
Sinds de oprichting in 2011 combineert het Brusselse We Stood Like Kings zijn pure instrumentale muziek met elementen van postrock, neoklassieke rock en progressieve rock, waarin de piano een prominente rol inneemt. Op hun eerste albums vermengden ze hun eigen muziek met andere kunstvormen als stomme films en klassieke muziek. Met hun zesde album “Pinocchio” trekken ze een lange neus naar de postmetal/-rock op geheel eigen wijze en met een andere instrumentatie dan de gebruikelijke trits aan gitaristen.
Het is namelijk de excellerende Judith Hoorens op piano en synthesizers die de klassieke toets meegeeft in de muziek en zich staande houdt tussen het stevige gitaargeweld van Diego Di Vito en Colin Delloye. En wat voor een briljante keuze is het om de baritongitaar hierbij in te zetten. Door een langere halslengte en zwaardere snaren kan deze lager gestemd worden, om de ruimte tussen een gewone gitaar en een basgitaar heerlijk op te vullen met diepere metaltonen. Daarnaast is het drumspel van Lucas Vanderputten tijdens langzame en doordachte fases bij vlagen subtiel, en krachtig bij snelle en zware stukken.
Assassins, is een opwindend en energiek openingsnummer, doelgericht en to the point dankzij de krachtige Russian Circles riffs en de betoverende piano. In The Field of Wonders nemen ze de tijd om een fluweelzacht nuance en ritme op te bouwen. En nadat de slepende riffs weer losgebarsten zijn, schakelen ze in Fire Eater met repeterende pianopatronen weer naadloos tussen het minimalisme van Philip Glass en de explosieve crescendo’s van Collapse. Zonder voorspelbaar te zijn, gaat dit verder in het meeslepende Attila of the Sea, met werkelijk prachtige pianopartijen die bij mij even het Genesis-gevoel oproepen, totdat de zware riffs weer toeslaan. Op dezelfde wijze opereert het ingetogen Raven, dat ambient start maar ook gaandeweg weer explodeert in één monolithische aanzwelling van kakofonie, om langzaam uit te sterven met verstommend trommelgeroffel in de vorm van rimclicks op de snaardrum. Als dit je niet raakt, dan weet ik niet wat muziek met je doet.
Hierna bepaalt het zware gitaarwerk meer en meer de toon en stoeit het prachtige pianospel af en toe met haar inbreng om niet in de geluidsproductie weg te vallen. Dat komt direct tot uiting in het snoeiharde Poor Idiot, dat vol dezelfde tegendraadse ritmes en metalriffs zit als Leprous ook zo graag op ons afvuurt. En toch lukt het de piano hier om op verstilde wijze even in een rustmoment de harten te stelen.
Dat gaat verder met het dromerig startende The Land of Toys, waarin met alsmaar groeiende riffs en een scheurende synthesizer laag voor laag wordt opgebouwd om uit te monden in een monsterlijk einde en wegwaaiende afronding. Het krachtig en sinistere van Dead Blue Fairy wisselt nog wat af tussen venijnige riffs en magische piano-intermezzo’s, terwijl Addios, False Friends als een standaard postrock-nummer met zijn langzaam opbouwende, verhalende lijnen lijkt af te sluiten. Lijkt, want schijn bedriegt. De riffs zijn dan wel grotendeels verdwenen, de nadruk ligt meer op prachtige piano-accenten en dreigende leadgitaarlicks.
Al met al een zalig einde van een album van een band die zich manifesteert met een eigen visie op postrock en postmetal, door zich te onderscheiden met consistent gebruik van de piano. De muziek is bij vlagen zwaar en indringend, dan weer subtiel en ruimtelijk. Het sprankelende pianospel creëert altijd een stroom van emotie en is naast het imposante gitaarspel een ijkpunt in dit genre.
We Stood Like Kings heeft een gedurfd en vernieuwend instrumentaal album gecreëerd, dat ongeacht het genre waar we dit album in willen classificeren het woord ‘progressief’ verdiend heeft. Voor mij is “Pinocchio” een topalbum dat een nieuwe standaard zet in postmetal/-rock door het bijzondere gebruik van gedreven pianostukken die moeten wedijveren met scheurende gitaren die vol opengetrokken worden. De piano gaat deze uitdaging met verve aan, en blijft rechtop staan.
CD
LP