Banco Del Mutuo Soccorso – Orlando: Le Forme Dell’Amore

Banco Del Mutuo Soccorso, kortweg Banco, wordt in een adem genoemd met Le Orme en Premiata Forneria Marconi (PFM). Deze bands behoren tot de top van de Rock Progressivo Italiano (RPI), die begin jaren ’70 ontstond en toen ook een bloeiperiode kende.

PFM en Banco maken nog altijd muziek. Vittoria Nocenzi is de bandleider van Banco en hij wilde het 50 jarig bestaan van de band opluisteren met een bijzonder nieuw album. Jarenlang heeft hij met zijn zoon Michelangelo en tekstschrijver Paolo Logli gewerkt aan het op muziek zetten het 16e eeuwse gedicht Orlando Furioso van Ludovico Ariosto. Het is het wachten en alle inspanningen waard geweest: Nocenzi heeft met “Orlando: Le Forme Dell’Amore” een bijzonder indrukwekkend album afgeleverd!

De eerste klanken doen bijna sacraal en middeleeuws aan door het zachte toetsenspel, de akoestische gitaar en de bijpassende zang. Dit is het begin van een reis door het leven van Orlando, waar je letterlijk wordt ingezogen. Het verhaal wordt (gelukkig) in het Italiaans gezongen en zonder er een woord van te verstaan maak je de emoties,  hoogte- en dieptepunten van de hoofdpersoon mee. Daar zorgen het uitgekiende gebruik van alle instrumenten en het voortdurend wisselen van ritmes en stemmingen wel voor, en de stem van Tony D’Alessio niet te vergeten. Heel Italiaans legt hij zoveel emotie in zijn vocale bijdrage.

Snel krijgen we te maken met het furieuze karakter van Orlando. Het pastorale van Genesis van het begin maakt plaats voor de tegendraadsheid van Gentle Giant. Er hangt strijd, revolutie in de lucht. Forse drumpartijen, agressieve (samen)zang, gitaar en toetsen die elkaar de loef afsteken in heftigheid. Het uiterst subtiele pianospel dat dit nummer (La Pianura Rossa) uitblaast als schril contrast met het voorgaande is tekenend voor de muziek op “Orlando”. Het aantal smaakvolle overgangen is bijna niet te tellen. Banco laat de luisteraar instappen in de langste achtbaan van Europa, waar deze na het bereiken van duizelingwekkende hoogtes en tal van adembenemende loopings duizelig en gedesoriënteerd, maar in volle tevredenheid weer uitstapt, de rest van het pretpark latend voor wat het is.

Het is ronduit overweldigend wat Nocenzi ons serveert. De fraaiste melodieuze passages leveren een streling voor het oor op. Nicola di Già is in staat zijn gitaarspel feilloos aan te passen aan de stemming van het moment. Hij kan een flinterdun geluid uit zijn snaren toveren, maar bruusk uithalen en een klassieke symfo-solo zijn ook absoluut aan hem besteed. Nocenzi strooit met kleine meesterwerkjes uit zijn toetsenarsenaal. Hij laat zijn Hammond ronken, de Mellotron ruisen of de Moog heel ontspannen een nummer uitluiden. Zeker zo indrukwekkend is zijn pianospel, het is vaak heel basaal maar zo treffend. Een van de hoogtepunten van de cd horen we op La Maldicenza, dat krachtig in de geest van Gentle Giant start, de nodige ritmische wendingen krijgt en met volle gitaar- en Moogklanken halverwege tot rust komt. Piano, akoestische gitaar en synthklanken luiden een pianothemaatje in dat in de herhaling gaat en zo verschrikkelijk mooi is, dat rillingen om over de rug lopen en tranen tekort schieten.




 

Het is veel ook, op “Orlando”. Vijftien nummers met rond de vijf kwartier muziek, die je overigens bepaald niet cadeau krijgt. Een enkele luisterbeurt volstaat niet. Na vijf keer kom je er een beetje in, na tien keer gaat het een beetje landen. Als je het die investering waard vindt, dan heb je ook wat in handen: een muzikale ervaring die zijn weerga niet kent! En dan nog is  het lastig het geheel te overzien en te doorgronden, er gebeurt zoveel! Niet erg, gewoon nog een keer luisteren!

Tijdens deze symfonische hoogmis, doorspekt met hedendaagse elementen, horen we ook violen, een saxofoon, spacegeluiden en een trekzak. We krijgen dansmuziek op ons bordje, naast een portie disco, het past allemaal en klinkt allemaal wonderwel goed. Onverwacht dient zich een zangeres aan. Zij vertolkt het zoete L’Amore Accade prachtig, ondersteund door piano andere toetsen en iets dat klinkt als een tuba.

Een beschrijving per nummer is onbegonnen werk en zou deze ook onvoldoende eer aan doen. Nee, dit is een muzikale reis die je op de bonnefooi, zonder plattegrond of plaatsbeschrijving, moet ondergaan. Een reis die schreeuwt om herhaald te worden om steeds weer nieuwe hoogtepunten op de route te ontdekken.

Banco Del Mutuo Soccorso bestaat vijftig jaar, is nog springlevend en levert (wat mij betreft) met “Orlando: Le Forme Dell’Amore” zijn beste epos in de hele halve eeuw af. En, lees mijn lippen, dit kan zo maar een klassieker worden!

Long Distance Calling – Eraser

Long Distance Calling bivakeerd al een tijdje binnen het rijtje van gerenommeerde namen binnen de psychedelische en instrumentale progrock. Het viertal Duitsers weet bij elke release een brede persinteresse te creëren en bemachtigd daarmee veel aandacht, misschien ook doordat de formatie een lange tijd in de stal van het label InsideOut heeft gebivakkeerd. Inmiddels heeft de band onderdak gevonden bij EAR-Music.

Persoonlijk heb ik twee favoriete albums, in wat mindere mate “Boundless” en in meerdere mate “TRIPS”, die regelmatig in mijn cd speler te vinden is. Belangrijk detail voor de lezers die de band wellicht niet zo goed kennen: op “TRIPS” heeft gastzanger Petter Carlsen een prominente rol, hij versterkt meerdere songs op dat album met zijn vocale kwaliteiten.

Als instrumentale band is het wat mij betreft wat moeilijker je luisteraars te boeien en vooral te  verrassen. Dat is vocale aspect is ook een litteken op de ziel van de band, het heeft in het verleden veelvuldig geëxperimenteerd met verschillende zangers, maar heeft zichzelf als band nooit weten te overtuigen van de absolute noodzaak daarvan. Uiteindelijk wisten verschillende vocalisten als Marsen Fischer, Petter Carlsen, Jonas Renske, John Bush en Vincent Cavanagh de band dus niet te overreden tot een permanente invulling van die plek. Nog één keer grijpt de band in 2020 terug naar een vocale inkleuring op het album “How Do We Want To Live”, maar overtuigd is de formatie daarin niet.




 

De eerste luisterbeurt van dit nieuwe album “Eraser” kan ik niet direct omschrijven als enerverend, het maakte geen verpletterende indruk. Uiteindelijk blijkt dat toch een misvatting, want als je geconcentreerd luistert ontstaan er veel mooie momenten.

Er staan namelijk een paar regelrechte pareltjes op deze cd en één daarvan is Sloth. De track blinkt uit in schoonheid en had ook zomaar genoemd kunnen worden in onze saxofoon special die wij een half jaar geleden gepubliceerd hebben. Het saxofoongeluid vormt namelijk een groot gedeelte van de song en wordt ingespeeld door niemand minder dan Jørgen Munkeby, hoewel zijn naam moeilijk te vinden is binnen de credits rondom het album. En Munkeby is  een naam die vooral in de metal-wereld wordt genoemd en die nodige aanzien heeft. De man heeft talloze samenwerkingen met grote namen op zijn cv staan. Een gedeelte van de muzikale schoonheid wordt ook gecreëerd omdat de gelijkenis met Pink Floyd weer uit de kast gehaald wordt, iets wat u vaker heeft gelezen in recensies van deze band op deze site. Het lijkt alsof Gilmour een gastoptreden vertolkt op het album van de LDC, wat een heerlijke gitaargeluid! Alleen deze song is een aankoop al waard.

Nog een kwaliteit van deze band is dat het zorgvuldig balanceert op de verschillende stromingen binnen de progrock en metal. Een voorbeeld daarvan is Blood Honey. Je vind daarin postrock, anderzijds blues, stuwende metal en meeslepende gitaarpartijen die bij benadering bijna als toetsen klinken. Kortom, enorm boeiend ondanks het ontbreken van een vocale leidraad. Ook de titeltrack Eraser van het album kent een spannende diversiteit, met in het midden een interlude met viool en cello die gelukkig niet uit een sample box komen maar live is opgenomen met gastmuzikanten. Het zorgt voor een filmend, tragisch, groots en episch effect, absolute klasse!

Opmerkelijk is de keuze om Kamilah als single en officiële video te kiezen. Hoewel dit een duidelijk herkenbare song voor deze band is, staat het wat mij betreft ver van het beste en meest representatieve werk op deze cd. Het woord ‘saai’ zal ik in mijn recensie niet noemen, maar het is overduidelijk niet de meest spectaculaire en innovatieve song op het album.

Over de hele linie klinkt “Eraser” wat harder (meer metal) dan voorheen en etaleert de band opnieuw interessante structuren, vooral op ritmisch niveau. Laat jezelf daardoor niet afschrikken, de composities kennen nog steeds een vertrouwde complexiteit, je vind er nog steeds postrock invloeden en het kwartet Duitsers behoudt de gave jou mee te nemen in een heerlijke muzikale trip.

Craft – First Signs

In 1984 verscheen het album “First Signs” van Craft. Dit was een project van William Gilmour en Martin Russell net nadat beide heren The Enid hadden verlaten. Drummer Grant Gilmour voegde zich bij hen en Craft was geboren. Het thema van de plaat is zes van de twaalf tekens van de dierenriem.

De muziek leunt zwaar op de toetsen, waarover later meer. In 1991 verscheen de plaat op cd met de bonusnummers Branislava en And So To Sleep. Zowel de plaat als de cd is heden ten dage moeilijk verkrijgbaar, vandaar dat “First Signs” als definitive edition is uitgebracht. Op deze editie staat de muziek van zowel de vinyl als cd versie plus met Despina en Dmitri’s Lament twee nummers die nog nooit zijn uitgebracht. Na het verschijnen van “First Signs” was het weer gedaan met Craft. Met het uitbrengen van deze cd willen de drie mannen deze muzikale geschiedenis weer voor het voetlicht brengen. Martin Russell remasterde de muziek vanaf de originele banden, waardoor de muziek directer en frisser klinkt.

“First Signs” is een instrumentale plaat. Met William Gilmour en Martin Russell heeft de groep twee toetsenisten in de gelederen. Zoals gezegd is de plaat zwaar toetsen-gedomineerd. Russell speelt ook basgitaar en zorgt via een aangepast pedaalbord ook voor gitaargeluiden. Het is een welkome afwisseling van het vaak wat cleane, maar wel mooie, toetsengeluid.

De sound is onmiskenbaar jaren ’80. Ik vind dat zelf juist mooi, maar ik weet dat er ook hele volksstammen zijn te vinden die allergisch zijn voor dit geluid. Als dit niet je ding is, kun je deze plaat beter negeren. En verder: het thema mag dan de dierenriem zijn, de muziek ademt vooral een klassieke en pastorale sfeer uit. De invloeden van de gouden jaren ’70 van de prog zijn bovendien niet van de lucht. Wat opvalt zijn de vele brass-klanken waar gebruik van wordt gemaakt. Een goed voorbeeld is de vlotte opener Aries. Maar het komt op de hele plaat veel voor. Heel mooi vind ik Cancer en Leo. Twee zwaar symfonische nummers, waarin de jaren ’70 en ’80 samensmelten. Afsluiter Virgo is dan weer heel klassiek.

Het originele album klokt net geen veertig minuten en biedt in mijn ogen fijne instrumentale muziek.
De onuitgebrachte nummers Despina (erg klassiek) en Dmitri’s Lament (fanfare-achtig) passen helemaal in de stijl van “First Signs”.

Kortom, als je houdt van instrumentale muziek en de ‘80’s sound heb je met “First Signs” een goede plaat in handen. Wat ik zelf ook leuk vond: ik kende Craft nog niet. Leuk om deze muziek te ontdekken.

Philosophobia – Philosophobia

Hoewel “Philosophobia” pas medio 2022 het daglicht kreeg te zien, stamt dit album al uit 2007. Gitarist Andreas Ballnus en drummer Alexander Landenburg hadden destijds wat nummers geschreven en besloten deze op te nemen als demo voor een prog-metal album. Door gebrek aan tijd is het hele project echter op niks uitgelopen, althans… Tot niemand minder dan Kristoffer Gildenlöw de demo in handen kreeg en weg werd geblazen door wat hij hoorde. Maar nu hoor ik je al vragen… Wat hoorde hij dan?

In de eerste instantie is het direct duidelijk waar “Philosophobia” de kunst afkijkt. Het hele album schreeuwt bands als Dream Theater of in mindere mate Queensryche. Dat zijn niet de minste voorbeelden om aan te houden en het spreekwoord luidt dan ook ‘beter goed gejat dan slecht bedacht’. Het album klinkt dan ook prima, maar het ontstijgt het niveau van een liefdevolle ode aan de progmetal van die tijd nauwelijks.




 

Evenals grote voorbeeld Dream Theater heeft de band de neiging om regelmatig de ziel van de muziek te verkopen voor complexere muzikale ideeën. Het album is dan ook vooral gelikt, iets dat behalve in het spel ook doorsijpelt in de productie en prachtige albumhoes. Het album zal je alleen emotioneel niet snel raken. Dit is geen waardeoordeel, het is maar net waar je als luisteraar je prioriteiten legt.

Wat dit album ook vooral interessant maakt is dat dit de terugkeer is van Kristoffer Gildenlöw naar progmetal na zijn symfonische uitstapje bij Kayak en zijn singer-songwriter-achtige soloalbums, en als bassist stelt hij dan ook zelden teleur. Ook zanger Domenik Papaemmanouil geeft het album zijn alles, hoewel hij niet altijd even weet te overtuigen, alsof er meer kracht uit wordt gepompt dan eigenlijk in hem zit.

Al met al is “Philosophobia” zeker geen slecht album en menig progmetal-liefhebber zal hier zeker zijn of haar hart aan op kunnen halen. Met name liefhebbers van Dream Theater rond 2007 zullen in dit album redelijk wat te snoepen vinden. Maar als album op zich ontstijgt het de status als liefdesbrief gewoonweg niet.

Deception Store – Pindaric Flights

Man achter het Italiaanse Deception Store is zanger Marco Pantozzi. Hij heeft alle muziek en teksten geschreven. Alle nummers op “Pindaric Flight” hebben iets met het thema dromen.

Allereerst moet ik complimenten maken voor het prachtige artwork. Het lijkt op een oud schilderij dat je ergens in een verwaarloosde loods vindt. Nadat je het stof van de lijst hebt geveegd, blijkt er een prachtig werk achter te zitten. Gelukkig is ook de muziek mooi.

Marco Pantozzi omschrijft het zelf als ‘soft-prog-rock met invloeden uit de 70’s en 80’s met Pink Floyd invloeden’. Ik zou het zelf niet beter kunnen omschrijven. Het geheel doet denken aan de muziek van hun landgenoten van Arcansiel, met een vleugje Moon Halo. Maar het is vooral het latere Pink Floyd dat in gedachten komt. Niet dat dit album vol zit met David Gilmour-achtige gitaarsolo’s. Nee, het is meer de algehele melancholische sfeer die aan de legendarische Britse band doet denken.




 

In de regel is de muziek wat ingetogen en warm van karakter. Dat zit hem veelal in de akoestische gitaar die subtiel door het geheel verweven zit. Maar ook door het warme stemgeluid van Marco Pantozzi. Gitarist Stefano Nicli speelt solide, maar naar mijn idee vraagt deze muziek om meer melodische solo’s dan het nu bevat. Toetsenist Joe Chiericati speelt vooral in dienst van het geheel. Als hij wat meer de voorgrond zou pakken, zou de muziek meer aan kracht winnen. Op bonustrack E Immagino Se, wat de Italiaans gezongen versie van I Do It My Way (het tweede nummer van het album) is, klinkt de band op zijn best. In de eigen taal komt deze band veel authentieker uit de verf.

Zo zijn alle nummers vriendelijk, sfeervol en melodieus. Het gevaar dat het wat gezapig wordt ligt wel op de loer. Vooral in de tweede helft van het album kabbelt het allemaal wat voort. Dit is een fijn album voor op de achtergrond tijdens je werk of bij een wijntje en een knapperend haardvuur.

Soft Machine – Bundles

Na een behoorlijke experimentele loopbaan vanuit de jaren zestig bevat de muziek van Soft Machine met “Six” en later vooral met “Seven” (beide uit 1973) weer meer structuur, melodie en toegankelijke ideeën ten opzichte van voorgaande platen. Met name Karl Jenkins en Mike Ratledge voeren de boventoon, spelen prachtige solo’s en het lijkt alsof de balans tussen jazz, rock en abstracte klanken eindelijk wordt gevonden. Toch mist de groep wat: een gitaar. Het instrument is al acht jaar geen onderdeel van het groepsinstrumentarium geweest. Nog geen maand na het uitkomen van “Seven” komt Allan Holdsworth de groep versterken. John Marshall kent de Engelsman nog van zijn jaren in de groep van Pat Smythe. Samen wordt nieuw materiaal gerepeteerd (pre-1973 stukken worden vanaf dan niet meer live gespeeld) en na het tekenen van een nieuw contract bij EMI’s Harvest label gaat de groep zijn nieuwe plaat opnemen. Die verschijnt uiteindelijk pas in maart 1975 onder de titel “Bundles”.

Het epische album kan worden gesplitst in twee duidelijke delen. Hazard Profile en het akoestische Holdsworth-stuk Gone Sailing vormen de eerste helft, die gelijk met de spreekwoordelijke deur in huis valt. IJle synthesizer- en orgelklanken van Jenkins smelten samen met Holdsworth’s uitgebreide solo’s en de stevige ritmesectie onder leiding van Marshall. Met de gitaar klinkt Soft Machine enerzijds een stuk conventioneler, terwijl anderzijds de muziek inderdaad aan kracht heeft ingeboet en opgevuld is met een muzikaal element dat zo goed past in deze stijl. Qua dynamiek is Hazard Profile een ware tour-de-force: zo luid en swingend in het eerste deel, zo stil en klassiek volgt deel twee, waarna de resterende delen weer de spanning stuk voor stuk weten op te bouwen. De invloed van Allan Holdsworth is enorm groot: zijn typische timing en vreemde akkoordwisselingen zijn nog niet zo prominent aanwezig als op zijn latere soloplaten, maar hoe uitdagender hij de muziek van Soft Machine maakt zonder dat de muziek bol staat van drukke ingewikkelde structuren, daar kan menig jazzrockgroep uit die tijd nog een puntje aan zuigen. Solo’s van Jenkins en Holdsworth vullen ook het tweede deel, dat wordt ingeluid met het titelnummer. The Man Who Waves At Trains grijpt muzikaal terug naar het geluid van “Seven”, met prachtig hobospel van Jenkins en dito basspel van Babbington. Dat gaat door in Peff, waarin Holdsworth weer langzaam terugkeert en ritmisch tegengas geeft. Na de ‘verplichte’ drumsolo van John Marshall sluit “Bundles” af met The Floating World; ‘Soft Machine goes minimal ambient’. Een stuk waarin het fluitspel van gast Ray Warleigh voorop staat. Een heerlijk rustige afsluiter van een album dat een nieuwe fase van Soft Machine inluidt. Toch besluit Holdsworth al voor het verschijnen van de plaat dat een plek in de groep van Tony Williams (Lifetime) in het verschiet ligt en hij zijn biezen pakt. De groep blijft achter met een tournee die gecancelled wordt, waarna wordt besloten de energie te bundelen voor een nieuwe studioplaat. Dit alles valt overigens te lezen in het essay van kenner Sid Smith in het prachtige boekje dat Esoteric Recordings bij deze waardevolle heruitgave van “Bundles” levert. Het boekje vermeldt dat Paschal Byrne verantwoordelijk is voor de remastering. Audiofielen weten dan genoeg: geluidstechnisch is alles dik in orde en dit is met recht de definitieve uitgave van een zeer speciaal Soft Machine album. Een plaat die tijden lang met name populair is geweest bij fans van Allan Holdsworth, maar die op grote schaal binnen de prog veel meer aandacht verdient.

Met “Bundles” lijken de bandleden dus hun groep een nieuw leven in te blazen en opvolger “Softs” bevestigt dat gevoel, maar daarna – met “Land of Cockayne” als laatste stuiptrekking – zijn de jaren van de band geteld. Wat volgt is een wagonlading aan oude opnamen uitgebracht op diverse labels. Wetende dat de groep in zijn laatste echte levensjaren behoorlijk goede, maar zeer ondergewaardeerde platen aflevert. Daarvan is “Bundles” zonder twijfel de beste.

Wouter Bessels

CD:
Koop bij bol.com

LP:
Koop bij bol.com

Aanvulling naar aanleiding van de heruitgave in 2010:

Twaalf jaar na de geremasterde uitgave van “Bundles” brengt Esoteric Recordings een 2cd-versie op de markt. Gebleven zijn de remaster van Paschal Byrne en de (overigens licht aangepaste) liner notes van Sid Smith, terwijl de extra’s zich uiten in een redelijk sober uitgevoerde digipak en een bonus-cd met een compleet concert opgenomen op 11 oktober 1975 in Nottingham. Gitarist Allan Holdsworth is dan inmiddels vervangen door John Etheridge.

Dat Nottingham-concert – een half jaar nadat Bundles verscheen – is dan ook gelijk de meerwaarde die deze expanded Bundles bijzonder maakt en die al wijst in de richting van opvolger “Softs” (1976), ook dankzij de aanwezigheid van Song Of Aeolus, Ban Ban Caliban en Out Of Season. De opname is vrij ruw, mengtafelkwaliteit, destijds bedoeld voor radio-uitzending en zeker geen met detail gemixte opnames vanaf meersporenbanden. Een typische momentopname van de Engelse tour die Soft Machine ter promotie van “Bundles” ondernam. Is het een noodgreep vanwege onbeschikbare live-opnames mét Holdsworth? In zekere zin wel. Het Montreux 1974-concert waarop Holdsworth wel meedoet zit bij een ander label en verscheen zeven jaar geleden als cd-dvd combo.

Maar wat Soft Machine op die avond in Nottingham laat horen is geen kattenpis. Na de behoorlijk vrij jazz georiënteerde albums “Five”, “Six” en “Seven” brengt Holdsworth en vervolgens Etheridge weer meer pit in de band. Het elektronische intermezzo JVH van Mike Ratledge gaat soepel over in The Floating World, waarna Karl Jenkins en John Marshall losgaan in Ban Ban Caliban. Side Burn is de drumsolo van Marshall en vormt de opmaat naar het vijfdelige Hazard Profile – dat de climax van het optreden vormt.

Al met al een leuke heruitgave – “Bundles” blijft immers tot de beste Soft Machine platen behoren – en die vooral dankzij de aanwezigheid van de Nottingham concertopnames weer een puzzelstukje in de geschiedenis van de band haarfijn opvult.

Wouter Bessels

For Absent Friends – Disappear

For Absent Friends is terug! Na maar liefst zestien (!) jaar heeft deze Rotterdamse band met “Disappear” een nieuwe cd uitgebracht. Ik ben met name benieuwd naar deze plaat, omdat ik midden jaren ’90 ik “Running In Circles” en “Tintinnabulation” zeker kon waarderen. Toegankelijke, puntige neoprog met invloeden van bands als Marillion en Saga.

Eigenlijk is dit de derde doorstart van FAF, want na “Tintinnabulation” vertrok AT (Alex Toonen) bij de band. Zijn kenmerkende stemgeluid was een identity marker van FAF. Met zanger Hans van Lint werden “The Big Room” en “Square One” opgenomen. Hoewel het geen slechte platen zijn, kwamen zijn ze (naar mijn bescheiden mening) niet in de buurt van de platen uit de jaren ’90. Ik miste met name de frisheid.

Toen de band zo’n tien jaar geleden werd opgeheven gingen Van Lint en oer-leden gitarist Edwin Roes en drummer Edwin Wernke verder in de Genesis coverband Squonk. De band werd aangevuld met Clemens Steenweg (toetsen) en Jan Nieuwenhuis (basgitaar). Het ging toch weer kriebelen om als FAF een album op te nemen. In de covid-periode lag Squonk stil. De heren ging songs schrijven en vervolgens werd besloten om FAF nieuw leven in te blazen. Het resultaat is “Disappear”.

Ik heb de cd voor de recensie meerdere keren beluisterd uiteraard, maar ik ben toch wat teleurgesteld. Wellicht toch wat te hoge verwachtingen op grond van het verleden? Ik weet het niet. Wat ik in elk geval mis is het symfonische gehalte en songs die boven het maaiveld uitsteken. Een nadeel vind ik ook dat de beste nummers op het tweede deel van de plaat staan.

Het album begint met Magic. Een popsong met symfo-invloeden en jaren ’80 invloeden. Op zich niks mis mee, maar ik vind het teveel te rechttoe rechtaan. Het tweede liedje, Random Draw, is gebouwd rondom de gitaar. Ik vind het wat saai. De boodschap dat we één aarde hebben, bevalt me wel. En datzelfde geldt voor de zwevende toetsensolo aan het eind. Maar als geheel vind ik het wat mager.

Datzelfde geldt voor The Poet. Hooguit symfonische pop. Leuk baslijntje, orgeltje, en fake news als dankbaar onderwerp. Maar er gebeurt te weinig om echt te overtuigen. Na de ballad Between The Lines, veer ik voor het eerst echt op: het instrumentale Keytar. Opeens zijn we beland in Genesis-sferen en komt de tweede helft van de jaren ’70 om de hoek kijken. Dit bevalt me duidelijk wel. Het rockt en is symfonisch.

Daarna volgt het titelnummer Disappear. En met deze song laat FAF ziet het nog niet verleerd te zijn. Het nummer bevat de nodige spanning, is mooi opgebouwd en tevens toegankelijk. De song heeft ook een bepaalde relaxtheid over zich. Zanger Hans van Lint laat zich van zijn beste kant zien.

Het rustige Conversation is een prima nummer. Je hoort wat meer singer-songwriter invloeden en de nodige melancholie. De wat bluesy gitaar van Edwin Roes maakt het af. Het nummer 58 Peoples doet me niet zo veel, maar afsluiter Dreamer behoort in mijn ogen tot de beste nummers van dit album. Het doet me wat denken aan het solowerk van Ray Wilson.

Met een fade out komt er een einde aan dit album. Geen songs als Downtown. En al helemaal niet als Boy/Father. Ik mis vooral de emotie. En onder aan de streep staan er te weinig goede songs op. Ik kan er helaas niks anders van maken.

The Black Noodle Project – When The Stars Align, It Will Be Time…

The Black Noodle Project heeft vanaf het sterke album Ghosts & Memories uit 2013 altijd een interessant geluid en brede insteek in het post-rock genre behouden. Al ging het even  mis op het vorige album Code 2.0, waar Sébastien Bourdeix als componist The Black Noodle Project van duo naar solist in leven hield.

Op het nieuwe album zorgt hij voor een verandering in hun oeuvre en dat pakt goed uit. Hij wisselt ditmaal namelijk de voor hen bekende instrumentale post-rock stukken af met gezongen nummers. Dit laat het album eerlijk gezegd voorbij vliegen en geeft een dosis diversiteit die een ander luisterend publiek zeker zal aanspreken. Zeker voor diegenen die moeite hebben om zich door instrumentale muziek te worstelen of gewoon song gerelateerde muziek prevaleren boven gitaar uithalen en lang uitgerekte hard zacht passages.

Terug is drummer Tommy Rizzitelli en die mag zich gelijk uitleven in opener Welcome To Hell en afsluiter Behind The Light dat past bij zijn eerdere slag- en slachtwerk op Divided We Fall. Hiermee doet zo’n typische postrock album titel “When The Stars Align, It Will Be Time… “zijn naam eer aan.




Tussendoor is het geregeld andere koek. Het avontuurlijke Black Moment is namelijk de eerste van drie nummers waar voor deze plaat zangeres Sab Elvenia van de dark metal band The Fundamental Wisdom Of Chaos opdraaft. Haar stem heeft wel wat weg van Fleetwoord Macs’ Stevie Nicks maar dan met een duister randje. Dit soort gezongen nummers geeft de muziek van The Black Noodle Project meteen een toegankelijker podium. Onderbroken door het filmische post rock nummer Give Us Hope geldt dat ook voor Time. In Time zorgt Sébastien Bourdeix voor een prachtige gitaarsolo als slot zodat het al snel naar een hoger niveau stijgt en dit nummer niet blijft hangen in een typisch singer-songwriter stuk.

De nasale zang van Sab Elvenia in Stormy Weather staat meer in dienst van het nummer dat zich in eerste instantie wat slenterig lijkt voort te bewegen. Toch is dit voor mij het hoogtepunt van dit album, wellicht omdat dit het meest de tijden van Ghosts & Memories benadert; melodische gitaar uithalen versus ondersteunde slide gitaar. Oftewel veel Pink en geregeld Floyd.

Voor mij is dit ietwat donkere album van The Black Noodle Project uiteindelijk een hele interessante geworden. Hopelijk komen er nieuwe fans bij door de toegankelijk zangstukken. Voor mij blijven de post-rock georiënteerde stukken nog wel met kop en schouders er boven uit steken dankzij het gebrul van de gitaar in samenspel met het gemep en gebeuk op de drums. Maar goed, ik ben dan ook fan van deze muziekstijl. Toch is met inbreng van zangeres Sab Elvenia een geslaagde opzet gemaakt om een breder publiek te bereiken die vooral de progressieve rock omarmt. Dit soort dynamische muziek kan wel eens de toekomst worden voor The Black Noodle Project en mag oud compaan Jérémie Grima voorlopig nog wel even doorgaan het schrijven van zijn roman. Als die ooit nog af komt.




Pymlico – Supermassive

Pymlico is een Noors project/band onder leiding van drummer Arild Brøter dat al ruim tien jaar aan de weg timmert. Hij wordt daarin bijgestaan door zijn broer Øvind op toetsen, twee gitaristen, een bassist en saxofonist Robin Havem Løvøy die het instrumentale geluid toch een licht vocale touch meegeeft.

Op hun website wordt de muziek als een mix van progressieve rock en fusion omschreven. Ik denk dat ik de volgorde van die twee termen zou omdraaien. De groove hebben ze in elk geval constant aan hun kont hangen.

In de basis is hun muziek vrij ‘sophisticated’, waardoor de vergelijking met bands als Mezzoforte zich opdringt. Toch heeft dit Noorse septet beduidend meer te bieden. Ze wisselen de sophisticated sound af met heerlijke ‘super massieve’ rock riffs. Daarbij laten ze de gitaar, vette synths en saxofoon gezamenlijk optrekken in eenvoudige, doch zeer aansprekende en krachtige melodieën, wat met regelmaat een glimlach op het gezicht van ondergetekende toverde. Luister maar eens naar tracks als Breaking Protocol, Clockwork, Are We There Yet en Time Out. Clockwork wordt overigens opgesierd door prachtig gitaarwerk van Roine Stolt in de intro, met zijn typische wah-wah spel in het midden en een schitterende solo op het eind. De openingsriff van deze track zou elke progband graag op zijn conto hebben staan. Løvøy vult het lichtere couplet met soepel saxofoonspel in, waarna die heerlijke riff weer terugkomt.

De overige tracks vallen in de categorie fusion, waarin de saxofoon van Løvøy niet zelden schittert. Door het ontbreken van memorabele riffs of melodieën vallen deze nummers minder op. Vooral in de laatste drie nummers lijkt het album op deze manier een beetje in te kakken. Wanneer je echter goed luistert valt daar in de details nog het nodige te genieten, vooral als de heren Sjo Engen en Hvinden laten horen ook een aardig mopje gitaar te kunnen spelen. En die groove hè, die raken ze nooit kwijt. Die zorgt ervoor dat in de onderste regionen van ons lijf lichaamsdelen spontaan gaan bewegen. Iets wat bij progliefhebbers slechts zelden voorkomt.




Absoluut prijsnummer van dit album is echter Time Out. Na een zwoele opening op trompet met demper (refererend aan de grote Miles?) horen we een Chicago-achtig thema in de synthesizer in een laid-back groove. Daarna neemt de saxofoon een beetje gas terug. Schijnbeweging! Wat volgt is een heerlijke heavy funky riff in de gitaar met vlijmscherpe drums en een echo in de Fender Rhodes, die vet wordt herhaald in een blazerssectie (Blood Sweat & Tears?). De blazers gaan daarna hun eigen weg en voorzien de gitaarriff van felle tegendraadse accenten. Waar hebben we dit eerder gehoord? Phenix Horns? En dan barst het feest los: een sterke melodie in de gitaar, vergezeld van vette blazersaccenten en die nooit nalatende groove. Wanneer de gitaarmelodie een zanglijn zou zijn geweest had het zomaar een track van één van de soloalbums van Phil Collins kunnen zijn. De blazers zijn minder staccato dan bij Collins maar wel vetter. Bij de tweede keer wordt het Chicago thema een stuk steviger waardoor het effect van het gas terugnemen door de saxofoon nog groter wordt. Geniaal!

Dit hoge niveau wordt niet over het hele album gehaald en dat is misschien maar goed ook anders zouden we dit geweldige nummer niet op de juiste waarde kunnen schatten.

Ben je een liefhebber van fusion met wat proggy ingrediënten, is deze virtuele muzikale verkenningstocht naar het hoge noorden van Europa zeer de moeite waard. Dit is niet de eerste keer dat die ‘ijskoude’ Scandinaviërs ons verrassen met een super swingende groove, gecombineerd met een sterk gevoel voor melodie.

Timelock – Louise Brooks

Simply Twenty. Dat was het catalogusnummer van dit eerste Timelock album toen het in 1992 uitkwam op het legendarische Nederlandse label SI Music.

We bevinden ons in de tijd dat progrock definitief uit het verdomhoekje is gekropen en geen vies woord meer is. Bands als Marillion, Pendragon, Pallas en Saga hebben de weg geplaveid. In ons land ontstaan in die tijd bands als Egdon Heath, Coda, Marathon en For Absent Friends. Begin jaren ’90 deed ook de Haagse band The Last Detail in zijn intrede. De kern van de band bestond uit Ruud Stoker (zang), Julian Driessen (toetsen) en Bert de Bruije (basgitaar). Na twee albums stopte de band ermee en gingen ze samen met Rinus Hollenberg verder onder de naam Timelock.

Op dit debuutalbum, dat nu in een geremasterde versie is uitgekomen, is de herinnering aan The Last Detail nergens ver weg. Toch heeft Timelock een eigen geluid. De muziek is wat meer to the point met meer ruimte voor sterke refreinen. Wat dat betreft steken nummers als Love Traingle, Someday en P.I. Exit, dankzij zalige refreinen die zich onherroepelijk in je hoofd nestelen, boven de rest uit. Daarbij wordt in elk nummer het instrumentale uitstapje niet vergeten. Rinus Hollenberg strooit met puntige en melodieuze gitaarsolo’s en ook toetsenist Julian Driessen pakt regelmatig de voorgrond. Zijn sterke toetsentapijten leggen steevast de symfonische basis.

Ruud Stoker is een zanger met een heel eigen stijl. Zijn bijtende stijl moet je liggen, maar ik vind het goed in het geheel passen. Met Bert de Bruijne beschikt de band over een solide basgitarist, maar het gebrek aan een drummer van vlees en bloed is echt de achilleshiel van dit album. In die tijd was drumprogrammering heel hip, maar het blikkerige geluid en het gebrek aan creativiteit gaat op den duur storen.

Het album is door Martin Hendriks (MHX Music) geremastered en dat heeft hij geweldig goed gedaan. Dit album verdiende echt een upgrade. Ik heb ook het origineel in de kast staan er daarin valt op dat bijvoorbeeld de zang te ver naar achteren in de mix zit en de rest van het geluid klinkt wat stoffig. Dat is nu velen malen beter. De zang komt nu veel beter uit te verf en het geheel heeft qua geluid aan kracht gewonnen.

Op het album staan ook een enkele interessante extra’s. Heerlijk gedateerd klinkt het poppy Change. Het zou niet misstaan in het foute uur van een commercieel radioprogramma. De tijdgeest van poppy synthpop en elektronische effecten klinkt nu onbedoeld hilarisch. In dezelfde stijl is Back On My Feet Again. De 2022 versie van The Seance is het meest interessant. Het Timelock van nu heeft dit nummer opnieuw ingespeeld (en twee minuten ingekort). Het gitaarspel van Martin Hendriks is hier wat steviger en drummer Rob Boshuijzen is een verademing.

Op de tweede schijf staat een integrale versie van het optreden dat de band gaf op 10 juni 1995 in De Pul in Uden. Het laat een band in vorm horen die er vooral heel veel zin in heeft. Het jaar ervoor was het tweede Timelock album “The Dawn” uitgekomen en de helft van de setlist komt van dit album. In 42 minuten speelt de band geconcentreerd de setlist uit zonder verdere interactie met het publiek, maar bij het laatste nummer wenst Ruud Stoker het publiek veel plezier bij de rest van de avond, dat verklaart het tempo. Benieuwd hoe het optreden er ongeveer uit moest zien? Op Youtube staat een concert dat de band in 1993 in De Pul gaf.

Ik ben erg blij met deze remaster. Ten eerste is het album nu weer goed verkrijgbaar en klinkt het in opgepoetste versie beter dan ooit. Ten tweede geeft het geheel een mooi inkijkje in een tijd dat veel (Nederlandse)progbands ontstonden en de kleinere podia in ons land bezetten.

Send this to a friend