixir heeft Jasmeno-toetsenist Slavomir Nietupski zes uitgebreide nummers, met een totale speelduur van bijna vijftig minuten, uitgewerkt voor het nieuwste album “Assemblage of Cinematic Idioms”. Deze zijn ingespeeld door een bijna volledig nieuwe line-up; alleen Marek Depa is als een van de vele gastgitaristen nog overgebleven.
Het album bestaat ditmaal voornamelijk uit uptempo progmetalnummers met enkele stijlwisselingen. Het start met een drie minuten durende orkestrale uitwerking van enkele thema’s, die meer als een musical dan een ouverture overkomt. Daarna gaat direct de beuk erin en zoekt het album zijn weg in voornamelijk uptempo metal met zalige gitaarsolo’s in verschillende technieken die de prog in zich meebrengt. Gegoten in dit stevig fundament ontvouwt zich af en toe een bombastisch orkestraal weefsel. Liefhebbers van de sound van Pink Floyd, Jean Michel Jarre en Depeche Mode op het vorige album moeten we dus waarschuwen dan wel teleurstellen.
De vele uitgenodigde artiesten zorgen op dit album namelijk voor een rijke klankexpressie, waar Ayreon als referentiekader meer van toepassing is. De diversiteit en mix van gasten geeft het geheel diepte en een onderscheidend karakter, ieder met zijn eigen taal van emotie en verfijnde ervaringen. Met name de Oost-Europese tekstgedeelten geven het een duister en dreigend accent, dat fraai contrasteert met de Engelse zangstukken.
De stevige composities kennen een bewust ontworpen geluidsarchitectuur waarin elk detail zijn plaats en doelbewuste betekenis heeft. “Assemblage of Cinematic Idioms” is namelijk geïnspireerd op de creatieve en praktische aanpak van de onconventionele beeldend kunstenaar Wladyslaw Hasior. Hij construeert uit meerdere lagen collages als fragmenten van de werkelijkheid. De albumtitel is daarmee geen toeval. ‘Assemblage’ verwijst naar de methode om een geheel op te bouwen uit fragmenten, wat op dit album de persoonlijkheden van de gastmuzikanten en vocalisten impliceert. ‘Cinematische idiomen’ duiden op het verhalende, beeldende karakter van de composities, die zich ontvouwen als scènes uit een niet-bestaande film vol spanning, contrasten en emotionele hoogtepunten.
Eerdere releases bevestigden Nietupski’s opvatting van muziek als een proces van voortdurende transformatie en vorm. Hij creëert ditmaal een stevig progmetalalbum dat gecomponeerd is rond een virtueel symfonieorkest, met de duidelijke toelichting dat dit album niet is gemaakt met behulp van AI-software. We moeten deze bewuste stellingname voor waarheid aannemen. En dat wil ik wel geloven, want het pompeuze His Rebirth eindigt bijvoorbeeld heel contrasterend met een prachtige flamencogitaarsolo door Jakub Wagner in de stijl van Paco de Lucia. Hulde voor wie dit kan componeren en spelen.
[Dit is de recensie van de heruitgave uit 2026. Scroll naar beneden voor de oorspronkelijke recensie uit 2011 van Markwin Meeuws]
Jethro Tull heeft het uit 1999 daterende studioalbum “J-Tull Dot Com” opnieuw uitgebracht onder de noemer “J-Tull Dot Com: Another Cast of the Net”. Blijkbaar had duizendpoot Steven Wilson, verantwoordelijk voor het remixen van de bulk van Tulls uitgebreide catalogus, geen tijd. Ditmaal werd de hulp ingeroepen van Bruce Soord (The Pineapple Thief). Die zorgt voor een remix in stereo, surround sound, plus Dolby Atmos.
Het album is verkrijgbaar als een gelimiteerde 3 CD + Blu-ray set met de originele mixen op CD1, de 2026 remixen op CD2, en een derde schijf met bonusmateriaal, waaronder zes onuitgebrachte studiotracks en drie live-opnames van de tournee van de band in 2000. De Blu-ray bevat Dolby Atmos, 5.1 Surround Sound en 24-bits stereomixen van het studioalbum, evenals 24-bits stereomixen van het bonusmateriaal (exclusief live-tracks). Het pakket wordt compleet gemaakt met uitgebreide liner notes van Martin Webb en archieffotomateriaal van 36 pagina’s. Vooral die teksten zijn zeer informatief en onderhoudend. Daarnaast geven ze een goed inzicht in het ontstaan van het album en in de psyche van de componist/artiest.
Vooral de drie openingsnummers Spiral, Dot Com, AWOL, maar ook Hunt by Numbers en El Niño profiteren van het werk van Soord. Het klinkt allemaal een stuk frisser dan op het origineel. Maar mijn interesse gaat met name uit naar het materiaal dat nog niet eerder is uitgebracht en het live gespeelde werk.
Een ultrakort instrumentaal nummer, Aborted Soliloquy, en een net zo korte akoestische versie van titelnummer Dot Com Acoustic zijn de openers van CD3. De muziek op It All Trickles Down, Pipes (Close To You) en Stigmata ligt overduidelijk in het verlengde van het aanbod op “Dot Com”, maar ik snap dat ze de ‘cut’ niet gehaald hebben: het blijft allemaal net te weinig hangen. Het instrumentale Recollection No 5 blijft knap overeind, mede door prima Hammondspel van Andrew Giddings. Ook het vrolijke folky Sad Suit kan me goed bekoren. The Secret Language of Birds, hier in een geremixte versie, kennen we al van het gelijknamige soloalbum van Ian Anderson uit 2000. Drie van de beste nummers van het studioalbum, Hunt by Numbers, Dot Com en AWOL, zijn live opgenomen tijdens een concert in het Poolse Katowice in 2000. Ze laten Tull in hun element horen. Het klinkt live allemaal net iets rauwer, vooral in deze uitstekende bezetting.
Of het allemaal de investering waard is, weet ik niet; vooral voor de echte Tull-fan zit er waarde in de opfrissing van het oude album, de niet eerder uitgebrachte nummers plus live werk, en het prachtige boekwerkje met foto’s en vooral veel extra informatie.
CD
LP
[Oorspronkelijke recensie uit 2011]
Bedoeld om de website van Jethro Tull de promoten, kon de buitengewoon tijdsgebonden titel “J-Tull Dot Com” niet slechter worden gekozen. Maar ja, wie had in 1999 kunnen bevroeden dat we anno nu Google zouden hebben? Het bleek ook nog eens het laatste studiofeit van de band te zijn (kerstplaten tel ik uit overtuiging niet mee), dus waarom ‘modern’ doen als je toch alleen maar promotie maakt voor je rijke verleden?
“J-Tull Dot Com” was in 1999 in elk geval een teleurstelling na het voortreffelijke “Roots To Branches”, vier jaar daarvoor, een onderschat, maar door Tull-fans gelukkig niet ongewaardeerde plaat die liet horen dat Ian Anderson aan scherpheid niets had afgedaan. De verwachtingen voor deze plaat waren daarom op zijn minst eager, hoewel de jaren ’80 en ’90 wat Tull-begippen betreft een tijd al een kwestie van vallen en opstaan is geweest.
Maar is deze laatste plaat van Jethro Tull echt zo vreselijk? Nou, dat ook weer niet. De dertien songs zijn hooguit van het kaliber ‘gaat-er-mee-door’, en op zijn best van het niveau van “Night Caps”, die geinige verzamelaar van leftovers uit 1995, waarvan velen ook de laatste jaren te vinden waren op de lawine van remasters die de fan overviel. Het lijkt – met andere woorden – dus wel een verzameling bonustracks, wat ook kan liggen aan het feit dat de cd bomvol nummers staat.
Helaas zijn de dieptepunten er ook, zoals het vreselijke Hot Mango Flush, dat in de vorm van Mango Surprise nog een reprise krijgt ook. Ik kan persoonlijk ook niet veel met de opener Spiral, die me te veel een kijk-ons-eens-swingen sfeertje heeft. Ik kan nog minder met Anderson’s hondenliefde op The Dog-Ear Years. Sowieso, zoals ik al zei, er staan teveel liedjes op deze plaat. Naar het einde toe neemt niet alleen de kwaliteit af, Anderson maakt ook nog eens reclame voor zijn (toen nog komende) soloplaat. Hinderlijk dat ze dat bij deze heruitgave niet hebben weggepoetst.
Maar ach, Dot Com, hoe tijdsgebonden ook, is best een leuk liedje, en hetzelfde geldt voor het aangename Wicked Windows. Het enige echt sterke nummer vind ik zelf Hunt By Numbers, dat weliswaar stoelt op weinig thematisch materiaal, maar het boeverige karakter kent van Occasional Demons van “Catfish Rising” en Kissing Willie van “Rock Island”, twee Tull-nummers die ik vanwege de grappige en stoute teksten erg kan waarderen. Dat masculiene en semi-seksistische van Anderson had hij in latere jaren wel nog wat meer mogen uiten.
Als de plaat vordert neemt niet alleen de kwaliteit af, maar ook de aandacht van de luisteraar verslapt. We veren nog één keer op bij El Nino, dat zich kenmerkt door een sterke riff van de altijd subliem spelende Martin Barre, en ook nog bij Bends Like A Willow, dat gewoon een goed liedje is. Het met een accordeon opgesierde afsluiter A Gift Of Roses is nog redelijk te doen, daarom is de ‘reclame’ van Anderson na dit nummer zo ontzettend jammer.
De conclusie wat betreft “Dot Com”, zoals de plaat in de volksmond heet, is dat het een teleurstellende, uitgebluste plaat betreft, met slechts een paar lichtpuntjes. De plaat heeft voor de verstokte fans wellicht wat te bieden, maar de rest adviseer ik andere platen uit Tull’s zeer rijke discografie te exploreren.
Markwin Meeuws
Tim Morse (geen familie van, en muzikaal ditmaal al helemaal niet) speelde, zong en componeerde op zijn eerdere albums in de oude progstijl van Yes, Genesis en Rush van de jaren zeventig. Op zijn nieuwste album “The Fourth Crossing” blijft hij opnieuw hangen in de jaren zeventig, maar nu alleen met de obligate synthysizersound en thematiek van vooral Kitaro. Af en toe komt zijn Yes-verleden even bovendrijven, wanneer hij als Rick Wakeman de Minimoog inzet bij een melodielijn die tussen allerlei sfeergeluiden prima zou passen in space- en landschapsbeelden.
Een droom kwam voor Tim uit toen hij op een fantastische middag in het Vintage Synthesizer Museum in Los Angeles op oude analoge synthesizers mocht spelen en zo belangrijke retro geluidsdelen voor dit album kon opnemen. Want sinds zijn zestiende, nadat hij genoeg geld had gespaard voor de aankoop van een eigen Minimoog, had hij al een fascinatie voor dit keyboard en startte hij met een paar gitaren zijn eerste opname op een bandrecorder.
Op “The Fourth Crossing” staan enkele bijgewerkte versies van de muziek die hij toenderijd heeft gemaakt. De andere instrumentale muziekstukken zijn uit improvisatie in zijn thuisstudio ontstaan. De inspiratie kwam door de keyboardgeluiden vanuit ambiance, melodie, harmonie en klanktexturen, waardoor er een verzameling muzikale vignetten onstond. En dat is exact wat we horen op dit album.
Waar af en toe de patronen van Tangerine Dream uit het Edgar Froese-tijdperk ergens worden aangehaald, verwijst Space Station Lounge duidelijk naar Brian Eno. En terwijl Submerged zo op het ambient album “Antartica” van Vangelis had kunnen staan, wordt in Zypher Jean Michel Jarre ongegeneerd nagebootst, zodat je even naar zuurstof moet happen om bij te komen.
Niet alles is even fraai uitgewerkt. De naam Structure doet het nummer geen eer, omdat de outro vreemd wegvalt. Het jazzy Confusion in Aisle 14 start als een dissonant, maar glijdt gelukkig vertrouwd terug in het warme bad aan Moogklanken. Hoogtepuntje is voor mij The Celestial Cathedral, waar alle registers van een imposant digitaal kerkorgel opengetrokken worden.
Ergens tussendoor wordt er wat verdwaalde slidegitaar gespeeld. De enige zanglijnen van ene Ema op het titelnummer zijn eigenlijk meer gesproken woorden. Daarmee is voor mij “The Fourth Crossing” een leuk intermezzo. Het is best interessant voor de toetsenfanatici onder ons om oude synthklanken te ontrafelen. Naar mijn mening ligt de kracht van Tim Morse meer bij het allround werk, dus met inzet van allerlei snaarinstrumenten en zangstukken. Goed nieuws: hij werkt inmiddels aan een nieuw album dat hij in 2027 wil uitbrengen, gekoppeld aan een eenmalig concert met speciale gasten in de zomer van 2027.
Jullie kennen je pappenheimers bij Progwereld al wat langer; vandaar dat het niet onlogisch is dat deze band geïntroduceerd wordt door uw vaste recensent van de zware muziek. Als je van bands als Draconian, Swallow the Sun, My Dying Bride, The Gathering of het vroege Anathema houdt, is Evig Natt een band die je zeker eens moet checken. De formatie bestaat al ruim twintig jaar. Desondanks hebben ze slechts vier studioalbums uitgebracht.
De band is afkomstig uit Noorwegen en is opgericht door het duo Kirsten Jørgensen en Stein Roger Sund. De overige bandleden zijn gedurende het ruim twintigjarig bestaan regelmatig aan- en afgehaakt. Met het opnoemen van die namen zullen we je dan ook niet al te veel vermoeien. Het debuut “I Am Silence” dateert uit 2007. Daarna kwamen er albums uit in 2010 en 2016. Vervolgens is er tien jaar lang niks uitgebracht, tot aan dit jaar 2026.
De band verloochent zijn afkomst niet: zowel zangeres Jørgensen als bassist en grunter Sund zingen naast in het Engels regelmatig in hun eigen Noorse taal. De muziek zelf is een mengeling van veel verschillende stijlen. Ze heeft overeenkomsten met doom en death metal, progressieve en symfonische metal, en een vleugje gothic. Melancholie speelt een grote rol in de muziek van Evig Natt.
De titel van deze cd, “Vaketimen”, betekent zoiets als de waaknacht of het uur van de wake. Het album is opgebouwd uit drie hoofdstukken: Schemering, Waaknacht, en Dageraad. Zoals veel bands binnen dit genre staan ook hier de thema’s verlies en dood centraal. De cd opent met Shimmer, een rustig en bijna ballade-achtig nummer. De orkestrale klanken en de subtiele piano zorgen voor een kalme, ingetogen sfeer. Dat blijft alleen niet zo.
Last of the Light slaat namelijk een heel andere toon aan. Zware doomriffs, krachtige drums en de heldere zang van Jørgensen in combinatie met de brute grunts van Sund maken veel indruk. Vooral het slot, waarin Sund ook zijn heldere zang laat horen, klinkt tragisch en aangrijpend.
Met Death is direct duidelijk welke kant het album op gaat: chaos, angst en tragiek. Jørgensen brengt met haar zang wanhoop en twijfel op indrukwekkende wijze over, terwijl Sund de chaos en dreiging versterkt met zijn grunts. De Gregoriaanse koorzang voegt daaraan een extra desoriënterende laag. Het nummer verbeeldt op overtuigende wijze het besef dat de dood onvermijdelijk is. Die wordt niet neergezet als iets wat je kunt ontlopen of overwinnen, maar als een onvermijdelijk onderdeel van het leven.
Når Lyset Svikte maakt vervolgens de meeste indruk als track op de cd. Het is een nummer waarin hoop doorschemert, hoewel je geen touw kunt vastknopen aan de tekst, tenzij je de Noorse taal machtig bent. Vooral de orkestrale elementen versterken de atmosfeer in het nummer, net als de zang van zangeres Jørgensen.
Gråtaslaget in het midden van het album is een fijn instrumentaal folkloristisch kunststukje. Er is niet terug te vinden in de credits of dit is ingespeeld door gastmuzikanten, dus we gaan er gemakshalve vanuit dat het gesampled is.
Na deze track sijpelt er steeds meer optimisme door in de tracks en gaat het tempo vaak omhoog. De cd sluit af met het mooie At the End of the Night. Het start met een piano en Jørgensen op zang als een typische ballade, maar gedurende de minuten die volgen hoor je een geweldige epische en orkestrale climax van het album.
De eerste kennismaking met deze band smaakt naar meer. En toch…hoewel de band prima muzikale composities aflevert, is er nog wel groei mogelijk op het gebied van het overbrengen van emotie en dramatiek. Pluspunten daarin zijn de contrasten binnen de zang; muzikaal komt het alleen nog niet helemaal uit de verf. Iets meer variatie en wat meer durf zouden welkom zijn. Wanneer dan spreekwoordelijk de puntjes op de i komen, zou dat de definitieve doorbraak naar de top binnen het genre opleveren. Daarvan ben ik overtuigd.
CD
Angellore is een Franse band die ik ontdekte via Spotify. Ondanks dat de streamingsmaatschappij qua royalties niet goed is voor de muzikanten, ben ik er persoonlijk vaak erg gelukkig mee. Waarom? Als je de site toelaat jouw profiel nieuwe bands te presenteren, kom je soms parels tegen waar je wellicht anders nooit mee in aanraking was gekomen. Koop je vervolgens de cd of lp via de band zelf, dan bereikt het alsnog zijn doel. Vanuit het oogpunt van de band dus mazzel, een gratis recensie. Vooruit, we maken eens een uitzondering.
Angellore is afkomstig uit Avignon en actief binnen het genre van atmosferische metal, gothic doom en death/doom. De band werd in 2007 opgericht door Rosarius en Walran, die elkaar via internet leerden kennen vanwege hun gezamenlijke liefde voor doommetal. In de eerste periode maakten ze een demo en twee ep’s. Later kwam drummer Ronnie erbij en groeide het project uit tot een volwaardige band.
Hun muziek staat bekend om een combinatie van zware, trage riffs gemixt met een melancholische, romantische sfeer. Ze gebruiken daarbij zowel cleane vocals als extreme/growlvocalen. Ook zijn er invloeden van folk en klassieke instrumentatie te vinden, waaronder de cello en een hobo. Tekstueel gaat het (vanzelfsprekend) veel over verlies, liefde, dood, verdriet, natuur en schoonheid. Met nog geen handvol albums in twintig jaar bewijst de band gedreven te worden door liefde voor muziek, en minder door de opbrengsten. De band treedt dan ook spaarzaam op; het is meer een studioband.
Er staan vijf lange nummers op de cd, variërend van acht tot aan dertien minuten. Elke song is raak. Bijzonder is ook de variatie binnen de songs, die van gevoelig tot weerbarstig gaan, maar alles wordt met schoonheid en respect voor de productie gebracht. Vooral de opbouw is bewonderingswaardig. Is het metal: ja. Heeft het overeenkomsten met postrock: ja. Zijn er veel akoestische passages te vinden: ja.
Forsaken Fairytale begint namelijk akoestisch en bijna lieflijk. Het intro wordt ingezet door een dwarsfluit, gevolgd door een akoestische gitaar, wat later ondersteund door een postrock gitaargeluid. De drums wisselen veel qua tempo, of vallen minutenlang stil, om vervolgens op indrukwekkende wijze terug te komen. Ook te vinden: een grootse pianoserenade en een authentiek kerkorgel. Plechtig, stijlvol, maar toch halverwege de track weer snoeihard, met meedogenloze grunts van Walran. De band sluit weer melancholisch af met een cello en kerkorgel. Indrukwekkend.
Opener Falling Birds laat gelijk weten wat je van deze band mag verwachten. Doommetal, een rustig en slepend ritme, melancholie, overlopend in een opbouwend middenstuk waarin grunts en piano het heft in handen nemen. Binnen de klassieke muziek is een nocturne een muziekstuk dat de nacht weergeeft, en dat vind je ook terug in deze track. Zangeres Lucia wiegt je met haar engelengeluid in slaap, zanger Walran grunt je in een nachtmerrie tegemoet. Veel piano, veel dwarsfluit en klarinet, een terechte knipoog naar de klassieke nocturne.
Black Sun River is dan bijna weer een vrolijk alternatief. Een vlot ritme met een aanstekelijke melodie en refrein. Hoe vaker je het luistert, hoe meer deze rock je systeem binnenkruipt. Opnieuw zorgt Lucia hier voor een optimistische en hemelse toon, inclusief een wervelende piano. De cleane zang van gitarist en toetsenist Rosarius doet wat denken aan Sisters of Mercy. Toch vind je ook hier weer screams en grunts, waardoor de band het stempel van black metal mag blijven handhaven.
Absoluut hoogtepunt is Martyrium. Met wellicht één van de meest impactvolle gitaarsolo’s van de laatste jaren. Hier komt vooral bovendrijven dat de band verschillende muziekstromingen en stemmingen tot uiting kan brengen. Een hemels koor dat je vanuit een gothische hal toezingt, een vlotte gitaarmelodie, dwarsfluit, blastbeats, verstilling en donkere zang. Vlak voor de tweede helft schakelt de band over naar heerlijke melancholie. Lucia zingt je warm en hartverwarmend toe, ondersteund door de genoemde gitaarsolo. Twaalf minuten hemelse pracht.
Naast de liefde voor progrock heb ik de afgelopen jaren het genre atmosferische en melodieuze metal ontdekt; de wakkere lezer had dit vast al ontdekt. Via die luisterkanalen op Spotify kwam dit voorstel dan ook op mijn pad, en vanaf de eerste tonen van dit album was ik verkocht. “Nocturnes” is een cd die mij niet heeft losgelaten de afgelopen maanden, en ik denk dat het ook nooit zal gebeuren. Met stip in mijn top dertig van beste cd’s ooit.
[Dit is de recensie van de heruitgave uit 2026; scroll naar onderen voor de oorspronkelijke recensie van Wouter Bessels uit 2009]
Zo ongeveer de complete catalogus van Gentle Giant is de afgelopen jaren onder handen genomen door een keur aan specialisten, onder wie Steven Wilson. Alles is keurig afgestoft, opnieuw gemastered en gemixed, vaak onder toevoeging van wat bonusmateriaal. Eén album was echter tot op heden de dans ontsprongen: “In a Glass House” uit 1973 kwam helaas (nog) niet in aanmerking voor zo’n speciale ‘wasbeurt’. En wel om een heel simpele reden: de originele meersporenmastertapes waren onvindbaar, en dat zijn ze tot op de dag van vandaag. Dan wordt het lastig om restauratiewerkzaamheden uit te voeren.
Totdat op een zekere dag bandleider/componist/zanger Derek Shulman in gesprek raakte met de gerenommeerde Braziliaanse opnametechnicus en producent Eber Pinheiro. Shulman gaf het dilemma aan: de noodzaak om iets te doen zonder het onderliggende materiaal. Grammy Award-winnaar Pinheiro vond dat geen probleem, hij had namelijk al enige ervaring met dit soort uitdagingen. De oplossing bestond uit speciale AI-software die in staat is om de originele instrumenten ‘los te maken’ van hun omgevingsgeluid, ofwel op elektronische wijze de zo gewenste individuele sporen te kunnen bevrijden uit hun knellende omstrengeling.
Dat lijkt op tovenarij en dat is het ook, tot op zekere hoogte. Iedereen blij, want hoewel “In a Glass House” behoort tot de favoriete albums van een groot deel van de Giant-aanhang, was de geluidskwaliteit van het ruim vijftig jaar oude album bij lange na niet zo goed als de muzikanten hadden gewild. Dat kwam door allerlei achtergronden, variërend van het vertrek van oudere broer Phil Shulman, waardoor het sextet tot kwintet werd gereduceerd. Maar ook door (opname)technische problemen en een donkere periode in het bestaan van de groep. Dat reflecteerde in de opnames die als het ware met een deken waren omhuld, donker en weggemoffeld.
Hoe anders is de muziek na de speciale behandeling door Pinheiro in samenwerking met Shulman, die zich persoonlijk inzette om dit voor hem niet zo favoriete album de glans te geven die het verdiende.
Bij eerste beluistering valt direct de hervonden helderheid op: alles klinkt kristalhelder. Het lijkt wel alsof er sprake is van een soort van auditieve 3D, ik kan het niet anders onder woorden brengen. Luister maar eens naar het intrigerende Way of Life, wat zelfs wat weg heeft van King Crimson. Vooral de drums hebben geprofiteerd van de AI-aanpak. Ze klinken meer prominent, net als de basgitaar van Ray Shulman. Ook de zangpartijen van Kerry Minnear op Experience komen nu veel beter uit de verf. Of de vioolharmoniëen tijdens A Reunion, heerlijk. De complexiteit van het titelnummer is ongekend. Het album laat vooral horen hoe briljant de groep was in zowel compositie als uitvoering.
Ik heb op deze pagina’s al eens mijn twijfels (en ongenoegen) uitgesproken over het gebruik van Artificial Intelligence. Maar als het op deze wijze wordt gebruikt, om het geluid te verbeteren, dan kan ik geen bezwaar hebben. Dan ligt het in het verlengde van het gebruik van computerbestanden in plaats van analoge banden, of het toepassen van professionele software als Pro Tools bij de opname. Alles voor het beste resultaat.
En dat resultaat is zo goed dat Shulmans mening over het album 180 graden gedraaid is; desgevraagd geeft hij aan dat het nu tot zijn favoriete albums behoort. Eindelijk gerechtigheid.
[Oorspronkelijke recensie]
Nadat Gentle Giant – geloof het of niet – tijdens een tournee in 1972 als voorprogramma van Black Sabbath had gespeeld, breekt voor de groep een onzekere tijd aan. Na een conflict met de overige bandleden en in het bijzonder met zijn broers Ray en Derek verlaat Philip Shulman de groep wegens persoonlijke omstandigheden. Ook zit de band in Amerika zonder platencontract, terwijl zij daar juist behoorlijk voet aan de grond kregen met voorganger “Octopus”. Zo kan het gebeuren dat “In A Glass House” in september 1973 alleen in de Europa verschijnt.
Mensen die in glazen huizen wonen, moeten geen stenen gooien. Dat is in één zin het concept van deze plaat, die opent met – hoe ironisch – brekend glas dat middels een tapeloop in een geweldige climax ontaardt en de band met The Runaway een sterke openingstrack neerzet. Wat direct ‘in het oor springt’ is de herkenbaarheid. Onmiskenbaar Gentle Giant, direct vanaf de eerste maat van het nummer. Onder leiding van Derek Shulman, die op dit album het vertrek van Phil meer dan uitstekend opvangt, worden verschillende maatsoorten verkend en lopen diverse melodielijnen door elkaar heen. De zang van Shulman komt geweldig uit de verf: krachtig als in The Runaway, falsetto in het opvolgende An Inmates Lullaby en meeslepend in Way Of Life en het titelstuk. Minstens zo gedreven laten de andere vier muzikanten horen waartoe zij in staat zijn en dat is niet mis. De unieke combinatie van onder meer een klassiek geschoolde toetsenist (Minnear), een gitarist met een blues-achtergrond (Green) en een kort daarvoor tot de band toegetreden rockdrummer (Weathers), leidt tot een ongekend geluid binnen de Engelse progressieve rock van de jaren zeventig. Mede dankzij Weathers is “In A Glass House” de meest rockgeoriënteerde plaat van de formatie: zijn puntige drumwerk zorgt met het vloeiende basspel van Ray Shulman voor de drijvende kracht van Way Of Life, één van de hoogtepunten van het album. Luister naar de verrassende breaks die eerst hetzelfde klinken, maar toch subtiel van elkaar verschillen. En dan de Mini Moog van Kerry Minnear: gespeeld zoals alleen hij kan, op een bijna jazzy manier. Onderwijl laat hij ook nog korte pianoriedeltjes los tussen de coupletten. Grote klasse en tekenend voor de originaliteit van de groep. Ook Experience en A Reunion bieden een aaneenschakeling van sferen en klassieke vormen, die op het conto van Minnear kunnen worden geschreven. Tenslotte introduceren de akoestische gitaren van Green en Ray Shulman het titelnummer, dat qua thematiek teruggrijpt op The Runaway en Experience. Eerlijk gezegd geen afsluiter waar je u tegen zegt, vergeleken bij het voorgaande en de luisteraar achterlaat met een gevoel alsof er nog een stuk komt. Dat gebeurt niet, maar het hindert natuurlijk niet om het album nog een keer te draaien. De verrassing is elke keer weer groot: de ‘kamermuziek’-achtige productie, het spelplezier en het hoogstaande muzikale niveau zorgen ervoor dat In “A Glass House” zich grotendeels kan meten met de andere twee hoogtepunten van de groep, “Three Friends” en “The Power And The Glory”. Het duurde tot 2000 toen “In A Glass House” pas een kwalitatief goede cd-uitgave kreeg, op het eigen Alucard-label, in een originele replica van de hoes en geflankeerd door twee prachtige live-versies van The Runaway/Experience en het titelstuk. Deze versie is dan ook de meest definitieve, in tegenstelling tot de meeste recente op het label van Derek Shulman die geen gebruik maakt van het originele hoesontwerp en maar één bonus (live)track heeft.
Bij sommige bands is het vaak moeilijk kiezen met welk album de gehele discografie kan worden verkend. In het geval van Gentle Giant is “In A Glass House” een uitstekend startpunt; een plaat die zowel toegankelijk als avontuurlijk kan worden genoemd en die talloze muzikanten uit de progressieve rock en de jazzrock sterk heeft beïnvloed. Maar bovenal is het één van de minder bekende pareltjes die in het monumentale jaar 1973 verscheen.
Wouter Bessels
Kortgeleden kwamen er twee ‘nieuwe’ albums van Pink Floyd uit: een door Steven Wilson geremixte set onder de titel “8-Tracks” en een door diezelfde duizendpoot bewerkt live-album getiteld “Live from the Los Angeles Sports Arena, April 26th, 1975”. Eerlijkheidshalve: het hier besproken live-album komt ook al voor op de vorig jaar uitgebrachte verzamelaar “Wish You Were Here 50”. Ze maken allemaal onderdeel uit van een zondvloed aan (her)uitgaven die probeert het laatste restje uit de grote catalogus van de legendarische band te persen en en passant ons van wat losgeld te beroven. Maar dat live-album is een bijzonderheid, om meerdere redenen.
Allereerst om de bron van de opname: een onvervalste zogenaamde bootleg, een illegale opname gemaakt tijdens een van de talrijke optredens van de Floyd. Door een beroemde/beruchte bootlegger, Mike ‘the Mic’ Millard. Hij is in zijn eentje verantwoordelijk voor honderden illegale opnames, vaak van behoorlijk goede kwaliteit. Dat deed hij bijvoorbeeld door zich voor te doen als mindervalide en de apparatuur te verstoppen in zijn rolstoel. De goede man is inmiddels overleden, maar de opname was blijkbaar goed genoeg om als basis te fungeren voor een officiële uitgave van de band. Maar er is meer aan de hand.
De band was op het toppunt van zijn kunnen, had twee jaar daarvoor het iconische “The Dark Side of the Moon” (TDSOTM) uitgebracht en was doende met de opnames voor een opvolger. Het management besloot om medio 1975 een aantal optredens te organiseren, waarmee het enorme succes van Pink Floyd kon worden verzilverd. Maar ten tijde van de vijf shows in april in Los Angeles was opvolger “Wish You Were Here” nog helemaal niet uitgebracht, dat zou pas in september van dat jaar gebeuren. Dat liet onverlet dat Waters/Gilmour cum suis een groot deel ervan toch al live zouden spelen. En dan is er nog een bijzonder aspect aan “Live from the Los Angeles Sports Arena, April 26th, 1975”. Er werden stukken gespeeld van een pas ruim twee jaar (!) later uit te brengen album (“Animals”). Weliswaar in embryonale vorm, maar toch al duidelijk herkenbaar.
Nou was dat laatste geen onbekend fenomeen voor met name Pink Floyd: veel stukken kwamen al spelend/improviserend tot stand en werden op het podium van ruwe diamantjes tot flonkerende juwelen geslepen. Maar bijzonder blijft het: een optreden dat voor ruim de helft bestaat uit nog onuitgebracht materiaal. De volledige eerste schijf wordt aldus gevuld met werk van “Animals” en “Wish You Were Here”, schijf twee bevat een integrale weergave van “The Dark Side of the Moon” plus Echoes van “Meddle” (1971).
CD1 van het nieuwe album start met Raving and Drooling, een vroege versie van wat uiteindelijk als Sheep op “Animals” terecht zou komen. De teksten zijn nog compleet anders, maar het raamwerk van het nummer is duidelijk herkenbaar. Wat nog ontbreekt is het iconische intro met de Fender Rhodes-piano van Rick Wright. You’ve Got to Be Crazy betreft de oerversie van Dogs. Die is al een stuk verder ontwikkeld dan het eerste nummer. Ook de teksten zijn al veel meer in lijn met de uiteindelijke versie. Beide nummers werden indertijd ook nog overwogen voor “Wish You Were Here”. Wat vooral opvalt is de meer prominente plek die de toetsen van Wright innemen, veel meer op de voorgrond dan op de plaat zou terechtkomen. Waters kondigt You’ve Got to Be Crazy af met de zin ‘wreed maar eerlijk’.
De bassist introduceert Shine On You Crazy Diamond met een verwijzing naar Syd Barrett. Het is al bijna de definitieve versie zoals later dat jaar op het studioalbum zou verschijnen. Gek genoeg zonder de kenmerkende saxofoon solo, terwijl Dick Parry wel aanwezig was (Money). Have A Cigar is volledig wat later zou worden opgenomen en gaat op enigszins vervreemdende wijze over in deel 2 van Shine On. Na een uur kondigt Waters een pauze aan en haalt nog even verbaal uit naar de ‘gele shirts’ (de ordebewakers?) die onrustig proberen de meute in toom te houden.
Na de pauze (CD2) volgt een natuurgetrouwe weergave van het succesalbum TDSOTM met vrouwelijke achtergrondzang (Venetta Fields en Carlena Williams, geen Clare Torry) en de helaas recent overleden Dick Parry op sax tijdens Money en Us and Them. Ook de jazzy piano-improvisatie tijdens Great Gig in the Sky is bijzonder. Het album eindigt met een ruim 22 minuten durende puntgave versie van Echoes.
Het geluid is uitzonderlijk voor een bootleg. De bas is misschien wat hard in de mix, en drums en soms ook zang daarentegen wat zacht. Wrights toetsenpartijen zijn bovengemiddeld goed te horen. Natuurlijk mag de rol van de alomtegenwoordige Steven Wilson niet onvermeld blijven. Hij nam de taak op zich om Millards opnames zorgvuldig te restaureren en remasteren, met als resultaat een uiterst genietbaar live-album met een totale speelduur van twee uur en een kwartier. Sony Music brengt het album nu voor de eerste keer uit op zowel vier elpees (special voor de recente Record Store Day) als op dubbel-cd. Met name interessant voor de echte Floydfans.
CD
LP
De band Tu-Ner komt eigenlijk uit de koker van King Crimson eind jaren negentig (Gunn en Mastelotto) en Stick Men (Reuter en Mastelotto). De muziek op het nieuwe album “Rendezvous Rodeo” klinkt dan ook allesbehalve country & western. Dat zou ook hoogst opmerkelijk zijn gezien hun avantgardistische verleden. Je zou het hooguit kunnen zien als een ontmoeting waarin de heren terugkeren naar bekend muzikaal territorium: King Crimson en een aantal van de spinoffs. Het album is live opgenomen in de Stone Church in Brattleboro (Vermont, Verenigde Staten) op 15 augustus 2025. Je hoort het publiek echter slechts af en toe en dan ook nog heel ver weg. Mede daardoor klinkt de muziek lekker vooraan in je speakers.
Als luisteraar krijg je een mix voorgeschoteld van King Crimson, Stick Men en nieuwe composities die het trio onder de vlag van Tu-Ner heeft geschreven. Ook worden er nog composities van Gunn en Reuter gespeeld.
Opmerkelijke afsluiter van dit album is Level 5 van King Crimson dat hier een knallende uitvoering krijgt, waarin vooral Reuter en Mastelotto de show stelen. De andere twee King Crimson-tracks, Larks’ Tongues in Aspic en The ConstruKCtion of Light (compleet met kraaiende haan) klinken eveneens zeer krachtig, maar ook meer open dan het origineel. Door de triobezetting komt er meer ruimte in het klankbeeld. Over het algemeen is het gitaargeluid van Reuter rauwer dan in het origineel. Soms hoor je keyboardachtige geluiden waarvan de herkomst onduidelijk is.
Cusp van Stick Men zou zonder problemen aan de King Crimson-catalogus kunnen worden toegevoegd, al hebben de ‘melodie’ en het gitaargeluid van Reuter in dit nummer wel iets komisch. Ook Kuma, een nummer van Trey Gunn, zou probleemloos in het King Crimson-repertoire passen, maar nu van de jaren tachtig. In plaats van de iconische drums van Bill Bruford vult Mastelotto het nu schitterend in met de tabla.
De Tu-Ner-versie van Firepower, ontsproten aan een samenwerking tussen Fripp en David Sylvian in 1993, bevat alleen de tweede instrumentale helft met de gitaarimprovisatie van Fripp; vandaar de toevoeging ‘coda’ in de titel. Reuter doet hier een heel authentieke Fripp-imitatie, die soms zelfs aan de lange solo van The Sheltering Sky doet denken.
De drie tracks die de heren met zijn drieën hebben ‘geschreven’, Hogtied and Slightly Slack, The Mechanical Bride Wore Static en Paper Halo Rodeo, hebben een sterk improvisatorisch karakter, wat aan dit trio wel is toevertrouwd. Voor de liefhebber van avantgardistische en geïmproviseerde muziek is dit zeker smullen. Vooral Mastelotto is een meester in deze tak van sport.
Voor wie zoekt naar een ingenieus opgebouwd stuk muziek of een couplet, een heerlijk refrein, een brug en een virtuoze solo komt zeer zeker bedrogen uit. Al denk ik dat deze mensen bij het lezen van de namen van de leden van Tu-Ner al snel verder zoeken.
Paper Halo Rodeo gaat naadloos over in Unconditional, een prachtige solo-track van Reuter met opnieuw fraai ingetogen percussiewerk van Mastelotto.
Waar collega Erik Groeneweg zich bij zijn bespreking van het debuutalbum van Tu-Ner al terecht afvroeg waar dit soort muziek eigenlijk heen gaat, kunnen we ons die vraag bij een gedeelte van dit album eveneens stellen. Gelukkig heeft het trio er bij deze release voor gekozen een aantal herkenbare ‘tunes’ uit hun gemeenschappelijke verleden (King Crimson) op de setlist te plaatsen. Anders was de titel van het album volkomen misleidend geweest.
Met “A Dark Poem, Part III: The Messiah Complex” bereikt het Noorse Green Carnation het laatste hoofdstuk van zijn progressieve saga die, geïnspireerd door Arthur Rimbauds ode aan Shakespeares tragische Ophelia, teruggaat tot de vroegste reflecties over leven en dood. De eerste twee delen beschreven al een afdaling door melancholie en rauwe intimiteit, waar de collectieve angst voor oprukkende technologie, machtsbeluste leiders en sociale verdeeldheid broeide. Dit derde deel richt die duisternis naar buiten; naar technologie, macht, drang naar geloof, en de collectieve breuken die daar doorheen lopen.
Green Carnation laat wederom zien en horen dat beheersing het sleutelwoord is in zijn woorden en muziek. Het is heel knap dat je een nummer als Unconditional Artificial Chemistry tekstueel verwerkt in je zanglijnen en ook nog eens netjes en melodisch laat lopen. Met recht een Messiascomplex dus, naast alle menselijk leed en somberheid.
En waar Green Carnation in de eerste twee delen vooral metal, rock en folk liet horen, refereert deel drie aan de riffs van Pain of Salvation, het spookachtige van Opeth, en – met name in het titelnummer- het stevigere doch toegankelijk neo-progressieve werk van Galahad. De conclusie van dit alles vertaalt zich in het beste nummer van dit album, Broken Souls, Common Enemies naar een kloof die zo diep is dat hij bijna onoverbrugbaar lijkt. Want volgens onze Noorse vrienden rechtvaardigen we alleen onze slechte gewoonten om te krijgen wat we willen; of het nu religie, geld of de media is. De afsluitende gitaarsolo is daarbij zonder twijfel de climax van de trilogie, en dat doet me deugd. Alleen is met 22 minuten aan progmetalmuziek voor liefhebbers hierna op dit album de koek wel op.
Wat nog rest is namelijk een ruim kwartier durend klassiek werk, uitgevoerd door het Kristiansand Symphony Orchestra en Opera Choir, met speciale aandacht voor fluitiste Ingrid Ose die ook al op voorgaande albums te horen was. De titel Orchestral Suite dekt de lading, al hoor ik er geen suite in, maar meer een symfonie in de stijl van klassiek componist Gustav Mahler. Het is geen zwaar over de top georkestreerde partij of opera-achtige bombast. Hier worden thema’s uit de hele trilogie verweven met luchtige melodielijnen en accenten door hout-, riet-, en koperblazers die de natuurgeluiden uitdrukken, tegenover duister strijkwerk en paukenslagen. Deze interpretatie is heel fraai uitgewerkt, al zul je een pure symfonische fan moeten zijn om deze bijzondere klassieke afsluiter uit te zitten.
“Part III: The Messiah Complex” wordt door de band als een conclusie van het drieluik onder de verzamelnaam A Dark Poem gezien. Zelf sluit ik het ook af, waarin ik met name deel twee als album in zijn geheel als hoogtepunt ervaar. Ik zie uit naar nieuw thematisch werk van deze Noren.