Dat Eddie Mulder een begenadigd gitarist is, zal bij de meeste lezers van Progwereld bekend zijn. Zo laat de Fries zijn kunnen horen bij Leap Day, Flamborough Head en Trion. Sinds 2015 brengt hij ook soloalbums uit. “The Trail” is alweer het tiende album. Aan inspiratie dus geen gebrek. Op dit album omgeeft Mulder zich met diverse muzikale vrienden, de één bekend, de ander wat minder. De bezetting is ongeveer gelijk aan die van “The Centre”. Om even wat namen te noemen: Colin Bass (Camel) bast op een nummer, Leap Day-collega Gert van Engelenburg speelt toetsen, en Ton Scherpenzeel (Kayak, Camel) is ook van de partij. Toetsenist en producer Henk Stel is belangrijk voor het geluid van Mulder.
Mulder maakt solo instrumentale muziek. De songs zijn melodieus en behoorlijk rustig. Centraal staan de sferen die hij wil overbrengen. Verwacht dus geen volbloed rockende gitaarplaat. Hij liet met zijn eerste platen vooral een akoestisch geluid horen. Sinds het vorige album klinkt steeds meer een bandgeluid. Dat wordt met “The Trail” voortgezet. Ik vind Camel een goed referentiekader. De muziek komt met name tot zijn recht als ze in zijn geheel wordt beluisterd.
Het openingsnummer Ney begint met strings, fluit, en een akoestische gitaar. Daardoor heeft het liedje een wat folky inslag. Later komt ook de elektrische gitaar erbij en krijgt het nummer wat meer het bandgevoel. City Walls is een cinematisch nummer. Dit liedje, met Colin Bass op basgitaar, klinkt als een goede soundtrack van een Engelse film. De laidback vibes en wat jazzy elementen geven dit nummer extra smoel. Gert van Engelenburg van Leap Day komt bovendien met een mooie toetsensolo. Mulder volgt zelf met een gitaarsolo. Door dit alles vind ik City Walls één van de beste songs van “The Trail”.
Ik vind het sowieso het fraaist als de nummers symfonisch zijn, het bandgevoel naar voren komt en Mulder met een fraaie gitaarsolo komt. Andere voorbeelden daarvan zijn Lone Wolf (wat spannender), Chalk and Cheese (doorleefder) en Katsura (oriëntaals, cinematisch, met medewerking van Scherpenzeel). Sommige liedjes zijn wel wat te kabbelend als ik eerlijk ben. Het slotnummer The Trail is het pronkstuk van het album. Deze song van ruim acht minuten is lekker slepend en symfonisch.
Al met al is het aangenaam om naar “The Trail” te luisteren. Nog wel twee minpunten. Mulder maakt nogal eens gebruik van de fade-out, erg jammer. Ook vind ik het drumgeluid flets. Iets meer power en pit had het album op zich wel kunnen gebruiken. Hoe dan ook, met “The Trail” levert Eddie Mulder een album af met mooie melodieën en vooral fijn gitaarwerk.
De Zwitserse progband Flame Dream heeft een onafhankelijke status en dat is mooi. Zodoende hoeft men alleen maar concessies te doen aan hun eigen bandleden en niet aan een aantal bepalende luitjes. Progressieve rock is per definitie een genre waarbij een zekere eigenzinnigheid hoort, zoals het maken van epische lange nummers met afwijkende maatsoorten, het aanbrengen van een veelheid aan tempo- en sfeerwisselingen, evenals het inventief gebruik maken van niet-alledaagse melodieën en harmonieën. Compositorische vrijheid is wat dat betreft een hoog goedje, en Flame Dream laat op de hier besproken heruitgave van zijn vierde album “Supervision” uit 1982 overduidelijk horen waar dit binnen de band toe heeft geleid.
Het is een beetje flauw om te zeggen dat de muziek van Flame Dream hier een kind van zijn tijd was, maar zo is het natuurlijk wel. Het is geen groot geheim dat anno 1982 de nummers van menig progband korter en bondiger waren, met een vaak technocratisch geluid. Denk daarbij aan bands als Rush, Asia en Yes. Het was de tijd van de opkomende polyfone synthesizers en de ijspegels vlogen je om de oren.
Deze digipack laat horen dat Flame Dream helemaal in dat tijdsgewricht past, met dien verstande dat het binnen de nummers een Mekka was van kunde en smaak. Dat eenieder hieraan schuldig was, laat de vlotte openingstrack Blackmail wel horen. Zo laat toetsenist Roland Ruckstuhl zijn klavieren geen seconde met rust, verheft drummer Peter Furrer zich tot de tweede macht, en knalt bassist Urs Hochuli zich een slag in de rondte, met over dit alles heen de gedreven Max Werner-achtige zang van Peter Wolf.
Het daaropvolgende Dancing into Daylight is een kort instrumentaal nummer dat voorafgegaan wordt door een Don’t Stop-achtig intro van akoestische gitaar en aanzwellende drums. Het daadwerkelijke nummer is een vrolijk folky deuntje van dwarsfluit en synthesizer. Het titelnummer Supervision is een ritmische aangelegenheid die niet had misstaan op “Abacab” van Genesis, met ook enige vergelijking richting Phil Collins. Erg fraai zijn de passages met de bronstige saxofoon. Dit instrument, dat als bijnaam ‘de uitlaatklep van de ziel’ heeft, brengt altijd een organische touch met zich mee.
Vervolgens komt de band met drie nummers die menig symfonisch hart sneller zullen doen slaan. Signs of Solitude is een mooi gedragen nummer met halverwege een lekker uitbundig stuk toetsenspel richting UK. Tragedy is een zwierige ballade met prima zang en fraaie laagjes. Dat het compositorisch nogal ééndimensionaal is, hoeft absoluut geen probleem te zijn, temeer daar het vlotte Time for a Change dat daarna flink compenseert. In dit op en top Kayak-getinte nummer, compleet met vocoder, krijgt ook een wervelende orgelsolo volop de ruimte. Tevens komt Ruckstuhl met een zweverige solo op de synthesizer. Daarna is het met Woman’s Art? even drie minuten op een houtje bijten. Doe dat ook maar, de beloning mag er zijn.
Flame Dream komt ter afsluiting met een epic van bijna dertien minuten, en reken maar dat de heren in staat zijn om je aan de boxen te kluisteren. Paradise Lost, want zo heet het werkstuk, bestaat uit drie gedeeltes die vooral in het tweede en derde deel nogal vol uitstekende dadendrang zitten. Na de sfeervolle opener Arrival komt The Attack, waar het onregelmatige ritme en het prominente basspel daadwerkelijk klinken als een aanval. Het doet een beetje denken aan de muziek van Grobschnitt, en dat is een mooi compliment. Het derde deel heet Finale. De akkoordenreeks hier is van ongekende schoonheid, en als de dwarsfluit er dan nog meer melancholie inblaast, creëert dat veel kippenvel.
Het is een goede zaak dat de heren van Flame Dream bezig zijn om de albums van destijds eindelijk beschikbaar te maken op cd voor het grote publiek. “Elements” uit 1980 en “Out in the Dark” uit 1981 gingen in 2025 dit ”Supervision” al vooraf. De rest volgt.
Nadat het Noorse Laughing Stock met “Shelter” in 2024 zijn beste album tot dan toe uitbracht, is er nu het nieuwe werk “Life in Seven Dreams”. Een ambitieus album dat, volgens het drietal, niet zonder slag of stoot tot leven kwam. Het was een zwaar jaar voor de bandleden, en dat kun je terug horen in de muziek. Het is tevens het zevende album in zeven jaar, vandaar de titel. De nummers worden bijeengehouden door het gedicht “A Dream within a Dream” van Edgar Allan Poe. Het gedicht wordt in het openingsnummer gereciteerd door Colin Bass (Camel).
Na een aantal luisterbeurten kun je gerust stellen dat dit het meest veelzijdige album van Laughing Stock is tot nu toe. Het gaat van prog naar pop en van metal naar folk en weer terug naar prog. De productie is zoals we van hen gewend zijn wat wollig en warm, en dat alles bij elkaar geeft een soort koortsdroomervaring. De band werkt niet met traditionele songstructuren, nummers hebben vaak geen refrein of terugkerende stukken. Dat zorgt aan de ene kant voor een unieke ervaring, maar maakt ook dat nummers niet beklijven. Het dwingt je eveneens om het hele album te beluisteren om de beste ervaring te hebben. Dat is wat mij betreft de kracht én de achilleshiel van hun muziek.
De band is op zijn best als de registers volledig opengaan zoals in The Fire. De opbouw is hier geweldig en het geheel wordt steeds meer uitgebouwd. De eruptie tegen het eind, compleet met de screams van Bjørnar Kristiansen (Dwaal) die uit de diepte lijkt op te stijgen, is een kippenvelmoment. Op deze momenten doet hun muziek wel aan hun landgenoten van Oak denken.
Het volgende nummer We Look at the River is dan weer van een heel ander kaliber. Ingetogen, gedragen, jazzy, en met een zalige trompetsolo. Het is net of hij in je woonkamer staat. Na 3:48 wordt het stil en dat blijft het tot 7:22. Ik snap het idee erachter, maar bijna vier minuten stilte vind ik ergens ook storend. Wat mij ook stoort is de zang van Tim Bowness in Not Today, maar dat zit hem meer in het feit dat deze man zo eentonig zingt; hij blijft op mijn zenuwen werken. Waarom willen zoveel bands hem als zanger?
In From the Shadows worden we nog één keer door elkaar geschud. Het opent intens, met een hoofdrol voor de basgitaar, desolate toetsen, en de grunts van Bjørnar Kristiansen. Daarna zorgen de toetsen en rustig gitaarspel voor een behouden reis terug naar het hier en nu.
“Life in Seven Dreams” is misschien wel het meest intense album van dit drietal. Ik heb het al vaker gezegd: ze gaan nog eens een keer een meesterwerk afleveren. Dat is dit album nog niet, maar de groei is evident. Wanneer alle puzzelstukjes op hun plek vallen, gaan ze ons nog verbazen. Tot die tijd vergeten we af en toe alles om ons heen met deze droom.
Gjenferd, het langharige kwartet uit Noorwegen, keert terug met een tweede album vol superouderwetse, maar daarom niet minder lekkere hardrock. “Black Smoke Rising” is in de details zelfs nog fijner dan het gelijknamige debuutalbum uit 2024.
Zoals de band ruiterlijk toegeeft, is de muziek geïnspireerd op klassieke hardrock van Deep Purple en Black Sabbath. Zelf vinden ze ook nog dat er moderne invloeden hoorbaar zijn, zoals Ghost en Hällas, maar ik hoor zelf eigenlijk eerder Uriah Heep en Hawkwind. ‘Modern’ is een omschrijving die bij de muziek van Gjenferd past als ‘RIO’ bij UB40. Niet echt.
Dat neemt niet weg dat “Black Smoke Rising” lekker wegluistert als Purple, Sabbath en Heep onlosmakelijk aan je jeugd verbonden zijn. De tien stukken op deze plaat zijn simpel en wat lomp, maar ook zeer toegankelijk. Het zijn sterke composities die kneiterstrak gespeeld worden. Daarbij helpt het wel dat toetsenist Saervoll kan beschikken over een heerlijk smerig Hammondgeluid en dat drummer Larsen mept alsof de geest van Sabbath-drummer Bill Ward in hem gevaren is. Als zangers zijn Strand en Saervoll niet veel meer dan adequaat, als muzikanten in een hardrockoutfit zijn ze onovertroffen.
Voor zover dit soort onvolprezen herrie nostalgische gevoelens kan oproepen, is Gjenferd het ideale vehikel om herinneringen aan hardrocksjaaltjes en opnaaipatches op te halen. Gelukkig is het album in zijn relatief korte 42 minuten nog best afwisselend, vooral door de korte intermezzo’s Attergangar en Stillferd, waar mooie Mellotronfluitjes en tokkelgitaren voor een rustpuntje zorgen. Lang duurt dat niet, stukken als The Thrill en Calling Your Name voelen als een energieke, muzikale klap in je nek.
Erg fijn is Ride On, dat in het intro tegen Pink Floyd aanschurkt, maar al snel als een soort roadmovie de sokken erin zet. Ook hier valt weer op hoe strak deze band toch uitermate groovy kan spelen. De plaat sluit af met het langste nummer Like Wildfire, dat eindigt in een soort psychedelische jam.
Gjenferd speelt machtige muziek vol overtuiging en muzikaal vakmanschap. Je kunt gaan zeuren dat het niet echt prog is, dat het wel heel erg leunt op die bands uit de jaren zeventig, dat de teksten wat simpel zijn, of dat de mannen geen moeite doen om iets origineels te bedenken, en dan heb je helemaal gelijk. Maar dat neemt allemaal niet weg dat dit gewoon een heerlijk plaatje is, met het soort rock waar je stiekem heel blij van wordt. Ride On!
Marianas Rest is een band die wil blijven. Zich continu wil ontwikkelen en binnen de wereld van melodieuze death metal een factor van belang wil worden. De band weet ook al een lange tijd bij elkaar te blijven, bestaat uit vrienden die minimaal één keer per maand bij elkaar komen om samen te musiceren, te praten en na afloop een biertje te drinken. Drie jaar na het fantastische “Auer” komt de band met een nieuw album met een centraal thema, waarin de nodige muzikale progressiviteit is verwerkt.
En daarmee licht ik al een tipje van de sluier op over de beleving van dit album. De band verkent nieuwe muzikale elementen, maar grijpt af en toe ook terug op zijn vertrouwde sound. Zo zoekt de band naar een evenwicht tussen het tevredenstellen van de fans en het verkennen van nieuwe muzikale grenzen. Het concept gaat over het verlies van dierbaren en hoe je dat als individu verwerkt. Dat de dood niet altijd negatief hoeft te zijn, maar voor sommigen ook het einde van lijden in het dagelijkse leven, door mentale of fysieke problemen. Doordat er de nodige mensen rondom de band kwamen te overlijden, werd er tussen de bandleden veel over gepraat. Het onderwerp bood daarmee veel inspiratie voor de teksten.
Het album opent gelijk al op bijzondere wijze. Treurige zang die wordt gezongen bij een rouwdienst in Finland, gevolgd door cleane zang van Jaakko Mäntymaa. Zo hebben we hem nog niet vaak gehoord. Een melodieuze sectie volgt zoals we de band kennen: zwaarmoedig, sfeervol door de toetsen, en vergezeld door gitaren, drums en weelderige achtergrondzang. Wat opvalt aan dit album is dat de muziek meer dan ooit gitaargedreven is.
Ook zijn de vocalen veranderd: naast Jaakko Mäntymaa zingen de bassist en gitarist ook mee. Daarnaast figureert Okko Solanterä van de band Horizon Ignited, onder andere in Rat in the Wall. Naast de zware, indrukwekkende grunts van Mäntymaa verzorgt hij op cleane wijze de achtergrondzang. Vrouwelijke achtergrondzang hebben we ook niet vaak gehoord op een cd van Marianas Rest, maar die is deze keer wel te vinden op Burden.
Again Into the Night is één van de nummers die al langer klaar lag. De track dateert in feite uit de tijd van “Auer”, en dat hoor je in sound en beleving. Het thema gaat over uitputting, vermoeidheid en het gevoel dat je wilt opgeven als alles tegenzit. Het is een zwaarmoedige reflectie op momenten dat je het moeilijk hebt. Het is op en top zwaarmoedig, maar toch ook weer melancholisch. Marianas Rest staat wat mij betreft garant voor boeiende en kunstzinnige video’s en dat geldt ook hier.
ARVE error: Invalid URL in url
Daimonds in the Rough komt qua aanpak en melodie eveneens in de buurt bij voorganger “Auer”. De track is vlot, enigszins catchy, en gaat tekstueel over het herinneren van overledenen zoals zij bij leven waren. Met oog voor goede en slechte eigenschappen, hoewel binnen de westerse cultuur uit beleefdheid vaak wordt vermeden negatief te praten over de doden. Het heeft een moderne beat van de toetsen van Aapo Koivisto, die ook participeert in de band Omnium Gatherum. Als je beide bands goed kent, kan je de vergelijking op het gebied van toetsen makkelijk maken.
Een van de meest meeslepende tracks op het album is The Colour of You. Typisch een Marianas Rest-nummer, hoewel er ook invloeden van Insomnium te vinden zijn. Een heerlijk melancholische gitaarsolo van Nico Mänttäri verrijkt de song, waarmee de band afsluit.
Het duurt altijd wel even voordat je een album van deze Finnen volledig kan omarmen. Het is altijd weer even wennen aan een nieuwe aanpak. Meesters in het maken van meeslepende, emotionele doommetal waarin het tempo varieert. De band kiest nooit voor continuïteit, maar juist voor discontinuïteit. Kleine breukjes met het verleden, nooit kiezen voor veilig, maar voor progressie. Voor henzelf, maar ook voor de fans.
Uit de gelederen van The Samurai Of Prog blijft met grote regelmaat nieuw materiaal verschijnen. Nu is Rafael Pacha niet iemand die veel bijdraagt op de albums van The Samurai Of Prog, maar hij is wel veelvuldig aanwezig op de diverse spin-offs, zoals The Guildmaster, Bernard and Pacha en Pacha & Pörsti. Daarnaast bracht hij een kleine drie jaar geleden een prachtig soloalbum “A Bunch Of Forest Songs” uit. Op dit album wisten hij en zijn vrienden folk en prog tot een mooi geheel te smeden.
Die vrienden worden op zijn nieuwe album zelfs in de bandnaam vermeld: Rafael Pacha With The Friends Of (Con)Fusion. Het laatste deel van deze bandnaam verklapt al het een en ander over de muziek die Pacha en zijn vrienden ons op dit album voorschotelt. Dat wordt nog eens versterkt door een aantal, grappig bedoelde, citaten in het cd-boekje uit een ver verleden toen jazz nog als een satanische muzieksoort werd beschouwd. De algemene strekking van al deze citaten kunnen we samenvatten met ‘not normal after jazz’. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de albumtitel “Not Normal After Music”.
Het is wel mooi dat hij in zijn bandnaam eindigt met (Con)Fusion, want het is niet allemaal fusion wat de klok slaat. En het is ook geen fusion zoals wij ‘proggers’ vaak wel kunnen waarderen. Het is een lichtvoetig soort fusion waarbij de folkinvloeden nooit ver weg zijn, en vaak op de voorgrond staan.
Het album opent met Contradiciton. In de klassieke muziek wordt een groot muziekwerk vaak geopend met een zogenaamde ‘expositie’, waarin alle thema’s van het muziekwerk ten toon worden gespreid. Contradiction is een soort expositie van alle instrumenten die we op dit album te horen krijgen. In een soort estafettevorm komen ze voorbij: basgitaar, drum, gitaar (akoestisch en elektrisch), synthesizer, piano, Hammond, fluit, sopraansaxofoon. Het materiaal van de melodische instrumenten is zeer speels.
De basgitaar wil ik er wel even uitlichten. In deze openingstrack bespeelt Michael Manring de basgitaar en dat doet hij fantastisch, uitsluitend fretloos en met een prachtige solo. Maar ook Jan-Olof Strandberg, die op bijna alle overige tracks de basgitaar speelt, laat prachtige partijen horen met dat heerlijk droge geluid. Overigens speelt Pacha op de slottrack zelf ook prachtig bas.
In El Diablo Cuando Se Aburre… (“Wanneer de duivel zich verveelt, vermoordt hij vliegen met zijn staart”) wordt de titel zeer treffend verklankt met, ik moet het toch weer even gezegd hebben, een fantastische bassolo, ditmaal door Strandberg.
Joy is zeer lichtvoetig. Naast de jazzy benadering klinkt er veel folk door in het speelse thema. Dan volgt Plowman of the Sky, een soort muzikaal toneelstuk in zes bedrijven. Het nummer is gebaseerd op het verhaal van Antoine Saint Exupery, waar een paar jaar geleden de Hongaarse band Yesterdays al een compleet album aan wijdde. De titel van deze track refereert aan de condenssporen van een vliegtuig in de lucht. Het nummer begint rustig jazzy met zang van toetsenist Alessandro di Benedetti in de rol van de piloot. Het tweede bedrijf is nog rustiger, folky, bijna klassiek, met de breekbare zang van Paula Pörsti (dochter van) in de rol van het kind, een gitaarsolo en fluit. De overige bedrijven zijn instrumentaal en zijn afwisselend licht funky en ingetogen klassieke folk.
Wonder If I’ll Be wordt gezongen door John Wilkinson, geen onbekende in het Samurai Of Prog- universum, met zijn karakteristieke stem. Het nummer gaat over de onbeduidendheid van ons levende individuen in relatie tot de grootsheid van het universum, en heeft een lichte funky benadering. Zo geeft Pacha bij elk nummer een leuke toelichting over de achterliggende gedachte van de compositie.
De overige tracks zijn instrumentaal. Omdat spectaculair instrumentaal spel en catchy melodieën ontbreken en de algehele benadering lichtvoetig en ingetogen is, dreigt de aandacht van uw recensent een beetje af te dwalen tijdens de beluistering. Wanneer je het album in zijn geheel beluistert, kun je ondanks een aantal fraaie passages en instrumentaal spel diezelfde conclusie trekken.
Hoewel Neal Morse onverdroten elk jaar albums uitbrengt, was een album van NMB (Neal Morse Band) alweer even geleden. In 2021 recenseerde ik “Innocence & Danger”, een dubbelalbum waar ik zeer te spreken over was. Met name de frisheid van de muziek kon mij bekoren. En ook op het nieuwe album L.I.F.T. is die frisheid gelukkig weer te vinden. Naast uiteraard de krachtige, aansprekende en zwaar symfonische composities. Dat betekent overigens niet dat Morse c.s. iets nieuws doen op dit album. Maar bijgestaan door topmuzikanten als Mike Portnoy (drums), Eric Gilette (gitaar) en Bill Hubauer (toetsen) komt Morse weer met een kwaliteitsalbum.
Met de terugkeer van Mike Portnoy bij Dream Theater was het afwachten of er nog een nieuw album van NMB kon worden gemaakt en zo ja, wanneer. In april 2025 kwam de band bij elkaar toen Portnoy onverwacht tijd kon inruimen. Zoals zo vaak is L.I.F.T. een conceptalbum, al blijft vaag waar deze letters naar verwijzen. Dat is volgens het begeleidende schrijven ‘aan de luisteraar’. Duidelijk is wel dat we de reis volgen van iemand die op zoek is naar een plek die groter is dan hijzelf. Morse out tekstueel ruim en graag uit de bronnen van het christelijke geloof. Maar gelukkig doet hij dat niet prekerig. Mede door het thema doet L.I.F.T. niet alleen denken aan eerdere albums van NMB, maar zeker ook aan “Snow” van Spock’s Beard.
L.I.F.T. is een klassiek NMB album. Daarmee bedoel ik dat het album aftrapt met de ouverture Beginnings. Verschillende muzikale thema’s van het album worden samengebracht. Het nummer is heerlijk symfonisch en herkenbaar. Elke muzikant krijgt al even de tijd om zijn kunnen te laten horen. Deze song loopt uit in het energieke Fully Alive, dat als eerste single is uitgebracht. Dit nummer geeft een goede indruk van het nieuwe album. Tof hoe weer gebruik wordt gemaakt van de verschillende zangers. Heel gaaf vind ik hoe de krachtige instrumental Gravity Grip uitloopt in het dampende Hurt People. Dit vind ik Morse en zijn kompanen op hun best. Krachtige en appellerende muziek met een prachtig muzikaal stuk.
In The Great Withdrawal en Shame About My Shame zijn heerlijke gitaarsolo’s van Eric Gilette te horen. In dat laatste nummer zijn ook veel bekende gospelinvloeden. Reaching laat weer fraaie meerstemmige zang, Yes-invloeden en uptempo rock horen. Carry You Again brengt op de typische Morse manier gospel, prog en pop samen.
Fully Alive part 2 is een soort van overgangsnummer naar het slot. Ik vind met name het tweede deel van dit nummer sterk, met een mooie toetsensolo van Morse en een instrumentale finale waarin ook motieven van Hurt People in terugkomen. Een herkenbaar eind wordt gevonden in Love All Along. Dit nummer van ruim elf minuten doet denken aan de slotnummers van eerder werk waar symfo en gospel hand in hand gaan. Ik vind het mooi hoor, maar heb nu wel een beetje het gevoel van ‘dat heb ik eerder gehoord’.
Hoe dan ook, ik vind L.I.F.T. een goed album waarbij iedereen die de muziek van Morse en zijn vrienden kan waarderen zijn hart aan kan ophalen. Bovendien is er genoeg afwisseling en is het sowieso een genot om naar muziek van dergelijke klasbakken te luisteren. Ik vind het een overtuigend album, maar wel met de kanttekening dat met een minder voorspelbaar slot mijn oordeel nog wat hoger was uitgevallen. Om het te duiden: behoorlijk beter dan bijvoorbeeld het album met The Resonance, maar wel net onder het niveau van “Innocence & Danger” en Cosmic Cathedral.
Siiilk is een Franse progressieve rockband uit Lyon die in 2010 werd opgericht door een drietal enthousiaste progressieve rockmuzikanten: Richard Pick op zang en gitaar, Gilbert Gandil op gitaar, en Jacques Roman op de toetsen. Deze mannen zijn de voormalige bandleden van de band Pulsar, die ergens in het eerste decennium van deze eeuw ter ziele ging. Die band produceerde vanaf 1975 zes langspelers. En hoewel het ooit begon als een rhythm en bluesband, veranderde de stijl later in symfonische rock, space-rock en psychedelica met klassieke invloeden. De muziek kenmerkte zich met uitgebreide stukken, atmosferische toetsen (mellotron, Moog), fluit en gelaagde structuren. Het hoeft geen geheim te zijn dat de Fransen zich sterk hebben laten inspireren door de tijdgenoten van Pink Floyd. Waardering voor de band was er veel; het album “Halloween” uit 1977 scoorde op Prog Archives een 4.03, een respectabel cijfer voor die tijdsgeest.
Dan de nieuw opgerichte versie van de band. De hoes van het album is ontworpen door de Franse kunstenaar Kawiiik en dat biedt gelijk voer voor speculatie over de naam van de band. Hoe en waarom wordt eigenlijk niet duidelijk, behalve het feit dat de band de expressieve uitingen van Kawiiik in de muziek vertolkt, inclusief de spirituele en oosterse elementen. En dan met name de Tibetaanse of Aziatische spiritualiteit, aangezien “Lhassa” de hoofdstad is van het boeddhisme, en de stad waar de Dalai Lama zetelt.
Het debuut van deze band is vooral een diepgaande reis door de muzikale ervaringen die de bandleden hebben opgedaan in hun carrière. We krijgen verschillende vormen van progressieve rock voorgeschoteld, en dan in de essentiële zin van het genre. We krijgen een rijk pallet aan rock, inclusief een veelvoud aan inheemse instrumenten, maar ook traditionele instrumenten als akoestische gitaar, mellotron en dwarsfluit. Heerlijke Gilmouriaanse gitaarberoeringen van gitarist Gilbert Gandil, veelvuldige instrumentale passages, maar ook verschillende blaasinstrumenten als de tuba, trombone en klarinet. Belangrijk voor de beleving: je kan heerlijk wegdromen in de muziek vol progressieve diepgang. Van tijd tot tijd is de muziek zelfs wat filmisch, zoals het instrumentale Midlife Crisis: een dromerige gitaarsoundscape met Floydiaans gemoed, trompet en fragiele toetsen; minimalistisch maar wonderschoon.
De akoestische gitaar bepaalt vaak het geluid van de band, zo ook in Between. Het is het langste nummer van de cd met een speelduur van bijna zeven minuten. De elektrische gitaar en de toetsen nemen al snel het heft in handen, maar dat is geen minpunt. Je vindt sowieso heerlijke gitaarsolo’s van Gilbert Gandil op deze plaat. De verschillende tempowisselingen en de afsluitende Armeense duduk maken het nummer af. Daarmee is het een ijkpunt in het genre progressieve rock met inheemse invloeden.
Het is een inkoppertje, maar de titelsong is het voorbeeld van hoe deze band de Tibetaanse muziek en met name de inheemse instrumenten omarmd heeft. Subtiel en verfijnd, want uiteindelijk trekken de akoestische gitaar en de drums de hoofdrol naar zich toe. Een heerlijke solo van de elektrische gitaar. En naarmate je de cd luistert en analyseert, kan het zomaar zo zijn dat je steeds meer bewondering voor Gandil ontwikkelt. Hij etaleert een breed spectrum aan gitaarspel. De ene keer schurkt zijn spel tegen de blues aan, de andere keer merk je dat hij veel naar David Gilmour heeft geluisterd.
Zanger Richard Pick heeft een typisch Frans accent, wat voor enkelen wellicht storend kan zijn, maar naarmate je het vaker hoort krijgt het iets familiairs. Het voelt als thuiskomen in de muziek van deze band, waardoor het een bijzonder karakter krijgt.
De band eindigt de cd op grootse wijze met een brassfestival van blaasinstrumenten in Wladyslaw’s Marching Band, met in de hoofdrol de basklarinet, de hoorn, tuba en trompet. Vooral de basklarinet is bepalend voor het geluid. Het levert een bijzondere beleving op. Dat instrument vinden we zelden binnen de progressieve rock, en hier grijpt het gewoon de hoofdrol! Ook het harmonium dat later aanhaakt zorgt voor een bijzonder vervolg, om maar niet te spreken van het blazersensemble dat de track afsluit. Prachtig.
Met het album creëert de band een goede basis voor Progwereld om het overige werk van Siiilk eens te ontdekken!
De Franse band Siiilk heeft op de een of andere manier nooit de burelen van Progwereld bereikt. Dat is opmerkelijk, want het label Musea Records is binnen de wereld van de prog en de bijbehorende marketing bepaald geen onbekende. Zonder onszelf al te veel op de borst te kloppen: we hebben ons persoonlijk ingezet om deze Franse band alsnog onder de aandacht te brengen. En dat is meer dan terecht, want Siiilk verdient het om eens vol in de schijnwerpers te staan. Mooi meegenomen is dat dit naadloos aansluit bij ons eigen jubileum in het jaar 2026, waarin wij 25 jaar bestaan. In dat bestaan is Siiilk ontstaan en uitgegroeid tot de band die ze nu is.
Siiilk presenteert dit album in 2017, vijf jaar na het debuut “Way to Lhassa”. Net als op die cd presenteert de band zich als een kundige formatie waarin de liefde voor progressieve rock centraal staat. Stevige tempowisselingen, scheurende gitaarpassages of rochelende orgelpijpen zal je op dit album niet vinden. Er is namelijk veel aandacht voor balans, melodieuze aanpak en soms minimalisme. De band is ten opzichte van het vorige album intact gebleven, hoewel er wel een bandlid is toegetreden: zangeres Catherine Pick, die ook het Indiase harmonium en de toetsen hanteert.
Het zijn vooral dromerige tracks die je in een reis om de wereld meenemen. Er zijn veel inheemse instrumenten te horen, van een Indiaas harmonium tot aan een tabla (een Indiase keteltrommel, deels van aardewerk, deels van hout) en een dobro. Drifting Words is zo’n nummer waar die bijzondere sfeer wordt gecreëerd. Niet de drums bepalen hier het ritme, maar de genoemde tablas. Hier vind je ook sfeervolle mellotron en de dromerige gitaar van gitarist Gilbert Gandil. Zijn gitaarsolo in combinatie met de tablas aan het einde zorgen voor een bijzondere beleving van oosterse muziek.
Het aanhaken van Catherine Pick is duidelijk aanwezig binnen de muziek van Siiilk, en dat kan je positief opvatten. In de meeste tracks ondersteunt zij Richard Pick op het gebied van de vocalen, en een enkele keer pakt ze zelfs de hoofdrol. Naast de zang hanteert zij dus ook het Indiase harmonium, en voegt daarmee een bijzondere gimmick aan de muziek toe. Haar aandeel is net zo evenwichtig als de muziek van de band, lieflijk en rustig. Haar stem doet voorkomen alsof je naar een jonge vrouw luistert, maar als ik het moet inschatten is zij net als de heren toch ruim in de zestig. Een klein hoofdrolletje krijgt ze zelfs in Merging, wat door het minimalistische aspect getypeerd mag worden als charmant: akoestische instrumenten en de stem van Catherine Pick met op de achtergrond een kabbelende elektrische gitaar. De onderlinge relatie tussen deze twee personen ontdekken we overigens in het interview wat we hadden met Richard Pick.
De titeltrack Endless Mystery en Black Old Train doen de hoogtijdagen van Pulsar herleven; je kan duidelijk de invloed van de vorige band herkennen. Als je de band over de drie verschillende albums analyseert, kom je al snel tot de conclusie dat men een voorliefde heeft voor muziek waarin de akoestische en elektrische gitaar met elkaar duelleren. Nee, duelleren is niet het juiste woord, samenwerken kan je het beter noemen. Questions is daar een goed voorbeeld van.
Waarschijnlijk de meest fascinerende song die de band heeft geproduceerd is Green Boy. Mysterieuze zang, Indiaas harmonium, klarinet en Floydiaans gitaarspel zorgen voor een melancholisch en emotioneel beladen reis. De piano die halverwege zijn intrede doet, zorgt samen met de akoestische gitaar voor een diep beladen beleving. De klarinet wordt gehanteerd door Roland Richard, bandlid van Pulsar, waar Siiilk is uit voortgekomen.
Al eerder genoemd: ik vermoed dat de echte liefhebber van progressieve neo-prog deze band ooit wel eens is tegengekomen of er wellicht iets van heeft gehoord. Toch is Siiilk in mijn beleving nooit echt doorgedrongen tot de progrockscene in Nederland. Ik voel het dan ook als een morele plicht de band nader te introduceren, want een band die zo goede muziek maakt, mag simpelweg niet ontbreken op onze site. Bij deze dus de goedmaker aan de Fransen!
De Franse band Siiilk kampt een beetje met een bekendheidsprobleem. Hoewel de band al lange tijd bestaat (zeker als je ook de voorgeschiedenis van Pulsar meerekent), lukt het ze maar niet door te dringen tot het grote progpubliek. Geheel onterecht, want met dit album levert de band opnieuw een bijzonder sterk werk af. En het is alweer het derde fijne album in het oeuvre!
Op het vlak van personeel is er weinig veranderd anno 2022. Drummer Attilio Terlizzi is vervangen door Clément Vullion, al heeft Terlizzi nog steeds een klein aandeel in het geheel: hij verzorgt de drums op het nummer Spandam. Muzikaal speelt de akoestische gitaar de hoofdrol, en dan in verschillende verschijningsvormen, wat het album een rijk en gelaagd karakter geeft.
De band heeft drie jaar gewerkt aan dit conceptalbum. Het vertelt het verhaal van een fictief volk dat gevangen zit in een eindeloze oorlog. Tegelijkertijd neemt het verhaal de luisteraar mee op een gevoelige en wonderlijke reis door de tijd, waarin rituelen, vragen over liefde, onbereikbare zoektochten en momenten van introspectie centraal staan.
Inheemse en oosterse klanken leiden je op rustige wijze het album binnen. Het ademt een sfeer van ultieme ontspanning: muziek voor op de bank, in een luie stoel, of liggend in bed. Eemynor, Pt. 1 vertoont kenmerken van landgenoten Klone. Siiilk blijft ver weg van de progmetal van Klone, maar de track deelt dezelfde sfeer en vibe. Eemynor, Pt. 2 wordt verrijkt door het bluessy gitaarspel van Gilbert Gandil en de fragiele vocalen van Richard en Catherine Pick. Onheilspellend klinkende windgeluiden sluiten dit tweeluik passend af. De connectie met Pink Floyd is al vaker genoemd, en ook hier dient die vergelijking zich opnieuw aan. Signs in the Sand, Pt. 1 wordt gedragen door het markante baswerk van Guillaume Antonicelli en de slepende, bezwerende drums van Vullion, die samen een gelaagde, atmosferische spanningsboog creëren. Naast de onmiskenbare echo’s van Pink Floyd sluimert ook de invloed van Steven Wilson nadrukkelijk door in het geluid.
Mijn allereerste kennismaking met Siiilk kwam via een Spotify-suggestie: het nummer Spandam. Dat nummer geeft dan ook een uitstekende indruk van wat je kunt verwachten. De afwisseling tussen elektrische en akoestische gitaar, de verfijnde en smaakvolle melodieën, en de typerende zang van Richard Pick met zijn herkenbare accent. Dit kenmerkt het geluid van de band. Nu wordt er binnen de muziek van Siiilk ook vaak gebruik gemaakt van diverse toetsen en inheemse instrumenten. In Spandam blijft dat wel iets meer op de achtergrond, maar dat is bijzaak. Spandam blijft een goede introductie tot de wereld van Siiilk.
Zangeres Catherine Pick is inmiddels volledig geïntegreerd binnen de formatie, en dat mag gerust een verrijking worden genoemd. Net als Richard heeft zij een rollend Frans accent, daar moet je als luisteraar enigszins tegen bestand zijn. Maar met haar geluid tilt zij Burning Hopes naar een hoger niveau. Haar zang klinkt oprecht en gevoelig; het komt echt binnen. Hetzelfde geldt voor Morning Rain, een verschrikkelijk mooi duet tussen Catherine en Richard, met zwoele en tedere zang van Catherine, naast akoestisch gitaarspel en het klarinetgeluid van gastmuzikant Roland Richard.
Monsoon Lights roept het beeld op van een verblijf in de Indiase bergen, al is dat niet het hele verhaal. Een Iraanse daf, een traditionele handtrommel, voegt een uitgesproken Midden-Oosterse sfeer toe. Het duet tussen Catherine en Richard maakt opnieuw indruk en zorgt ervoor dat je vervolgens moeiteloos kan wegdromen.
Song for Syd is een ode aan voormalig Pink Floyd-gitarist en -zanger Syd Barrett. Zowel zijn geestestoestand als zijn genialiteit komen aan bod. Het is een wonderschoon nummer dat doet denken aan No-Man of No-Sound, compleet met een karakteristieke Floydiaanse gitaarsolo. Minimalistisch en tegelijkertijd prachtig sfeervol.
Het instrumentale Number 9 sluit het album op experimentele wijze af. Het is een klanklandschap van elektronische invloeden, waarin gesprekken via walkie talkies verweven zijn met een door toetsen gedomineerd ritme. Is dit een voorproefje van de toekomst van Siiilk of een introductie tot een nieuw geluid? Hopelijk krijgen we daar snel antwoord op.