
In april 2026 schreef ik het stuk Opkomst en ondergang over 25 jaar prog. Toen stond ik op het punt een stuk te schrijven over Phideaux Xavier, die al acht jaar niets meer van zich had laten horen. Op dat moment ontdekte ik echter dat hij aan een nieuw album werkte.
Ik ontdekte hem in 2005 met het album “Chupacabras”, nadat ik de recensie van oud-collega Sander Kok had gelezen. De ruim twintig minuten durende epic Chupacabras pakte mij volledig in. In 2008 volgde “The Great Leap”, het album dat zijn grote doorbraak werd. In datzelfde jaar was hij bovendien te horen op het Ayreon-album “01011001”. Daarna verschenen nog vier albums, waarvan ik persoonlijk “Infernal” nog altijd het beste vind. In de tussentijd bleef Phideaux muziek schrijven en werkte hij als televisieproducent en -regisseur. Het materiaal voor deze nieuwe schijf werd tussen 2021 en 2025 geschreven.
Ik heb enige tijd geen idee gehad wat ik met dit album aan moest. Teleurstelling overheerste. Ik herkende weinig terug van de hoogtijdagen van “Infernal” en “The Great Leap”. De nummers zijn compacter geworden en klinken op het eerste gehoor wat simplistisch en rechttoe rechtaan. Phideaux beschouwde ik altijd als de rebel van de prog: de man die compleet zijn eigen gang ging en lekker eigenzinnig was. Dat beeld viel voor mijn gevoel wat weg.
Wat doe je dan? Je legt het album een paar weken weg en begint opnieuw. Dat bleek een goede zet. Pas toen ik mijn verwachtingen losliet en stopte met zoeken naar een tweede “Infernal” of “The Great Leap”, begon het kwartje te vallen. Sindsdien groeit het album met iedere beluistering. Het is een plaat die veel aandacht vraagt. Waar de nummers eerst (té) eenvoudig overkwamen, ontdek je later juist de enorme gelaagdheid. Er gebeurt ontzettend veel. De lijst met gastmuzikanten is dan ook indrukwekkend. In tegenstelling tot eerdere albums is de muziek directer. Phideaux strooit met invloeden uit pop, blues en country en giet daar vervolgens zijn eigen sausje overheen. Juist daardoor hoor je meteen dat dit Phideaux is.
De grote afwezige is zangeres Valerie Gracious. Haar bijdrage aan eerdere albums was enorm en dat gemis is voelbaar. Ook maakt Phideaux minder gebruik van vrouwelijke achtergrondzang dan voorheen. Gelukkig zijn de stemmen van Molly Ruttan en Ariel Farber nog wel te horen, maar naar mijn mening veel te weinig.
De sterkste troef van het album is afsluiter Legend of Mary-Jo. Het nummer doet denken aan Waiting for the Axe to Fall van “Number Seven”. Vooral de bijdrage van trompet en saxofoon is erg mooi. Ruim veertien minuten lang waan je je in een achtbaankarretje dat je door allerlei verschillende muzikale werelden voert. Na een minuut of tien wordt er echter stevig aan het stuur gerukt en verandert het nummer in prog met een hoofdletter P, dankzij een heerlijk tegendraads stuk met sterk gitaarspel. Phideaux is zijn streken gelukkig nog niet verloren.
Het is aan jou of je Charlie Knew wilt beluisteren. Het is een prima song (en Charlie dook op eerdere albums al op), maar het refrein is zó aanstekelijk dat het écht niet meer uit je hoofd gaat. Ik sla het nummer inmiddels serieus over, want uren later staat dat refrein nog steeds op repeat in mijn hoofd.
Lekker stuwend en eigenwijs is Driving to Destruction. Een typisch Phideaux-nummer, met dat hamerende pianospel, een pakkende melodie, en vrouwelijke achtergrondzang. Ook Hey Humanity is een sterke troef. De orkestraties zijn meeslepend en de gitaarsolo tegen het einde prettig fel. Tekstueel is Phideaux nog altijd de Armand van de prog. Laten we zeggen dat er weinig ruimte voor hoop is.
“AutoMoto Animus” is geen album dat zich direct prijsgeeft. Wie na één luisterbeurt afhaakt, mist misschien wel het mooiste. Phideaux kiest niet voor een herhaling van zijn oude succes, maar voor een andere aanpak die tijd nodig heeft om te landen. Dat zal niet iedere fan waarderen. Ik had er in ieder geval meer moeite mee dan verwacht. Maar uiteindelijk doet hij wat hij al ruim twintig jaar doet: een volstrekt eigen wereld creëren waar je steeds iets nieuws in ontdekt. En dat is misschien wel de grootste kracht van Phideaux.