
De autobiografie van Rush bassist/zanger Geddy Lee is een zeer onderhoudend, met vaart, humor en zelfkennis geschreven boek, gelardeerd met veel (effin’) scheldwoorden, ontelbare bijzinnen, voetnoten en tussen haakjes geplaatste extra’s, wat het lezen soms bemoeilijkt. En ja, hij is behoorlijk breedsprakig. Geddy Lee werd als Gershon Eliezer Weinrib op 29 juli 1953 geboren in Willowdale, Toronto, Canada. Gershon werd Gary, wat nog later werd verbasterd tot Geddy.
De van oorsprong Joodse jongen is de zoon van Poolse Holocaustoverlevenden die na de oorlog vanuit Polen naar Canada emigreerden. Een groot hoofdstuk van het boek gaat over de historie van zijn familie, de Tweede Wereldoorlog en de holocaust. Het gezin was arm, maar pa en ma waren harde werkers en bouwden langzaam maar zeker een beter bestaan op. Pa Morris Weinrib overleed in 1965, op 45-jarige leeftijd. Zoon Geddy was pas twaalf en maakte direct kennis met groot verdriet en de vele Joodse rituelen rondom een overlijden.
De jonge Geddy is een diehard muziekfanaat van met name hardrock. Zijn grote neus (hij maakt er zelf regelmatig grapjes over) en introverte karakter maken hem verlegen en enigszins teruggetrokken. Hij is geen studiehoofd. De school wordt al op jonge leeftijd verlaten voor een onzekere toekomst als muzikant. Hij sluit eeuwige vriendschap met gitarist Alex Lifeson (Aleksandar Zivojinovic) van Servische afkomst, en de oprichting van een bandje is in 1968 een feit. Drummer John Rutsy wordt in 1974, na het verschijnen van het debuutalbum, vervangen door Neil Peart, bijgenaamd ‘The Professor’. Die bleek van onschatbare waarde te zijn, niet alleen als drummer maar ook als tekstschrijver en conceptbedenker.
Natuurlijk staat de ontwikkeling van Rush centraal in dit boek. De start van de rollercoaster met talrijke optredens in de kleinste zaaltjes voor een ongeïnteresseerd publiek. Het steeds beter worden als muzikanten, de eindeloze slopende reeks concerten, het succes met Neil Peart’s teksten en Alex en Geddy’s muziek, (on)gein, overgoten met drank en (veel) drugs, gezworen kameraden. Ze geven elkaar bijnamen: Pratt (Peart), Lerxst (Lifeson) en Dirk (Lee), ook wel Pee, Lee en Dee. De ongelofelijk sterke onderlinge band is een vaak terugkerend motief. Het gevloek, gezuip en drugsgebruik zijn niet van de lucht. Maar ook de persoonlijke ellende en de onvoorwaardelijke en ontroerende steun voor elkaar, wat er ook gebeurt.
Het boek gaat over de geleidelijke tocht naar succes, faam en geld, maar ook over de relatieproblemen en de persoonlijke tragedies. Vooral dat laatste, met als dieptepunt Neil Pearts tragische verhaal: het verlies van zijn dochter en partner binnen een jaar, het stoppen met optreden, en uiteindelijk het overlijden van de legendarische drummer in 2020 door een hersentumor. Ook de zware gezondheidsproblemen van Alex Lifeson komen voorbij, evenals het betreurde overlijden van Geddy’s moeder Mary op 95-jarige leeftijd midden in de pandemie. Daar staat weer tegenover de geboorte van een kleinkind en het noodgedwongen meer balans in werk/privé brengen, mede ingegeven door zijn eeuwige liefde voor partner Nancy, zoon Julian, en dochter Kyla.
Een bij tijden humoristisch, maar ook tragisch en gevoelig zelfportret van een zelfverklaard vogelliefhebber, amateurfotograaf, wandelaar, honkbalprullaria-verzamelaar en familieman die eindelijk rust gevonden lijkt te hebben. De bazige ‘mr bossypants’, zoals hij zichzelf schertsend met behoorlijke zelfkennis noemt, heeft er drie jaar aan gewerkt; het boek wordt in 2023 uitgebracht.
Op dat moment had hij nog geen idee van een mogelijke reünie met oude maat Alex en een doorstart van Rush live met nieuwe drummer Annika Niles. En met groot succes: een wereldtournee met uitverkochte zalen, waaronder een optreden op 23 februari 2027 in Ziggo Dome Amsterdam. Of er ooit nog een addendum komt met de meest recente ontwikkelingen is onbekend.
Een mooi en vooral openhartig geschreven boek. Het laat veel van de mens achter de muzikant zien. Het is niet altijd even mooi, maar wel eerlijk, met als belangrijkste thema’s: familie, muziek, vriendschappen, verlies, overlevingsdrang, humor en natuurlijk Rush. Ruim 500 pagina’s, waarvan ongeveer 400 tekst, en de rest foto’s en voetnoten. Het is een zeer onderhoudende autobiografie, een van de beste boeken op dit gebied. Een aanrader, niet alleen voor Rushfans, maar ook voor progfans in het algemeen.