Na een afwezigheid van veertien jaar is de legendarische Amerikaanse fusiongitarist Eric Johnson weer eens te bewonderen op een Nederlands podium. Ditmaal is Poppodium Boerderij in Zoetermeer de plaats van handeling, evenals in 2012. De geboren Texaan speelt wel geregeld live, maar doet dat bij voorkeur in zijn geboorteland. Slechts zelden maakt hij de trans-Atlantische oversteek. Als dat dan gebeurt, dan is dat ook bijna een garantie voor een volle bak. De gitarist kan rekenen op een grote en trouwe schare fans die geen kans onbenut laten om hem in levenden lijve te aanschouwen. Ook deze avond zijn ze er weer, ruim zevenhonderd fanaten waarvan ongetwijfeld een behoorlijk deel zelf ook de snaren beroert. Voor wie de muzikant niet kent: hij beheerst een veelheid aan stijlen: rock, blues, jazz fusion, soul, folk, new-age, klassiek en country. Johnson heeft gespeeld met onder andere Steve Vai en Joe Satriani in de befaamde G3-samenstelling, en heeft een ongekende status binnen de gitaarwereld.
De Texaphonic Tour 2026 is een lange tournee met een afschuwelijk schema: in iets meer dan een maand vinden 26 optredens plaats, kriskras door Europa, beginnend op 1 juli in Maastricht en eindigend op 4 augustus in het Verenigd Koninkrijk. Ga er maar aan staan. Om exact half negen neemt de show een aanvang. Onder luid applaus van het publiek betreedt het trio het podium van de Boerderij.

Openingsnummer Righteous is een vette Texasblues die direct de toon voor de avond zet. De fans reageren superenthousiast. Ze zijn dan ook in grote getalen opgekomen, de show is volledig uitverkocht. Forty Mile Town is een van de weinige vocale nummers; hij zou er maar vier spelen deze keer. Het heeft een laid-back feel met veel ruimtelijke akkoorden en een fretloze bas, de fusion druipt er vanaf. Tijdens Caravan, een Duke Ellington cover, staat de bas helaas veel te hard. Het doet afbreuk aan de geweldig bassolo van Daniel Kimbro. S.R.V. is afkomstig van “Venus Isle” uit 1996, de meeste nummers, vijf in totaal komen van “Ah Via Musicom” uit 1990.

Na het vocale Friends gaat het jasje uit en volgt een blokje akoestische nummers. De elektrische Fender Stratocaster wordt vervangen door een akoestisch exemplaar. Johnson en Kimbro nemen elk plaats op een krukje. Achtereenvolgens Resolution, Abelia en Chester, een eerbetoon aan de legendarische Chet Atkins met een forse dosis country picking, worden gevolgd door een bassolo op fretloze bas. Daarna worden we nog getrakteerd op akoestische versies van Once Upon a Time in Texas en Song for George. “In D, niet E flat zoals gisteren”, berispt de gitarist zijn baskompaan, quasi-boos.

De rode Gibson Les Paul komt uit de coulissen voor de relaxte jazzy tonen van Stella by Starlight, een cover van een Victor Young-nummer. Na een drum- en basintro is het de beurt aan E Flat Blues, een vette blues-shuffle in de trend van ZZ Top. Nog meer blues met Trueheart Blues, een luie variant, waarin Johnson soepel schakelt tussen meerdere geluiden op zijn gitaar, zijn handelsmerk. Het rockende No Name (Blues Jam) wordt gevolgd door de country and western-stijl van Steve’s Boogie, waarvoor Johnson zijn vertrouwde Fender weer van stal haalt.

On Green Dolphin Street, het origineel is van Bronislaw Kaper, biedt ruimte aan zijn trouwe secondanten op drums en bas om los te gaan op hun instrument. Beiden krijgen tijd voor een uitgebreide solo. Het vocale Desert Rose herbergt een virtuoze solo van de gitarist. Dan zet de Texaan aan voor een ongekend stukje sologitaar. Het hele arsenaal komt voorbij (misschien iets te lang), wat uiteindelijk zal uitmonden in het iconische Cliffs of Dover, met afstand zijn meest bekende nummer en goed voor een Grammy.

Na een klein anderhalf uur is het gedaan met de pret, maar niet nadat er nog een tweetal (korte) toegiften worden gespeeld. Als eerste wordt Zap gespeeld. Voor deze boogie bespeelt Johnson een vuurrode Fender Strat, waarna het laatste nummer van de avond volgt in de vorm van Bold as Love (Axis), oorspronkelijk van de hand van een andere legendarische gitarist genaamd Jimi Hendrix. De zangpartij is matig, het gitaardeel is uitermate goed verzorgd. Dan is het echt afgelopen, het drietal neemt dankbaar het enorme applaus van de aanwezigen in ontvangst.

Het visuele aspect is prima verzorgd: caleidoscoop-achtige graphics, geprojecteerd op een groot scherm achter het podium, begeleiden de muziek. Eén springt eruit: de zen-astronaut bij wie twee gitaren uit zijn backpack steken; heel toepasselijk. Het geluid is echter matig en wordt zelfs ronduit slecht als bassist Daniel Kimbro bij het vierde nummer een andere basgitaar omgordt; heel vreemd. Daarna ontstaat een soort van geluidsbrij waar je niet echt gelukkig van wordt. Zo is de zang slecht hoorbaar, na verloop van tijd wennen je oren eraan. Maar waarom bands toch steeds weer die eigen zaalmixer inzetten met een zo slecht resultaat, is mij een raadsel.
De Texaanse gitarist is inmiddels 71 jaar. Uiterlijk lijkt hij veel op je voormalige natuurkundeleraar, inclusief diens haarstijl. Een spijkerbroek, wit shirt en een jasje vormen het podiumtenue. Het trio speelt twintig nummers, een dwarsdoorsnede uit Johnsons oeuvre, plus een aantal covers. De nummers zijn over het algemeen kort en ontstijgen de vier minuten nauwelijks, of het moet zijn dat er een solo in is verwerkt. Na een uur en veertig minuten zit het optreden erop, waarschijnlijk het maximum conform contract. De toerbus draait al warm, de heren worden een dag later alweer in Luxemburg verwacht. Riemen vast!
Ik weet het nog als de dag van gisteren: maandag 6 september 1982 in De Vereeniging in Nijmegen, King Crimson. Fripp en de zijnen hadden een jaar eerder de wereld verbaasd met hun klinische, mathematische, psychedelische, chaotische, maar ook catchy en swingende reïncarnatie van King Crimson met het album “Discipline”. Wij mochten die mix van prog, new wave, Afrikaanse invloeden en virtuositeit aanschouwen in die prachtige zaal in Nijmegen. Het werd een onvergetelijke avond.
45 jaar later staat in een volgepakt en warm 013 in Tilburg een reïncarnatie van deze reïncarnatie, Beat. Over het ontstaan van deze supergroep, coverband, reïncarnatie en waarom misschien wel alle drie de kwalificaties van toepassing zijn op dit kwartet verwijs ik je naar de recensie van collega Marcel Debets van Beat Live van vorig jaar. Voor wie die liveregistratie kent was dit concert in Tilburg geen verrassing. De setlist is exact hetzelfde, wat niet verwonderlijk is. De heren hadden voor die Amerikaanse tour al een afgewogen selectie gemaakt uit het repertoire van die drie iconische albums “Discipline”, “Beat” en “Three of a Perfect Pair”.

Achter op het podium een groot scherm met de afbeelding van ‘The Elephant’. Tijdens het concert werd er slechts gevarieerd met de kleuren van die afbeelding. Het visuele spektakel kwam dan ook van de vier musici op het podium. Je kon je voortdurend vergapen aan het spelplezier, het muzikale vakmanschap en de trukendoos die de heren met regelmaat opentrokken. Levin liet met zijn basgitaren, al dan niet met extended funky fingers, Stick en toetsen alleen al een half orkest horen. Vooral zijn spel op de Stick was fenomenaal. Daarnaast zong hij nog een voortreffelijke tweede stem en lukte het hem om tussendoor nog wat foto’s te maken. Zijn focus tijdens het spelen is ongeëvenaard en met zijn 80 jaar is hij de nestor van dit gezelschap. Belew, 76 inmiddels, oogt nog immer relatief jong en energiek. Het is een genot om te zien hoeveel spelplezier deze man ten toon spreidt. Zijn stem is nog altijd even helder en krachtig, al zit er een beetje sleet op de hoge noten. Zijn gitaarspel is zeer energiek, maar ook uniek met zijn hoge schreeuwende erupties, en altijd een beetje rauwer dan Vai.
Vai (66) en Carey (65) zijn de ‘benjamins’ van dit bandje. Vai behoeft eigenlijk geen introductie. Hij was eigenlijk de enige geschikte gitarist die Fripp kon vervangen. Extreem virtuoos, maar ook een zeer sierlijk en verfijnd gitarist die zijn lange lijnen prachtig kan laten zingen en daar met zijn bewegende armen en mimiek, als een soort slangenmens, een fysieke dimensie aan toevoegt. Het mooiste voorbeeld daarvan was The Sheltering Sky waarin hij de ijle hoge tonen van Fripp onnavolgbaar reproduceerde, en daarnaast met zwevende gitaar in zijn armen het toonhoogteverloop suggereerde. Rest de vraag hoe Vai de beruchte ‘frippertronics’ zou benaderen. Dat deed hij uiterst nauwgezet, maar wel met zijn eigen smeuïge sausje er overheen, waardoor het geluid minder droog en klinisch was in vergelijking met het originele King Crimson. Zijn outfit was van alle vier het meest jaren tachtig: een stijlvolle hoed, een flitsende stropdas en een sjiek, iets te wijd pak, compleet met schoudervulling.
Danny Carey kennen de meesten als de man van het hardere werk bij Tool. Niets daarvan tijdens dit concert. Zijn spel was eigenlijk één grote ode aan het soepele spel van Bill Bruford. Hij gebruikte ook veel rototoms in zijn drumset. En natuurlijk moest de tweede set net als in 1982 beginnen met Carey achter een setje rototoms, later aangevuld met een enthousiaste Belew aan de andere kant van het setje.

Het concert opende zeer toepasselijk met vier tracks van het album “Beat”. Aan het eind van Sartori in Tangier merkte Belew droogjes op: “we dachten: laten we eerst de makkelijke songs doen”, met uitbundig gelach uit de zaal als resultaat. Daarna was het tijd voor een flink blok “Three of a Perfect Pair”. Mooi baswerk en gitaarspel in Model Man en een heerlijke gitaarchaos van Belew, in samenwerking met de drums van Carey in Dig Me. De chaos in dit nummer werd opgevolgd door een prachtig refrein met een mooie tweede stem van Levin. Industry werd gevuld met soundscapes op de gitaren van Vai en Belew, die tevens een soort sound modulator gebruikte. Mooi hoe de heren uiteindelijk allemaal op dezelfde toon uitkwamen die Levin al gedurende het hele nummer als een ostinaat speelde op de toetsen.
Larks’ Tongues in Aspic (Part III) bestond veelal uit een onnavolgbare, bijna vocale solo van Vai, waar Belew op zijn eigen manier nog een fraaie gitaarsolo aan toevoegde. Na zo veel muzikale energie en extremiteiten, ook wat betreft temperatuur, was het tijd voor een (drink)pauze.

Na ongeveer twintig minuten kwam de band terug met het drumduet van Carey en Belew, uitmondend in Waiting Man. Het gitaarspel van Vai gaf dit nummer een Afrikaanse vibe, mede door het veelvuldig gebruik van de rototoms door Carey, terwijl Belew er een geweldige gitaarsolo uitperste. Het ingetogen en lang uitgesponnen Sheltering Sky werd door Carey voorzien van subtiel drumwerk. Sleepless daarentegen werd gekenmerkt door het furieuze basspel van Levin met zijn extended fingers die daarmee zijn collega’s en het publiek op sleeptouw nam.
Daarna werd er gas teruggenomen met Frame by Frame. De nerveuze ‘frippertronics’ werden door Vai fenomenaal gespeeld met zijn ‘finger tapping’-techniek. Bij dit nummer had Belew hoorbaar moeite met de hogere tonen, terwijl Levin een fraai staaltje melodieus Stick playing ten beste gaf. In het eveneens rustige, relaxed dobberende Matte Kudasai liet Belew schitterende ijle gitaartonen horen, alsof er meeuwen door 013 vlogen.
Het bevlogen Elephant Talk blijft een heerlijk curieus nummer met die olifantgeluiden uit Belews gitaar en zijn bezeten zang. Three of a Perfect Pair kreeg in alle opzichten een schitterende uitvoering. Hetzelfde gold voor Indiscipline waarin Carey een knappe drumsolo speelde over de onverstoorbare bas van Levin. Over de georganiseerde muzikale chaos, met een ontketende Vai, strooide Belew een soort domineepreek uit, waarna het nummer én het concert plots werden afgesloten met de iconische uitroep: “I like it”. En dat deden we!

Het publiek nam daar echter geen genoegen mee en de heren kwamen na een luid en lang applaus en gefluit terug voor Red. Nadat Belew zijn respect voor Robert Fripp en Bill Bruford had betuigd via een bedankje, kondigde hij dit nummer aan als “a song from their other band”, een nummer dat King Crimson destijds in 1982 ook al tijdens het concert speelde en dat deze bezetting op het lijf geschreven lijkt. Uiteindelijk perste de band het laatste restje zweet uit de toehoorders met het opzwepende Thela Hun Ginjeet. Dit nummer was in zijn originele titel (Heat in the Jungle) wel heel erg van toepassing op deze tropische avond in Tilburg.
De band nam zichtbaar tevreden afscheid van het publiek dat in opperste verbijstering over zoveel muzikaal spelplezier en vakmanschap huiswaarts keerde. Wie had ooit verwacht deze muziek nog eens, in welke bezetting dan ook, met zoveel respect voor het origineel live te mogen aanschouwen?
Steve Hackett is weer eens in het land. De tour heet ditmaal ‘Best of Genesis & Solo Gems’. Kijk, dat doet een proghart sneller kloppen. Ik weet het, de man treedt vaker op, heel vaak zelfs. En hij doet daarbij evenzo vaak Nederland aan. Maar iedere keer weet de levende legende weer volle zalen te trekken, zoals ook dit keer in de Zoetermeerse progtempel Poppodium Boerderij. Twee keer achter elkaar zelfs dit weekend. Beide keren stonden er lange rijen buiten het theater om een plekje binnen te bemachtigen. De begeleidingsband was ditmaal op twee plaatsen gewijzigd: de Duitse drummer Felix Lehrmann, bekend van onder andere The Flower Kings, heeft het stoeltje van Craig Blundell overgenomen.
De tweede vervanging gold de vaste toetsenist sinds decennia en bovendien ook de musical director: Roger King. Die had enigszins verrassend zijn vertrek aangekondigd en werd vervangen door de Zweedse toetsenist Lalle Larsson, eveneens bekend van The Flower Kings, maar ook van Karmakanic en Agents of Mercy. Beide musici zouden nauwelijks onderdoen voor hun befaamde voorgangers, maar daarover later meer. Zoals vooraf aangekondigd zouden Hackett en de zijnen voor de pauze zijn solowerk ten gehore brengen en na de pauze de overbekende Genesisnummers, en zo geschiedde.

Om half negen precies klinken de dreigende tonen van The Devil’s Cathedral door de volgepakte zaal. De ogenschijnlijke muzikale chaos en daaruit ontstane kakofonie wordt door de fans enthousiast begroet. Dat geldt nog in hogere mate voor het uit 1978 daterende Every Day, voorafgegaan door een introductie van de band door Hackett. De heroïne-song met vierstemmige zang en solospots voor zang en gitaar gaat erin als koek. Dan volgt een noviteit: een nummer van het nog uit te brengen nieuwe studioalbum waaraan momenteel hard gewerkt wordt met onder andere een orkest. Dat laatste is goed te horen: The Sea Inside kent een zwaar orkestraal arrangement, maar de rocksong heeft ook solozang en gitaarwerk van de meester zelf.

Ace of Wands is op zichzelf al een snel nummer, maar krijgt nu wel heel veel tempo mee. De piccolofluit en saxofoon van Rob Townsend verliezen het nipt van de geweldige extralange toetsensolo van Lalle Larsson, die voor het eerst van zich laat horen. Publieks- en persoonlijke favoriet Spectral Mornings krijgt de zaal direct plat. Hier klinkt een schitterende versie van het prijsnummer van het gelijknamige, in Hilversum opgenomen album uit 1979, mede dankzij de dwarsfluit van Townsend.

Camino Royale uit 1983 is het volgende nummer op de setlist. Rob Townshend verzorgt een heerlijke jazzy solo op zijn tenorsaxofoon. Het is alsof je in de Blue Note zit. Een knipoog naar de zojuist overleden Sonny Rollins? Hackett zelf maakt het karwei af met een voor zijn doen ongekend wilde, bluesy gitaarsolo. Het einde van het ‘Solo Gems’-gedeelte wordt gevormd door het laatste, instrumentale deel van Shadow of the Hierophant, eindigend in een enorme climax met sax en baspedalen. Dan is het tijd voor een pauze van ongeveer twintig minuten.
‘Best of Genesis’: geen slechte titel voor het tweede deel van de show. Wederom dreigende tonen, ditmaal van Watcher of the Skies, met een grote rol voor Larsson. Dancing with the Moonlit Knight is speelser, en vormt een mooi contrast met de opener. Veel gitaar, zowel zes- als twaalfsnarig in The Cinema Show, met ruimte voor solo’s op saxofoon en vooral toetsen, met een formidabele Lalle Larsson. Het nummer loopt naadloos over in Aisle of Plenty, waarna Lalle mag laten horen waarom hij door Steve gekozen is om Roger King te vervangen. Zijn piano-improvisatie, met stukjes Selling England erin verwerkt, is fabelachtig. Zijn spel heeft meer weg van Wakeman dan van Banks, vloeiend en virtuoos, 750 man zijn zo stil als een muis.

De solo loopt als vanzelf over in Firth of Fifth, het Genesis-nummer waar Hackett nadrukkelijk zijn handtekening op heeft geplaats. Het ontlokt hem de uitspraak ‘amazing stuff’. Het publiek is het volledig met hem eens. Het ruim twintig minuten durende magnum opus Supper’s Ready sluit dit deel van de show af. ‘Perfect for a single’ is Hackett’s droge Engelse commentaar. De bandleider stopt steeds meer kleine improvisaties in zijn gitaarspel. Ook een eervolle vermelding voor Nad Sylvan. Hoe sommigen diens stem toch kunnen vergelijken met die van Peter Gabriel is mij een raadsel, maar dit doet hij uitstekend. Het dak gaat eraf.

De toegift start met Dance on a Volcano. Veel rook en rood licht, het volume gaat omhoog. Felix Lehrmann krijgt de kans zijn kunsten te vertonen tijdens een korte drumsolo die overgaat in een stukje Slogans en het onvermijdelijke Los Endos. Een minutenlang applaus is het verdiende loon van de zes muzikanten op het podium na ongeveer anderhalf uur optreden.

Het valt op dat Steve’s stem iets zwaarder is dan normaal. Hij ziet er ook iets ouder uit, de lijnen in zijn gezicht zijn goed zichtbaar. Zijn gitaarspel is echter nog steeds ongeëvenaard. De kenmerkende zwevende, bijna spookachtige toon is nog steeds aanwezig. Het geluid is sowieso prima, de lichtshow mag zelfs als uitstekend worden beoordeeld. Het publiek reageert uiterst enthousiast. Een aantal aanwezigen is er tweemaal bij en luistert naar een minimaal aangepaste setlist. Ook opmerkelijk: een aantal zogenaamde fade-outs in plaats van abrupte eindes.
We hebben het al vaker gezien, vaker gehoord ook, niets nieuws onder de zon, maar elke keer weer levert Hackett topkwaliteit. Hoe lang gaat-ie nog door? Onbekend, maar ik zal er weer zijn de volgende keer, net zoals het gros van het publiek deze avond.
Als je mij zou vragen welk album uit de lange geschiedenis van de zogenaamde ‘Krautrock’, de Duitse progscene in de jaren zeventig, mij het meest voor de geest staat, dan zou mijn antwoord zijn: “Rockpommel’s Land” van de Duitse band Grobschnitt. Het album kwam uit in 1977, had een hoes in de stijl van Roger Dean en combineerde de muziek van Yes, Genesis en andere tijdgenoten in een heerlijk klinkend conceptalbum vol klassieke symfonische rock, over de reis die hoofdpersoon Ernie zou maken met zijn kompaan, een grote vogel.

Grobschnitt maakte een tiental studio albums tussen 1972 en 1989 en gaf de geest in 2012. Er waren nog wel wat reünies, maar eigenlijk was de band zelf al ruimschoots overleden. Totdat enkele jaren geleden de oorspronkelijke zanger, Toni Moff Mollo, de muziek van de groep afstofte en een band oprichtte onder de naam Rockpommel’s Band, in verband met een rechtenkwestie over de oude naam. Maar in alle eerlijkheid had ik niet meer gedacht ooit een live-uitvoering van mijn favoriete album te mogen aanschouwen, totdat de aankondiging kwam van een tournee. Toch stonden ze daar allemaal, met onder meer de al eerdergenoemde Toni Moff Mollo, wiens eigenlijke naam Rainer Loskand is. Plaats van handeling: het podium van de Zoetermeerse rocktempel Boerderij.

Met Deutsche Pünktlichkeit, om exact half negen, sluipt een achttal monniken met maskers en een twee meter lang monster het podium op om Razzia/Powerplay Finale te spelen, kort daarna gevolgd door Du schaffst das nicht! De toon is gezet.

De aankondiging door bassist/spreekstalmeester Milla Kapolke van de integrale versie van “Rockpommel’s Land” die ongeveer vijftig minuten zou duren wordt met oorverdovend gejuich ontvangen door de fans. Het is een klein uurtje genieten. Ik vergeet even mijn plichten als recensent en laat me meevoeren op de tonen van klassieke symfonische rock die de vergelijking met veel beroemdere Engelse tijdgenoten probleemloos kan doorstaan. Heerlijke dubbele gitaarpartijen vloeien in elkaar over, vierstemmige zang, inventieve toetsenpartijen (Moog), knalharde drums en melodieuze/stuwende bas, het was er allemaal. Natuurlijk mag het theateraspect niet ontbreken: diverse intermezzo’s met verklede roadies tijdens Stoney Dance en de Big Bird aan het einde. Het is één groot feest. De aanwezigen belonen de band met een hartstochtelijk applaus, waarna een pauze van ruim twintig minuten de heren musici maar ook het publiek de kans geeft om even op adem te komen.

Na de pauze is Duits de voertaal met als opener Vater Schmidts Wandertag (Heute ist ein schöner Tag), de moderne melodieuze rock van Wie der Wind van “Jumbo” uit 1976 met ditmaal Toni Moff Mollo’s galmende solozang. Het instrumentale Sous le tapis (‘we spreken geen Frans’), is hard, snel en punky, Könige der Welt daarentegen begint met kinderstemmen en heeft een maatschappelijk geëngageerde tekst.

Solar Music (Sonnentanz-versie) is het volgende muziekstuk op het menu. We krijgen nog een stukje Grobschnitt Wortschatz voorgeschoteld met Wopedidada. Maar er is vooral ruimte voor iedereen om uitgebreid te soleren, met een hoofdrol voor jongste lid Kevin Hollmann met een geweldige extra lange gitaarsolo. Het theatergebeuren wordt niet vergeten: wat te denken van een als Ku Klux Klan uitgedoste figuur met kerstboomlichtjes, een drietal priesters, een heus zwaardgevecht (lichtsabel!) tussen twee monniken, en een behoorlijke portie vuurwerk. Solar Music (het laatste stuk van de 1974-versie) sluit dit deel af met o.a. een Camel-achtig gitaarstuk, waarna het al eerder genoemde enorme monster de lichtjes op het toneel dooft. Einde tweede akte. Maar niet het einde van de show, integendeel.

Toegift Mary Green, ook wel de ‘coffee shop song’, bevat de introducties van band en roadies. Mary zelf komt nog even langs met een gigantische spliff. Space Rider, met Toni als fake rocker, is de laatste toegift. Een minutenlange staande ovatie is de terechte beloning na bijna drie (3) uur spelen.

Voor mij persoonlijk waren de gitaarduetten/-harmonieën het absolute hoogtepunt, met beide gitaristen, Manu Kapolke (zoon van) en de al eerder genoemde Kevin Hollman, op uiterst rechts en links van het podium. Ook zanger Armin Krull is zeker een verbetering. Hij neemt het leeuwendeel van de vocalen voor zijn rekening. De galmende, slecht verstaanbare stem van Toni Moff Mollo komt relatief weinig in het stuk voor, met uitzondering van de finale. Het is een beetje tragikomisch: de oude, lieve, beetje gekke oom die ooit een beroemd zanger was, mag ook af en toe even meedoen.

Met welgeteld acht man op het podium, vijf vooraan, was het soms dringen. Toch ging alles goed. Dat geldt ook voor geluid, licht en de pyrotechnics. De band had zijn eigen personeel meegenomen. Dit was het allereerste optreden ooit in Nederland van Grobschnitt/Rockpommel’s Band volgens bassist Milla Kapolke. Het lijkt erop dat dit wel een vervolg gaat krijgen. De ervaren filmcrew van John Vis was deze avond aanwezig om het gebeuren voor het nageslacht vast te leggen, iets om naar uit te kijken.
Heute war ein schöner Tag.
Ik had er nog nooit van gehoord: Hedvig Mollestad Trio (HM3), maar de beschrijving van de muziek was intrigerend: een volledig instrumentale combinatie van jazz, (prog)metal, psychedelische muziek en stoner. Nou is dat laatste voor mij beslist geen aanbeveling, maar een bezoekje aan YouTube bracht me er toch toe om het aangekondigde optreden van het Noorse trio in Poppodium Boerderij te Zoetermeer niet te willen missen. Een beetje tussen hoop en vrees eerlijk gezegd: het laatste studioalbum is zowel een rijk geschakeerd en gevarieerd stuk muziek als een uiterst vermoeiende bak herrie waarbij je aan het einde naar adem hapt en snakt naar pakweg iets van de Carpenters. “This could be heaven and this could be hell” zongen The Eagles ooit. Op naar Zoetermeer dus, op de eerste warme zomeravond van het jaar. Met mij stonden zo’n 150 geïnteresseerden te wachten op wat komen zou.

Het drietal dat in alle stilte om half negen het podium betreedt is opvallend gekleed: de bassist in een rode glitterjurk, de drummer in een Arsenal-voetbalshirt, en de gitarist/bandleider in een glimmende minirok en hoge laarzen. Opener is een verkorte versie van Four Candles. Het daaropvolgende Approaching doet me sterk aan Led Zeppelin denken. De strijkstok wordt nu voor de drums gebruikt. ”Want some jazz?” is de vraag van drummer Ivar Loe Bjørnstad. We krijgen het tegenovergestelde in Bewitched, Dwarfed and Defeathered, inclusief een veelheid aan dissonanten.

Daarna grijpt Hedvig de microfoon voor de eerste keer. Ze kondigt de integrale uitvoering van het laatste album “Bees in the Bonnet” aan, ik weet dus wat me te wachten staat. See See Bop (let op de woordgrap) heeft wel wat weg van de ZZ Top-gitaarstijl, compleet met zwaaiende armen terwijl Golden Griffin met zijn melodische benadering meer richting Aristocrats en Matteo Mancuso gaat. Itta heeft die typische monotone stonersound gelardeerd met Fripp-achtige loopjes, veel hoge tonen en druk gebruik van de tremolo-arm.

Even tot rust komen met Lamament, dat start met brushes, staande bas en heldere jazztonen uit de gitaar van Mollestad, zoals John Etheridge (Soft Machine) dat zo mooi kan. Het lage tempo is een verademing na al het voorgaande geweld. Los van de komische titel is Bob’s Your Giddy Aunt zo’n typisch HM3-nummer met maf intro à la The Aristocrats, waarna zich een spannende King Crimson-achtige kakofonie ontspint, uiteindelijk resulterend in een metalriff. De volumeknop op 11, naar goed Spinal Tap-gebruik. Het laatste nummer van de meest recente cd, Apocalypse Slow, is een grote bak pokkenherrie. Mollestads gitaar krijst, jankt en gilt, de staande bas doet ook nog een duit in het zakje. Murw gebeukt, dat is wat ik ben na deze complete versie van “Bees in the Bonnet”, maar ook verrast en verwonderd.

Indian Driving biedt volop ruimte voor soli, waaronder een geweldige bassolo in Ding Dong. Op You’re Dead tovert Mollestad etherische klanken uit haar instrument met veel echo en vibrato terwijl Bekken haar contrabas ditmaal met strijkstok bespeelt. Een zwaar overstuurde gitaar in duet met drums in The Rex: ben ik hier getuige van de vrouwelijke Jimmy Page? All Flights Cancelled is een stomende boogie in Jeff Beck-stijl met veel echo en tremolo, plus een dosis finger tapping. Sing, Goddess staat voor zompige heavy bluesrock inclusief duo-act voor twee dames die elkaars instrument kruislings bespelen. Weer die King Crimson-motiefjes, heupwiegend gebracht door het dynamische duo.

Beastie, Beastie betekent heavy metal-herrie door de dames, samen prominent vooraan het podium. Met voor de fijnproever korte fragmenten van Rush (Tom Sawyer) en Deep Purple (Burn). De toegift bestaat uit een cover van het aloude Led Zeppelin-nummer Rock and Roll, de zang (!) komt van Hedvig, haar gegilde vocalen doen aan Geddy Lee denken, haar gitaarspel aan Jimmy Page, in deze rokende versie van het nummer uit 1971.

In totaal speelt het drietal ca. een uur en drie kwartier. Het enthousiaste publiek beloont de band met een groot applaus, het wordt door de dames en heer in dank aanvaard. Het lijdt geen twijfel dat we hier met uitstekende musici te maken hebben met als persoonlijke topper bassist Ellen Brekken. Het gemak waarmee zij haar complexe partijen speelt is bewonderenswaardig. Of het nou de elektrische basgitaar of de contrabas betreft, het vloeit allemaal even moeiteloos en virtuoos uit haar vingers. Complimenten!
Het geluid is snoeihard maar wonder boven wonder goed te horen. Het helpt dat er maar drie muzikanten bezig zijn. Bij tijd en wijle is het geluid werkelijk oorverdovend. Dit zijn van die momenten dat een goede set oordopjes van groot belang kan zijn. Het blijft een moeilijk genre, deze kruising van jazz, metal, psychedelica en prog, ook wel Jazz-Sabbath genoemd. Voor de jazzliefhebbers te heavy, voor de metalheads te soft. Maar feit blijft dat ik me prima vermaakt heb deze avond, heen en weer geschud tussen heaven and hell.
Nee, ik was het niet van plan, ik zou deze keer eens gewoon als anoniem toeschouwer aanwezig zijn bij een concert. Ik had namelijk een unieke kans om een van Nederlands beste progbands, Leap Day, live aan het werk te zien, ver buiten hun natural habitat, in het westen van het land. Ik was dus aanwezig als privépersoon, zonder concrete plannen om te recenseren, met als enig doel genieten van melodieuze progrock uit het hoge Noorden. Het zou anders lopen. Want ondanks alle goede voornemens kruipt het bloed toch waar het niet gaan kan. Langzaam ging het kriebelen en zondagmiddag was ik eruit: ik ging het toch doen. Nou, daar gaat-ie dan maar.

Ik was ruimschoots op tijd aanwezig in de bijzondere locatie die het Parkvilla theater in Alphen aan den Rijn is. De voorbereiding voor Leap Day verliep niet perfect: de soundcheck levert problemen op met de monitoren. Een half uur later dan normaal gaat de zaal pas open. Het is ook wel eens lekker om in het rode pluche, midden in de zaal op de best denkbare plek, een optreden te ondergaan. Een topervaring, ik kan het iedereen aanraden.

Ongeveer honderd man/vrouw sterk is het gehoor op deze zaterdagavond. Het zijn vooral de erkende progfanaten. Het optreden van Leap Day maakt onderdeel uit van een mini-progfestival met louter Nederlandse bands. Eerder die dag zouden Deflexion en The Ceres Phenomenon al spelen. Na Leap Day is het podium voor Profuna Ocean. Hulde ook aan organisator Serious Music Alphen die al jaren het initiatief neemt om support en een podium te bieden aan progbands, met name uit Nederland. Ook sympathiek: een speciaal geprijsd avondticket voor diegenen die de middagvoorstelling niet konden bijwonen.

Maar ik ben gekomen voor de noorderlingen. En die spelen een prima show, direct vanaf eerste nummer Wrinkles. Het geluid is goed. Misschien staat de bas iets te hard, toch is Harry Scholing wat mij betreft wederom de ster van de show met zijn melodieuze spel. Wat een bassist, gezeten op een kruk, in eerste instantie zelfs zonder monitor. Chapeau. Drummer Koen Roozen speelt zijn partijen snaarstrak en vormt samen met Scholing de solide ruggengraat van de band. Nieuwe zanger Roelof Beeftink is zichtbaar een tikkeltje nerveus. Toch is dit niet zijn debuut voor de band: hij was ook al van de partij tijdens het Northern Prog Festival (NPF) in 2025. Beeftink is een duidelijke verbetering ten opzichte van voorganger Hans Kuypers.

Er is opvallend veel solowerk weggelegd voor toetsenist Gert van Engelenburg. Het vuurwerk komt van gitarist Eddie Mulder, als altijd virtuoos en volkomen foutloos. Het harmonieuze samenspel van dit duo en het onderlinge plezier spat van het podium af. Derk Evert Waalkens is over het algemeen de rust en zekerheid zelve, maar tijdens het ruim twintig minuten durende afsluitende epische nummer Pride before the Fall is hij even alles kwijt: zijn zangpartij en toetsenwerk. Het kan gebeuren. Het doet geen afbreuk aan het volledige uur smaakvolle symfonische rock dat de band ons voorschotelt.

Leap Day speelt veel werk van het nieuwe, uitstekend ontvangen album “When Gravity Wins”, met als hoogtepunt persoonlijke favoriet Viral Cage en het eerdergenoemde Pride before the Fall. Natuurlijk zijn er hier en daar wat kleine foutjes te bemerken, maar de band maakt een goede, ingespeelde indruk. Ik heb ook nog wat geleerd deze avond: het epische Pride gaat over de legende van het vrouwtje van Stavoren in Friesland. En ik maar denken dat het over een willekeurig Zuid-Engels havenstadje ging.

De fans belonen de band met een welgemeend applaus. Na afloop van het Leap Day-optreden worden we nog verrast door de aankondiging dat het NPF in oktober van dit jaar wederom wordt georganiseerd, ditmaal in Leeuwarden. Met op het programma het al genoemde The Ceres Phenomenon, het Chileense Aisles, Oekraïner Antony Kalugin’s Karfagen en Leap Day zelf als hoofdact, voor de eerste keer.
Excuses aan de drie andere bands die ongetwijfeld deze avond hun uiterste best deden: helaas geen verslag deze keer.
Poeh, dat was op het nippertje.
Ik had ze al een tijdje niet meer live zien optreden eerlijk gezegd. Dus toen de aankondiging kwam dat ze weer in Poppodium Boerderij zouden spelen, heb ik direct een aantekening in mijn agenda gemaakt. Ik heb het dan over de Britse rockformatie Wishbone Ash, de versie met Andy Powell als bandleider. Want er is ook nog een versie met zijn oude kompaan Martin Turner; de oude vrienden zijn niet meer zo bevriend. Op een aanvankelijk mooie zaterdagavond voeg ik mij in Zoetermeer bij zo’n 400 andere muziekfanaten die zich graag wentelen in de karakteristieke dubbele gitaarmuziek van de heren musici.
Om exact half negen start de band onder luid applaus met de heerlijke groove van het instrumentale Bona Fide. De sfeer zit er meteen goed in. Blowin’ Free komt er direct achteraan. Het iconische nummer van “Argus” wordt opgesierd met een alternatieve solo van oprichter/bandleider Powell. Een paar korte welkomstwoorden van de grote leider en we zitten alweer in het derde nummer, Enigma van “Bona Fide” (2002) met zijn bijzondere intro en pentatonische solo door tweede gitarist Mark Abrahams.
De uit duizenden herkenbare openingstonen van The King Will Come vullen de ruimte. Het nummer over ‘forthcoming events’ volgens Powell is onderdeel van een vrijwel onlosmakelijk trio van het legendarische album “Argus” uit 1972. Dus volgt Warrior met wederom veel solospel van Abrahams, wat op zijn beurt weer naadloos over gaat in Throw Down the Sword, een langzame melodieuze blues voor twee gitaren. Errors of My Way is een folky nummer van het debuutalbum uit 1970 dat door Powell op zijn negentiende jaar werd geschreven. De rockpose van Mark Abrahams, in combinatie met de rookmachine, is hem vergeven.
Een lange instrumentale jam, deels opgenomen in koud en nat Londen, deels in warm Miami, zodanig onder invloed dat er geen tekst kon worden gevonden. Dan hebben we het natuurlijk over F.U.B.B. (fucked up beyond belief). De fans waren al opgewonden, maar doen er nu nog een schepje bovenop. Minder bekend maar prima passend in de setlist is Mountainside van “Illuminations” (2012), een stevige uptemporocker in vierkwartsmaat. Tijdens de langzame ballade You Rescue Me komen de stemproblemen van zanger/gitarist Andy Powell bovendrijven. Een kopje thee met honing fungeert als reddende engel.
Mede als gevolg van dat ongemak wordt last minute besloten een ander nummer dan gepland te spelen. Geen Living Proof dus, maar in plaats daarvan In Crisis met een geweldige solo van Andy. Het laatste nummer van de oorspronkelijke set na anderhalf uur onafgebroken spelen is Jail Bait: ‘I wonder why your face no longer shines’. Het tien minuten durende nummer is opnieuw zo’n typisch Ash nummer, doorspekt met gitaarduetten en –harmonieën. Na een korte pauze volgt de logische toegift, Phoenix, een lange bluesjam die ruim vijftien minuten duurt. Na een kleine twee uur zit het optreden erop. De heren zitten midden in een mini-tournee, Uden is de volgende stop een dag later, waarna ook België, Duitsland en Frankrijk nog volgen.
Het geluid in de Boerderij is perfect deze avond, misschien zelfs een tikkeltje hard tegen het einde. Mooi detail: Abrahams komt over de linkerkant van de PA en Powell via de rechterkant, precies zoals het ook hoort bij een Wishbone Ash-concert.
Opvallend deze avond is het vele solowerk door Mark Abrahams: Powell laat de meeste solo’s over aan zijn jongere collega die zich van zijn beste kant laat zien. Andy is blijkbaar tevreden met letterlijk en figuurlijk de tweede gitaar in deze fase van de band. Dat wil niet zeggen dat hij niet op dreef was deze avond; veel grapjes en anekdotes passeerden de revue, zijn ‘Don’t mention the war’ ging erin als koek bij de aanwezigen. Ook met zijn ‘If you can remember the seventies, you weren’t there’ over zijn avonturen in de jaren zeventig kreeg hij de lachers op zijn hand. Zijn gitaarspel blijft ongeëvenaard: het gemak, de frasering, petje af. De jonge, nieuwe, uitstekende drummer Windsor McGilvray maakte een prima debuut in Nederland. Hij verzorgde ook een deel van de achtergrondzang. Ouwe trouwe bassist Bob Skeat met onafscheidelijk honkbalpetje speelde en zong tenslotte net zo solide als hij dat al bijna dertig jaar doet aan de zijde van Powell.
Buiten daalt de regen met bakken neer en doen donder en bliksem hun werk. Ik rijd met een grote glimlach op mijn gezicht terug naar huis, terwijl de mp3-speler No Easy Road speelt. Het kan niet beter.
De Italiaanse progrockband Barock Project is weer in het land. Nadat eind vorig jaar nog een optreden afgelast moest worden door ziekte van frontman Zabbini, maken de heren dan eindelijk hun opwachting in Poppodium Boerderij. De sfeer zit er goed in, ongeveer 300 bezoekers hebben de Zoetermeerse poptempel als hun bestemming gekozen deze avond. Na het uitstekend ontvangen studioalbum “Time Voyager” (2024) verscheen eind 2025 ook nog het livealbum “Live Voyager”. Reden om de show van het Italiaanse kwintet met interesse en anticipatie tegemoet te zien.
Opener Carry On knalt er al direct in. De zang is prima, het geluid is (nog) niet optimaal; Zabbini’s toetsenbord hapert blijkbaar. Zonder omwegen of introducties direct door naar Summer Set You Free. De bluesy Hammondsolo is heerlijk, evenals het scherpe gitaarspel van Marco Mazzuoccolo.
De titel van het volgende nummer is zeer toepasselijk. Happy to See You, met zang en akoestische gitaar van Luca Zabbini, ontlokt een emotionele reactie aan de bandleider; hij is vorig jaar ernstig ziek geweest en blij ons te zien. De barokke toetsen en knalharde drums van geweldenaar Olbelli domineren het nummer.
Ook An Ordinary Day’s Odyssey is een nieuwe song afkomstig van het laatste studioalbum, evenals titelnummer Voyager met harde snelle rock en het space-achtige thema. Een vloek ontsnapt aan Zabbini: “Fuck technology!”, als hij er niet in slaagt zijn toetsenbord aan de praat te krijgen. Ik sta vooraan en zie de frustratie groeien bij de perfectionist. Het zeemanslied The Lost Ship Tavern is een van de zeven nummers van “Time Voyager” die deze avond op de setlist staan. Het nummer kan het beste omschreven worden als Angelo Branduardi op steroïden. De melodieuze ballade Broken wordt door Zabbini gezongen en van delicaat pianospel voorzien. Het is het laatste nummer voor de pauze.
Na een kwartier hervat Barock Project het optreden met Overture, met klassieke boventonen en verwijzing naar Emerson Lake & Palmer. De introductie van de bandleden wordt aangegrepen om het steeds groter wordende technische malheur op te lossen. Uiteindelijk wordt besloten om twee toetsenborden om te wisselen. Tijdens het intermezzo ontpopt Alex Mari zich als een volleerde Freddie Mercury door Queen’s Somebody To Love in te zetten, tot vreugde en vermaak van het publiek. Morning Train, met dat prachtige intro, heeft eveneens een hoog Queen-gehalte, vooral door de rockgitaar van Mazzuoccolo.
Het vervloekte toetseninstrument wordt inmiddels tot ‘overleden’ bestempeld. Een stukje Bohemian Rhapsody met publieksparticipatie redt de avond. Over redden gesproken: het poppy Rescue Me werd ooit geschreven om de kritiek over te complexe en te lange nummers te counteren. Voyager’s Homecoming is een prog-epic van de bovenste plank, met herhaling van het thema van Carry On. Van oudere datum is Tired, een soort ‘Queen meets Toto‘. En zie, het wonder geschiedt: de toetsen blijken toch te werken tijdens The Longest Sigh. En dat is maar net op tijd: tijdens toegift Fool’s Epilogue, met zijn bijna klassiek aandoende intro, doet het orkest in een doosje weer volop mee. De uitgelaten fans bedanken de hardwerkende Italianen met een staande ovatie, gevolgd door een emotioneel dankwoord van Luca en Alex voor de niet aflatende steun van het publiek.
De volledig herstelde virtuoze toetsenist speelt afwisselend piano, Hammond en Moog, helaas faalt zijn Mellotron deze avond hopeloos. Sequencers en tapes lopen mee als hij zijn akoestische gitaar bespeelt. Ook de rockpose is hem niet vreemd: wijdbeens tussen zijn instrumentarium, met losse handjes. De technische mankementen hebben invloed op zijn spel, maar zoals hij zelf zegt “the show must go on”. Uiterst professioneel, en zo hoort het ook. Zelfs het omstoten van de microfoonstandaard brengt hem niet uit zijn evenwicht. “Just like Iggy Pop”, zoals hij zelf zou zeggen.
Bassist Eduardo Gamberoni krijgt extra applaus, en terecht: hij is de last-minute vervanger van Francesco Caliendo, die door onbekende oorzaak afwezig is. Het is nauwelijks merkbaar. Zanger Alex Mari heeft zich ontwikkeld tot een sympathieke frontman. Daar waar hij ooit de zwakste schakel was, blijkt hij nu een aanwinst, ondanks zijn gebrekkige beheersing van de Engelse taal. Met zijn geslaagde improvisatie als Freddie M krijgt hij de handen van de fans op elkaar en redt hij de avond, bravo! De setlist is vrijwel een kopie van het laatste livealbum, met uitzondering van Alone. Het is vooral baROCK deze avond, de band is met name schatplichtig aan Queen. Het gevoel bekruipt me onwillekeurig: als Queen en Keith Emerson hadden samengewerkt, zou er dan een soort Barock Project-achtige muziek zijn ontstaan?
Een uiterst enthousiast publiek maakt lawaai voor het dubbele aantal. Dat is inclusief het trio gruntende en zuipende boeren vooraan het podium, idioten heb je nu eenmaal altijd. Geluid en licht zijn weer uitstekend. De band zou twee dagen later optreden in Engeland. Hopelijk behoren de technische gremlins dan tot het verleden.
Lazuli is een band met een behoorlijke faam als het om live-optredens gaat, luister/kijk maar eens naar “Lorelive” uit 2024. Maar dat de band maar blijft groeien is verbazend en indrukwekkend tegelijkertijd. Dat eerste bewijzen ze met het zojuist uitgebrachte nieuwe album “Être et ne plus être”. En dat laatste komt door het optreden dat de band op een frisse zaterdagavond in de Zoetermeerse progtempel Poppodium Boerderij laat zien. Ergens in het begin van het optreden zal bandleider/zanger Dominique ‘Domi’ Leonetti met zachte stem verklaren: ‘new songs are like babies, it’s hard to let go of their hands’. Een behoorlijke ontboezeming van de Franse poëet, die voor vrijwel alle muziek en teksten van Lazuli verantwoordelijk is.
Om exact half negen opent Lazuli met het titelnummer van zijn nieuwe album “Être et ne plus être”. De energie spat ervan af in een orgasme van klanken. Ook Sourire is een nieuw nummer, er zouden er nog vele volgen deze avond. Dominique Leonetti bespeelt de ukelele in een lied dat van hard naar zacht gaat, met een Queen-achtig gitaargeluid en een hoofdrol voor de Franse hoorn. Domi trakteert ons op een van zijn befaamde derwisjdansjes. Qui d’autre que l’autre kent belangrijke rollen voor Léode en piano, terwijl de indianensong Une chanson Cherokee door Arnaud Beyney op basgitaar en Dominique Leonetti op akoestische gitaar wordt begeleid.
Nog een drietal nieuwe nummers. Het intrigerende en swingende Mon body se meurt met hoorn van Thorel en video over een kleipop wordt gevolgd door Les 4 raisons in walstempo met heldere piano en maar liefst vijf zangers. L’eau qui dort sluit het trio nieuwelingen af. Grappig is het impromptu-stukje van Beyney en Thorel als Dominique nog aan het zoeken is naar de juiste afstelling van zijn gitaar. Domi vraagt ons of het goed is als er ook oude nummers worden gespeeld, de zaal reageert enthousiast. Le miroir aux alouettes is een grote publiekslieveling met Vincent Barnavol op marimba, Thorel op drums (uitstekend!), tribal ritmes en Arabische klanken. Als Dominique zich dan ook nog traditiegetrouw tussen het publiek in de zaal begeeft, gaat het dak eraf. Quel dommage is het laatste nummer voor de pauze, de band verlaat ongeveer 10 minuten het podium.
Triste carnaval, het droevige autobiografische verhaal over de jongen die zich vergist in de datum van carnaval, wordt omgeven door rookpluimen. Op L’homme sûr wisselen de Léode van Claude Leonetti en de gitaar van Arnaud Beyney elkaars solo’s af. Ronduit indrukwekkend is Matière première; dat komt deels door de Franse hoorn en de Léode, maar zeker ook door de maatschappijkritische tekst en zang van Dominique. Het contrast is groot met Chaque jour que le soleil fait. Dominique biecht op dat hij een soort kanarie is, een monogame vogel. Hij draagt het nieuwe nummer op aan zijn ‘one and only ladybird’. Je kunt een speld horen vallen tijdens de geweldige hoornsolo van Romain Thorel. De videoclip met Hollywoodsterren tijdens Le Pleureur sous la Pluie hebben we al eens gezien. Dat geldt niet voor een Jimmy Page-achtige solo van Beyney op zijn Gibson.
Les courants ascendants is het laatste nummer van de officiële setlist. De georganiseerde kakofonie en climax die uitnodigt tot meezingen is altijd een kasstuk tijdens Lazuli-shows. Dan verlaten beide Leonetti-broers en Beyney het podium om Barnavol en Thorel hun ding te laten doen. Vooral die laatste is briljant in zijn aan Herbie Hancock refererende solostuk op piano, dat van swingend via funk en jazz weer naar rock gaat. Het wordt perfect begeleid door de drums van Barnavol, chapeau!
Het wonderschone L’Instant is uiterst breekbaar: de kristalheldere stem van ‘Domi’, zichzelf begeleidend op gitaar, is pure perfectie. Tot slot wordt Au bord du précipice gespeeld, een van de beste nummers van het nieuwe album, met een emotionele Léode-solo aan het einde. En een dankwoord van Domi waarin hij ons, het publiek, bedankt voor een ‘escape from today’s world’s madness’. Tja, elke zichzelf respecterende fan weet wat er daarna komt, en ook ditmaal wordt de traditie in ere gehouden: 9 Hands Around the Marimba heeft ditmaal Les courants ascendants als thema, het oh oh oh oh oh oh oh is niet van de lucht en zou nog een tijdje aanhouden.
In totaal negentien nummers, inclusief alle twaalf nummers van “Être et ne plus être”, nog maar twee maanden uit! Vier van “Onze” (2023) en twee van oudere albums (“4603 Battements”, “Tant que l’herbe est grasse”). Plus de traditionele afsluiter 9 Hands. Ik kan me niet herinneren dat ik een show zag waarin alle nummers van het meest recente album werden gespeeld (oké: Steven Wilson). Voor iemand die, zoals eerder verkondigd, het moeilijk vindt om zijn pasgeboren kinderen los te laten, lukt het hem toch prima. En met behoorlijk wat aplomb.

Zo’n 200 bezoekers, waaronder relatief veel vrouwen; er werd volop meegezongen en gedanst. Licht en geluid waren weer top deze avond. Na twee uur en een kwartier gespeeld te hebben, werd de band beloond met een ovationeel applaus door het uitzinnige publiek. Dit was zonder meer een uitstekend concert, misschien wel het beste in jaren van het Franse kwintet.
De Britse neo-progrockers van Jadis doen ons land weer eens aan voor de verandering. Ook ditmaal is de Zoetermeerse poptempel Boerderij de plaats van handeling. Zanger/bandleider Gary Chandler zal tijdens de show nog eens zijn dank en respect uitspreken voor deze zaal, belangrijke reden om keer op keer weer terug te komen. De minitournee, bestaande uit een drietal optredens in achtereenvolgens Southampton, Rüsselsheim en Zoetermeer, staat in het teken van het opnieuw uitbrengen van “Across The Water” uit 1994. Een soort van promotour dus van de band die in 2024 zijn laatste studioalbum “More Questions Than Answers” uitbracht, waarna in 2024 nog het livealbum “Live Snapshot” zou verschijnen. Na de pauze zou “Across the Water” in zijn geheel en in de juiste volgorde worden gespeeld. Voor de pauze is het een eclectische verzameling van ‘bandfavorieten’.
Even na half negen wordt er afgetrapt met Sleepwalk van debuutalbum “More Than Meets the Eye” uit 1992, ruim tien minuten neo-prog van het zuiverste water. Wat direct opvalt is dat er behoorlijk wat foutjes worden gemaakt, vooral door Chandler zelf. Zijn zang is bovendien niet om naar huis te schrijven, hij wordt gered door de harmoniezang van maatje Martin ‘Widge’ Orford, die wel goed bij stem is. Where in the World wordt voorafgegaan door een loflied op gastheer de Boerderij, waarna de powerrock van Asleep in My Hands mede door het Hammondspel van eerdergenoemde Orford tot een goed einde wordt gebracht.
Wood Between the Worlds is van het laatste album, terwijl In the Dark al 32 jaar (on)bekend is. En dan een verrassing: een nieuw nummer, geschreven tijdens de oefensessies voor de minitour. Something Else/Moody Brick klinkt prima, vooral door de zang, maar ook de gitaar en drums van Stephen Christey mogen er zijn. Martin Orford claimt de credits voor Do You Know, de melodieuze ballade met uitstekend basspel van Andy Marlow en dito toetsen van de componist. Na View From Above vormt Fading Truth het laatste nummer voor de pauze. Na ongeveer zeventig minuten is een intermezzo van een kwartier toch niet te veel gevraagd?
Zoals gezegd wordt het tweede deel van de show gevuld door “Across the Water”, integraal gespeeld. De openingsmuziek van enkele minuten staat op tape, waarna opener Touch naadloos overloopt in In Isolation. Het publiek zingt luidkeels mee en klapt zijn handen stuk. Tijdens het intro van Daylight Fades demonstreert Chandler zijn tappingtechniek. Naarmate de show vordert wordt zijn stem een stuk beter. Everywhere I Turn, volgens Orford gespeeld op zijn ‘cheap and nasty’ gitaar, wordt gevolgd door A Life Is All You Need, gezongen in een lagere toonsoort, maar desondanks een prima vocale prestatie. Vervolgens wordt The World on Your Side aangekondigd als een ‘moeilijk en weinig gespeeld’ nummer, en dat is merkbaar. Op No Sacrifice is meezingen dringend gewenst, de fans laten de smeekbede niet langs zich heen gaan. Badend in rood licht betekent dit het einde van de reguliere show.
Nadat Jadis het podium kort verlaten heeft, wordt de toegift ingezet. The Beginning and the End heeft geen introductie nodig. De slow tempo ballade is melodieus, en Chandler laat met zijn tappingstijl wederom zien dat hij een prima gitarist is. Een waardige afsluiter na ruim twee uur en een kwartier spelen. De band neemt het luide applaus van de fans dankbaar tot zich.
De sympathieke gitarist/zanger/bandleider is in zijn element vanavond. Hij praat honderduit, met die typische Engelse humor. Over het feit dat hij geen kam bezit, aparte hotelkamers voor oudere muzikanten, goedkope plectrums via Amazon, ouder worden, een tukkie doen, en die vermaledijde ‘oortjes’. De als immer als een otter zwetende voorman heeft het moeilijk deze avond. Het begin van de show is ronduit rommelig, het aantal foutjes in zijn gitaarspel is legio, zijn zang is matig, maar dat verbetert gelukkig snel. Hij blijft knoeien met de apparatuur, altijd al gedaan. Maar ondanks al die kritiek is er iets met hem, ik noem het de gunfactor. Zijn techniek mag hem dan (soms) in de steek laten, hij staat vooral voor beleving en gevoel. En als het allemaal klikt, dan blijft hij een begenadigd muzikant die schijnbaar moeiteloos de ene lyrische solo na de andere uit zijn mouw schudt. Bovendien is daar die bijzondere onderlinge band tussen ‘Widge’ en ‘Chas’. Hier staat een hechte band, het spelplezier is groot.
De vaak driestemmige zang, met hoofdrol voor Martin Orford, is een genot om naar te luisteren, net als diens gevarieerde toetsenspel. Tel daarbij de solide ritmetandem van drummer Stephen Christey, maar vooral bassist Andy Marlow op en je hebt een uitstekende avond als fan van progressieve muziek. Ongeveer 150 man/vrouw vierden in ieder geval een feestje, ik spotte zelfs een paar headbangende senioren op de eerste rij. Geluid en licht waren weer helemaal top deze avond, Boerderijwaardig. Misschien kunnen we op een later tijdstip nog eens nagenieten: deze avond werden er video-opnamen gemaakt door John Vis en zijn team.