PRIJSVRAAG: Win kaarten voor het MOMfest 2018, met o.a. Vuur, InFloyd en 5150. Klik hier voor de prijsvraag.

Kino – Picture

Kino - Picture

“Picture” is niet voor niets een plaat waar al een jaar voorafgaand aan de uiteindelijke release naar uitgekeken werd, want Kino is niet zomaar een bandje. Het Engelse antwoord op Transatlantic bestaat uit vier topmuzikanten van vooraanstaande progbands (en dan vergeet ik voor het gemak maar even dat John Beck de laatste tijd vooral met Smokie zanger Chris Norman toerde): Arena, Marillion, The Urbane, Transatlantic, Porcupine Tree, It Bites. Goeie genade, dat kan bijna alleen maar tegenvallen!

Het zaadje van Kino werd geplant toen Pete Trewavas toevallig bij een medewerker van platenmaatschappij InsideOut liet vallen dat hij graag eens met toetsenman John Beck wilde samenwerken. Die medewerker wist te vertellen dat Beck samen met John Mitchell wat aan het uitproberen was. Het contact was snel gelegd en met de komst van drummer Maitland, die na zijn vertrek uit Porcupine Tree vooral bij West End musicals in de orkestbak trommelt, was de band compleet. Dat het daarna toch nog meer dan een jaar geduurd heeft, komt vooral door de drukke schema’s van de verschillende muzikanten en een harde schijf die halverwege een aantal opnamen opvrat.

Wat de gelukkige bezoekers van het eerste Nederlandse optreden van Kino al weten (zie recensie hier), is dat “Picture” een fantastische plaat is geworden, met wat mij betreft een aantal aangename verrassingen. De eerste is de stem van John Mitchell. Het was me bij The Urbane nooit zo opgevallen, maar wat heeft die man een prachtige stem, met een lekker schor randje eraan, het is af en toe net Seal. Hij kan fors uitpakken, maar ook breekbare passages gaan hem makkelijk af. Ik snap eigenlijk niet dat Arena nog zo moeilijk doet.

De tweede verrassing is de constatering dat de heren hun ego’s buiten de studio hebben gelaten. Ze hebben zich ten dienste gesteld van de composities en dat pakt geweldig uit. Geen eindeloze solo’s en ander gefreak, gewoon spelen wat nodig is om de liedjes tot hun recht te laten komen.

De derde verrassing is het ”˜grote’ geluid van de plaat. Dat komt natuurlijk door de productie, maar ook door de rijke klankbijdragen van Beck. Hij kan wel zes verschillende geluiden in een halve minuut prakken zonder dat het te druk wordt. De band klinkt bij vlagen alsof ze in een grote hal hard staan te spelen, zo vol klinkt het.

De vierde verrassing is dat men nou eens niet nadrukkelijk teruggrijpt op de jaren ‘70, maar het dichter bij huis zoekt. Natuurlijk komt de band niet onder vergelijkingen met Arena, Marillion en It Bites uit, dat zou ook krampachtig zijn geweest, maar ik hoor daarnaast nadrukkelijk de jaren ‘80 terug. In de intro van prijsnummer Letting Go word ik herinnerd aan de eerste keer dat ik Big Country zag spelen en ook op andere momenten klinken de tachtiger jaren door in de muziek. Voor een belangrijk deel komt dat omdat Kino zich concentreert op echte liedjes: poppy en hier en daar absoluut hitgevoelige stukken met een kop en een staart in plaats van uit tien verschillende ideetjes opgebouwde knutselepossen.

Het resultaat is geen progmeesterwerk, maar wel een bijzonder sterke plaat met een stel van de mooiste liedjes die ik de afgelopen vijf jaar gehoord heb. Het al eerder genoemde Letting Go is voor mij het allerbeste nummer van de plaat met een weergaloos refrein en schitterende zang, maar die ingrediënten vindt de luisteraar terug in bijna alle liedjes, waaronder het bloedmooie Leave A Light On, het schitterende All You See en het warme Holding On. De eervolle vermelding gaat naar openingsnummer Losers’ Day Parade, met iets meer dan negen minuten het langste en door de duidelijke Transatlantic invloeden meteen het meeste proggy stuk van de plaat. Een furieus thema, een stukje kraakplaat dat Beck nog overhad uit zijn It Bites tijd en een mooi melancholisch, fantastisch gezongen einde. Heerlijk.

Een slecht nummer zal je op Kino niet vinden, al zijn er wel een paar puntjes van kritiek te noemen. Zo rijk en gevarieerd als het toetsengeluid is, zo weinig variatie hoor ik in het gitaargeluid. Mitchell heeft een crunchy geluid dat hier en daar een beetje overheerst en op den duur wat eentonig wordt. Daarnaast is het enige nummer dat John Beck zingt, Swimming In Women, een wat flauw nummer over sperma dat Beck bovendien een beetje drammerig brengt. Verder zijn een paar nummers op de tweede helft van de plaat nét iets te glad, zoals het op zich sterke Perfect Tense. Om de één of andere reden stoor ik mij aan het wat te keurig afgewerkte refrein, alsof de band hier wat braver binnen de lijntjes kleurt dan nodig was geweest. Ik vind ook dat drummer Maitland zich wat inhoudt; bij Porcupine Tree drumde hij creatiever. Alleen in People krijgt of neemt hij de ruimte om wat tegendraadser te meppen.

Het zijn wat kleine pijntjes op een anderszins glansrijk album dat wat mij betreft de hype rechtvaardigt. “Picture” is een erg fijne verzameling bijzonder geslaagde composities die veel belooft voor de toekomst.

Bij de onvermijdelijke limited edition van “Picture” zit een dvd met de vier stukken die Kino voor het Duitse televisieprogramma Rockpalast opnam. De opnamen tonen een band die de zaken nog niet goed op een rijtje heeft. Voor een deel komt dat omdat drummer Steve Hughes Maitland vervangt en gitarist Mitchell krom staat van de pijn in zijn rug, voor een deel komt dat omdat de band nauwelijks tijd heeft gehad om te repeteren. Dat het eindresultaat desondanks best aardig is zegt wat over de klasse van deze muzikanten.

En wanneer komt er nou eens een Nederlandse versie van Rockpalast? Wanneer krijgen wij een televisieprogramma dat een band als Kino (of Paatos) een half uur lang live de ruimte geeft? Ik zal het wel nooit meemaken.

Erik Groeneweg
Koop bij bol.com

Progwereld | Recensies