
Collega Hans Ravensbergen was vrij snel klaar met zijn recensie van “Melos”, het debuut van de Italiaanse band Cervello. Hij kon niet ontdekken waarom de geschiedschrijvers hierover zo vol lof waren. We schrijven 1973. De band opereerde in de nabijheid van Osanna, Premiata Forneria Marconi en Banco del Mutuo Soccorso. Het kwam nooit tot een tweede album. Tot nu. Bizar eigenlijk, dat men na een halve eeuw oude nummers van de plank heeft afgestoft en besloten deze toch uit te brengen.
“Chaire” is de titel van het ‘nieuwe’ schijfje. In het Grieks zou dit zoiets als hallo en tot ziens betekenen. Het ‘tot ziens’ bij hun derde schijf, waarschijnlijk over vijftig jaar uit te brengen, maak ik dan niet meer mee. Corrado Rustici heeft de eindjes bij elkaar geknoopt en het oude materiaal opgepoetst. Saillant detail is dat de zanger van weleer, Gianluigi Di Franco, in 2005 overleed.
De muziek is best te pruimen. Cervello creëert een wonderlijke mix van progressieve rock in de oude Italiaanse stijl, zo horen we uitingen van verstilling, tot behoorlijk wat jazzuitbarstingen, via pastorale passages en stukken spacerock. De dwarsfluit en akoestische gitaar zorgen nu en dan voor de ingetogen momenten, terwijl de saxofoon de dwarse maatsoorten inkleurt. Opvallend is dat gitarist Rustici het volledig aflegt tegen blazer Giulio D’Ambrosio. Een gitaarsolo, net als eentje op toetsen, is met een lantaarntje te zoeken. Dit zegt meteen ook iets over het bandgeluid. De behoorlijke stem van Di Franco laveert overal kundig tussendoor. Gepassioneerd klinkt hij, maar minder dan enkele van zijn landgenoten. Een enkele keer duikt de marimba op om nog een subtiele duit in het zakje te doen.
De twee Chaire-stukken waar het album mee begint en afsluit zijn ronduit zweverig, met gesproken tekst. En tussendoor dan die mix, waarbij mijn voorkeur uitgaat naar de rustige momenten of wanneer de saxofoon ongeveer als een gitaar klinkt. Het nummer Templi Acherontei bevat de meeste van genoemde elementen wel.
“Live at Pomigliano 1973” maakt ook deel uit van de titel van deze cd. Als toetje krijgen we heel oude liveopnamen van dit gezelschap te horen. Dit is echt doorbijten geblazen, want het experimentele karakter van de muziek van deze verre zuiderburen krijgt hier nadrukkelijk de overhand. De zang is hier tenhemelschreiend en de ritmes zijn nauwelijks te volgen. Het lijkt erop alsof ze zo dwars mogelijk wilden spelen en zich wilden afzetten tegen alles wat met melodie te maken heeft. Er zullen vast liefhebbers zijn voor dit soort amorfe klanken, maar ik reken mezelf hier niet toe.
Gelukkig is “Chaire” een stukje toegankelijker, anders was ik nog veel sneller klaar geweest dan Hans destijds.