
Jethro Tull heeft recent een opnieuw geremasterde versie van zijn album uit 2005, “Aqualung Live”, uitgebracht via InsideOut Music/Sony Music. De live-opname in de studio van het veelgeprezen album uit 1971 maakte oorspronkelijk deel uit van de Then Again Live-serie van het Amerikaanse online radiostation SiriusXM, opgenomen in hun studio in Washington D.C., met de line-up van zanger/gitarist/fluitist Ian Anderson, gitarist Martin Barre, drummer Doane Perry, toetsenist Andrew Giddings en bassist Jonathan Noyce.
De humoristische sleeve notes van voorman/oprichter/zanger Ian Anderson over de totstandkoming van en ervaringen bij de opname zijn zoals altijd een plezier om te lezen. Zo geeft hij aan in het begin helemaal niet van plan te zijn geweest om op de invitatie van XM Radio man Lee Abrams in te gaan. Maar dat de uitdaging om dit werk, waarvan stukken sinds 1971 niet meer zijn gespeeld, alsnog live te spelen met de bezetting van dat moment hem toch wel de moeite waard leek. Waarna ze zich opgewekt in Washington meldden voor een show in een wel heel intieme setting: voor een veertigtal uitverkorenen/gelukkigen, die zich via de site van de band hadden aangemeld. Wat toch wel voor wat extra spanning bij de band zorgde. En dan moesten er ook nog de nodige (technische) probleempjes worden doorstaan. “Alsof je thuis in je woonkamer staat met de platenspeler op volume 11”, zoals Anderson het plastisch voorstelt.
“Sommige nummers worden gespeeld met exact dezelfde arrangementen als de originele opnames, terwijl andere – zoals Mother Goose en Hymn 43 – behoorlijk anders zijn. Natuurlijk hebben we geen strijkkwartet in Wond’ring Aloud of hobo en fagot in Cheap Day Return, en de elektrische gitaarpartijen zijn, net als bij onze liveoptredens, voor één gitaar”.
Maar alles bij elkaar is de charismatische voorman van Tull zeker niet ontevreden over het resultaat van de opnames, waarbij opgemerkt moet worden dat de muzikanten waarschijnlijk nerveuzer waren dan het publiek, dat enthousiast maar ingetogen reageerde. “Het voelde nog steeds meer als een concert dan als een rock-‘n-roll-evenement. Precies zoals ik het graag heb!” Daar sluit ik mij als recensent graag bij aan.
Wij krijgen een puntige, wat kale maar gedreven versie van het ooit meest donkere album van de band te horen, vanzelfsprekend in de officiële volgorde. Het optreden begint natuurlijk met titelnummer Aqualung. De mooie pianopartij laat het nummer sprankelen. De karakteristieke overstuurde gitaarklanken van Martin Barre bepalen voor een groot deel het rockkarakter naast de kenmerkende vocalen van de bandleider. Het verhaal van de schele en rovende prostituee in Cross-Eyed Mary is ook al zeer bekend en heeft lang een vaste plek op de setlist van Tull ingenomen. Progrock van de bovenste plank. Het geluid is kristalhelder, elk individueel instrument en elk detail is prima te horen.
Het korte folky akoestische Cheap Day Return loopt naadloos over in het grillige, onzinnige en licht surrealistische Mother Goose (Andersons woorden), dat in een behoorlijk ander arrangement wordt uitgevoerd met solo’s voor accordeon, fluit, bas, bongo’s en gitaar. Nog meer akoestische folkmuziek met Wond’ring Aloud. Ook het daaropvolgende Up To Me heeft duidelijke elementen van originele Engelse volksmuziek. My God begint met akoestische gitaar en piano en ontwikkelt zich via fluitimprovisatie gaandeweg tot de iconische ruim acht minuten durende klassieke rocksong. Hymn 43 wijkt inderdaad nogal af van het origineel, zonder afbreuk te doen aan het nummer.
Het ultrakorte Slipstream wordt gevolgd door Locomotive Breath, waarschijnlijk een van de meest bekende songs van het collectief; het verhaal van de gedesillusioneerde man die verlaten door zijn kinderen en overspelige echtgenote zijn leven overdenkt. Niet de meest gepassioneerde versie, maar wel interessant in deze enigszins uitgeklede uitvoering. Het meesterlijk slotnummer Wind-Up besluit het intieme optreden in New York. Het enthousiaste publiek klapt zijn handen stuk.
Na ruim vijftig minuten zit het erop. Het wat droge karakter van de opnames komt mede door het tot een minimum beperken van de oorspronkelijke introducties en gesproken woord-segmenten tussen de nummers door. Dit is overigens een bewuste keuze van Ian Anderson, want zoals hij zelf zegt: “dat wordt op enig moment dodelijk vervelend, neem dat maar van mij aan”. Dat laat onverlet dat ik graag een van de gelukkigen was geweest die als toeschouwer bij dit unieke optreden aanwezig was. Want zeg nou zelf: wie wil er niet getuige zijn van een privéshow van een van de beste progrockformaties in de geschiedenis van het genre?