Mijn eerste recensie voor Progwereld stamt uit februari 2002: “Infatuator” van de band Silent Force. Nee, daar heb je nog nooit van gehoord, en dat geldt voor 99% van de bands waarover ik een beschouwing mocht schrijven. Ik kreeg, en krijg, altijd de acts die er minder toe doen, die niet in de Wereldse Top 25 komen, die vaak eigenlijk niet eens “prog” zijn, maar waar de redactie een beetje mee bleef zitten. Dat komt omdat men mij niet mag.
Ik herinner me nog goed het eerste gesprek (trouwens ook het laatste gesprek) dat ik met toenmalig hoofdredacteur Maarten had. Hij zat verveeld aan zijn bureau in de kamer met uitzicht op het fust van de Jumbo die grensde aan het kraakpand in Zoetermeer waar Progwereld zijn intrek had genomen. Ik had een testrecensie geschreven, op de achterkant van mijn strippenkaart, want zelfs gratis papier was er niet bij in die tijd. Ik was met de bus gekomen uit Papendrecht en had die drie uur reistijd benut om de laatste verbeteringen aan te brengen. Ik vond het een heel mooie, gewogen bespreking van niet zo’n beste plaat, maar Maarten, voor zover hij ernaar luisterde terwijl ik voorlas, vond mijn inspanningen niks.
“’Zappa-esque’, dat is ten strengste verboden,” kraste hij. “En begint die derde alinea wel met een ‘hard return’?” Ik stamelde dat ik met mijn stompe potloodje lastig returns kon geven, laat staan ‘harde’, maar hij was al opgestaan en hield de deur van zijn kantoor open. Ik liep met gebogen hoofd naar buiten, maar vlak voor het einde van de donkere gang beet hij me toe: “Volgende week beginnen, eigen typemachine meebrengen!”
Nou ja, sindsdien is het eigenlijk vooral bergaf gegaan. Op de redactie kreeg ik het gammele tafeltje (niet eens een bureau, meer een laag bijzettafeltje) het dichtst bij de voortdurend verstopte toiletten, het verst van het koffiezetapparaat verwijderd. Dat laatste gaf niet, want ik had de eerste vijf jaar helemaal geen toestemming om daar aan te zitten.
Als ik terugkijk op de recensies die ik mocht schrijven, valt één ding nadrukkelijk op: Gratto, Proloud, Heaven’s Cry, Roberto Colombo, Dogstar Poets, EGH, Desdemona, Show-Yen, Merengue 4, Broken Arrow, Cartoon, Condition Red, The Red Masque, Darling, Morsof, Igzit-Nine, Alkemy, Razor Wire Shine, Salva, Simon Apple, Skyron Orchestra, SvartePan: de lijst bands die het niet gered hebben is eindeloos. Waar collega’s zich konden verheugen in de nieuwste van Transatlantic of Riverside, moest ik het doen met Watertouch, Lucas, White & Edsey en Sympozion, bands die vaak in hun – voor mij onverstaanbare – moerstaal zongen over thema’s waar ik geen donder van begreep. Het ergste was de band Zlimt, een Albanisch octet dat djent combineerde met polka en daarbij in het Albanisch teksten brulde waarvan ik alleen de naam Von Ribbentrop herkende.
Gelukkig is het met Progwereld zelf in de loop der jaren alleen maar beter gegaan. In 2009 verhuisde de redactie naar een oude villa, in het kader van antikraak, waarvan de toiletten het zowaar deden. Ook kregen we een nieuwe websitebouwer die ervoor zorgde dat de boel er niet meer een week uit klapte als iemand per ongeluk een accent aigu gebruikte, en die de mogelijkheid inbouwde om advertenties te plaatsen. Dat leverde uiteindelijk zoveel geld op dat die gammele poot aan mijn tafeltje gerepareerd kon worden.
De grootste verbetering was de fact-check-afdeling die in het leven werd geroepen. Drie mensen zijn nu voortdurend bezig om onze beweringen met AI te controleren op fouten of onwaarheden. Sindsdien komt het niet meer voor dat iemand de muziek van Yes ongestraft zeuhl kan noemen, dat Rush als viertal wordt omschreven, of Van Morrison als een aardige man. De andere kant van het succes is wel dat we nu om de haverklap worden aangeklaagd wegens smaad als we een plaat de grond in boren. Dat ik ooit een meesterwerk van Devin Townsend omschreef als ‘een compleet circus op een trilplaat, het zijn zes deathmetalalbums tegelijk op 78 toeren, het is een volslagen hysterische poging om het beroemde stuk “Achtentwintig knikkers in de droogtrommel” uit te voeren met zoveel mogelijk muzikanten. En het is best wel druk’. Dat zou nu niet meer kunnen. Termen als “dodelijk saai”, “volstrekte kakofonie” en “zonde van de slijtage aan mijn cd-speler” moet je als empathisch recensent voor je houden, want je hebt zo een proces aan je kont. En een aansprakelijkheidsverzekering, die hebben we natuurlijk niet.
De voortschrijdende techniek maakt ook wel dat recensies aan een steeds strikter format moeten voldoen. Ik noemde de ‘harde return’, maar er is veel meer waar je rekening mee moet houden. Per stuk mag je nog maar één keer “virtuoos” gebruiken en wie in twee achtereenvolgende recensies het woord “lukraak” schrijft, moet een week op de gang zitten. En daar is nog steeds geen licht of verwarming.
Progwereld is uitgegroeid tot een begrip, een vaste waarde in de vaderlandse progscene (het is geen grote scene, ze komen elke tweede zaterdag bij elkaar in café Dijkzicht in Loosdrecht), en zelfs in het buitenland kijken acts reikhalzend uit naar onze recensies. Die kunnen ze vervolgens niet lezen. En omdat we nog steeds geen punten of sterren geven, levert het ze niks op, maar zelfs het vermóeden van waardering is al een reden om onze site met argusogen in de gaten te houden.
Ik schrijf inmiddels 24 jaar voor Progwereld. Volgend jaar vier ik mijn 25-jarig jubileum, nét een jaar na het instituut zelf. Ik verwacht er niet veel van, ze mogen me immers nog steeds niet. Voor mij geen Big Big Train of Flower Kings, mijn volgende recensie gaat over een Duits symfo-metal-ensemble dat optreedt in pluizige kostuums en er zelf zo weinig van verwacht dat ze de plaat “Drecksau” hebben genoemd. Maar ik ga hem blijmoedig schrijven in mijn tochtige hoekje van de redactie, in de wetenschap dat ik een waardevolle bijdrage lever aan ons uitgebreide lezersbestand, aan de progressieve muziek in het algemeen, en aan de onbesproken, ongeliefde en snel vergeten kutbandjes in het bijzonder.
Ook al weet je niet meer wie ik ben: dank je wel, Maarten.
