
Denk je met “The Passing” van de Canadees Jakob Roberge de ontdekking van het jaar gemaakt te hebben komt er nog een jonge muzikant op de proppen met een symfonische rock album met allerlei klassieke verwijzingen zowel in compositie als orkestratie en arrangementen. Ditmaal gaat het om de Noor Kay Olsen die ons onder de naam Agropelter met “The Book Of Hours” compleet verrast.
Het hoofdinstrument van Kay is de gitaar maar het toetsen arsenaal is in de breedste zin des woord de hoofdmoot op dit instrumentale album waar het toetsenwerk veel weg heeft van Anima Mundi’s Virginia Peraza. Geïsoleerd door de pandemie begon hij in 2020 met het schrijven van de muziek door veel te experimenteren, improviseren en gewoon plezier te maken. Vanuit het hoofdidee zijn de meeste nummers meerdere keren herzien om zijn gevoel in vast te leggen en het vervolgens te proberen het elke keer te verbeteren. En met de subtiele melodieën en harmonieën zijn de raakvlakken met die andere grote Noorse componist, Edvard Grieg, zo gelegd.
Naast sfeervolle en vurige gitaar passages worden we drie kwartier lang vooral getrakteerd op een overvloed aan weelderige vintage klanken van Mellotron, Hammond-orgels, ARP, Minimoogs en Taurus-baspedalen. Vrijwel alle gitaar-, bas-, kerkorgel- en keyboard leads op het album zijn ingespeeld door Kay Olsen. De ritmesectie bestaat uit Andreas Sjøen (Umpfel, VÅDE, Sean Ashe) op drums en Mattias Olsson (Änglagård, White Willow, Molesome) die de percussie, vintage synth-overdubs en sfeerbepalende natuurgeluiden voor zijn rekening nam. Verder zijn er een paar strijkers en hout- en rietblazers die de klassieke toonzetting nog meer cachet geven.
Het album begint met Flute of Peril, een korte intro van twee minuten waarin het centrale thema uit de finale wordt geïntroduceerd. Dit kent atmosferische accenten en gitaargeluiden die Steve Hackett uit zijn beste jaren laat horen. Zaliger kun je niet beginnen.
In zorgvuldig opgebouwde tempowisselingen met jaren 70 en 80 synths van Genesis en Vangelis, lekkere bassen en een stevige metal gitaar volgt Levitator. Het wordt op volle kracht afgesloten met het 53 registers tellende Harrison & Harrison-orgel in de Frognerkerk in Oslo en gaat met pastorale klanken over in Burial Mound. Het is een moment van bezinning met zacht dansend cimbaal- en percussie accenten en kent een slimme zet om de zingende fretless basgitaar solo door Jonas Rheingold (Steve Hackett, The Flower Kings, Kaipa, Karmakanic) te laten inspelen, wat de muziek naar een nog hoger niveau tilt.
De laatste vier nummers vormen het ruim half uur durende titel suite die op natuurlijke wijze in elkaar overlopen en verschillende variaties kennen op het hoofdthema. Deel I start ingetogen, schept veel nuances en gefluisterde noten maar kent ook verschillende stukken groovende rockmuziek. Briljant zijn de twee klassieke piano gedeelten, ingespeeld door Jordi Castella, die het werk van Beethoven en Rachmaninov benaderen. Deel II draait volledig om warme toetsen met tussendoor een mystieke duduk en een zalige gitaarsolo in de geest van Camel.
Deel III zal – met een laag brommend elektronisch geluid gecombineerd met de vlotte keyboard leads en een stuwende rock climax vol koorzang – de fans van Rick Wakeman zeker bekoren. Deel IV ten slotte, opent met een middeleeuws thema op klassieke gitaar en een cembalo (een soort klavecimbel) bespeeld door Eli Mine en gaat over in een grande finale met flarden Genesis toetsen, arpeggio accenten en slepende gitaarsolo’s.
Er is geen enkele tekst of afbeelding die verwijst naar het concept achter het verhaal van dit getijdenboek. Het gaat louter om het gevoel dat de luisteraar zelf bij zichzelf moet zoeken zoals de componist dat ook heeft gedaan. Kay Olsen heeft hiermee een meesterlijk symfonisch rockwerk neergezet vol gelaagdheid, texturen en emoties. Er heerst daarmee een waardige sfeer, zonder elitair over te komen waardoor de progressieve rock springlevend gehouden wordt door weer een jonge componist en dat belooft heel veel voor de toekomst.
CD:
LP: