
In 1977 verschijnt de dubbel live-LP “Gong Live Etc.”, waarop registraties staan van vier concerten van enkele jaren daarvoor, plus studiomateriaal, onder andere van een BBC-sessie die nog niet eerder was verschenen. Het album bevat grotendeels werk uit de Radio Gnome Invisible-trilogie. Deze tracks laten de oorspronkelijke bezetting horen. Ze gaan helemaal los, zanger/gitarist Daevid Allen, zijn vrouw Gilli Smyth met haar space whispers, saxofonist/fluitist Didier Malherbe, toetsenist Tim Blake, leadgitarist Steve Hillage, bassist Mike Howlett, en drummer Pierre Moerlen. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat deze muzikanten uitermate goed zijn op hun instrument.
In 1989 verschijnt het album voor het eerst op CD en wel op een enkel schijfje. Hierdoor is het nummer Ooby-Scooby Doomsday or the D-Day DJ’s Got the D.D.T. Blues komen te vervallen. Niet dat je daar rouwig om hoeft te zijn, want de bluesy track staat mijlenver van de breed uitgesponnen kosmische muziek die de band doorgaans maakt en waar velen zich het hoofd door op hol laten brengen. Je kan op dit album dus dampende psychedelische spacerock verwachten. Sterker nog: het aroma komt je al tegemoet zodra je het doosje opendoet.
De nogal THC-getinte muziek heeft veel ruimte voor improvisatie. Het is met name Malherbe die naar hartenlust zijn sax laat riedelen, wat de muziek absoluut verrijkt. De ritmesectie legt een vaak groovy fundament aan, en dat terwijl de toetsen slurpen en de leadgitaar vliegt. De manier van zingen en vooral de strekking van de teksten is vaak humoristisch op het jolige af, soms sarcastisch of dubbelzinnig maar toch ook maatschappijkritisch.
Het album gaat van start met You Can’t Kill Me dat van “Camembert Electrique” uit 1971 komt. Het is een rauw pre-punk-nummer over hoe Allen door de Franse regering gedwongen werd het land te verlaten. Ook doet het denken aan het vroege werk van Frank Zappa. Vervolgens komt Zero the Hero & the Witch’s Spell, een wat dromerige surrealistische epic over de hoofdpersoon van de Radio Gnome Invisible trilogie. De meeslepende sax is hier de blikvanger, maar ook de tussenliggende passage van Gilli Smyth die de heks verklankt mag er zijn. De muziek van Gong is iets waarin je je moet onderdompelen en dat heb ik gedaan. Kijk, nada drugs voor mij, maar als ik Hillage op het puntje van zijn plectrum hoor soleren in Flying Theapot word ik vanzelf stoned.
Dat de band het maffe combineert met het geniale is overal wel te horen, maar zeker ook in de nummers Dynamite/I Am Your Animal en Est-ce Que Je Suis?, dat ooit in Frankrijk als single werd uitgebracht. Deze nummers worden doodleuk afgewisseld met het bloedserieuze 6/8 Tune, een spacey jazzstuk met knap saxspel.
Inmiddels is het album halverwege en laat Gong in dezelfde bezetting als hiervoor vier uitstekende tracks horen die live in de BBC-studio zijn opgenomen. Met name Oily Way is met zijn luchtige dwarsfluit in Caravan-stijl een verrassende aanwezigheid. Het tweeluik Outer Temple en Inner Temple neemt je weer mee op een kosmische reis die eindigt met een spacey sfeer.
Het album telt ook nog een studio outtake uit de opnamesessies voor het album “You”. De track, die luistert naar de naam Where Have All the Flowers Gone, staat nogal ver van wat Gong doorgaans doet. Er is zelfs een mondharmonica te horen. Interessanter zijn de laatste vier nummers; dit zijn live-opnames uit de Marquee waar Gong met een half nieuwe bezetting aantrad. Het is dan 1975 en de band klinkt meer jam-based richting jazzrock, hetgeen goed naar voren komt in nummers als Isle of Everywhere en Get It Inner. Het is opmerkelijk hoe lekker Moerlen hier drumt, maar zijn intense spel in Master Builder is toch het meest opvallend. De band sluit af met een reprise van Flying Teapot. Het geeft dit album het slot dat het verdient.
De muziek van Gong komt in eerste instantie nogal koekoek over. Meerdere malen beluisteren, ook van dit album, laat toch vooral een goed doordacht geheel horen dat knap gemusiceerd is.