
In 2018 deed deze ‘supergroep’ voor het eerst van zich horen. “Hoezo supergroep?”, hoor ik u denken… Stephen Bennet (Henry Fool), Ketil Vestrum Einarsen (White Willow), Mattias Olsson (Ånglagård) en Jacob Holm-Lupo (White Willow) hebben hun sporen wel verdiend in de progressieve rockscene. Daar staat tegenover dat de zoekterm ‘Galasphere 347’ op onze onvolprezen website helaas geen enkel resultaat oplevert. Het debuutalbum met dezelfde titel van dit Anglo-Scandinavische gezelschap heeft onze burelen destijds dan ook om de één of andere duistere reden niet bereikt.
Ruim zeven jaar later ligt er een vervolg op dit debuut in de mediaspeler. De ‘supergroep’ is teruggebracht naar een trio en Jacob Holm-Lupo speelt nog slechts op één track als gastmuzikant mee. De overige gastmuzikanten zijn voorwaar niet de minsten: Myke Clifford van Henry Fool, Pete Smith van Subway, John Jowitt van IQ en Jadis, en Bjørn Riis van Airbag. De heren van Galasphere 347 halen hun invloeden uit de progressieve rock, krautrock en het singer-songwriter-oeuvre. De nummers gaan over verlangen, nostalgie en het gevoel van verlies dat we ervaren bij de keuzes die we soms maken in ons leven.
De openingstrack begint met een hectische soundscape en dito intro van de band waarbij gitaar en synth gelijk optrekken. De baspedalen, het stoffige geluid, waarbij de energieke drums, met name de toms, klinken als kartonnen dozen, doen een beetje aan de klank van “Duke” van Genesis denken. Dit wordt versterkt door het gebruik van de analoge ARP Odyssey, veel Mellotron en de Yamaha CP-70 elektrische piano.
Een ander curieus instrument dat zanger Stephen James Bennet bespeelt, is de gizmotron, een soort effectapparaat voor de gitaar dat begin jaren zeventig werd ontwikkeld door Kevin Godley en Lol Creme van 10CC. Het stemgeluid van Bennet houdt het midden tussen Tim Bowness en David Gilmour. Hij mist echter het emotionele karakter van beide grootheden, waardoor zijn stem de nodige zeggingskracht ontbeert.
Hadden we het zojuist over de klank van “Duke”? Het begin van Life as an Architect lijkt zo uit de ‘never released before’ tracks van “Duke” te komen. Daarna wordt het een stuk rustiger en draagt het nummer een sterk jaren tachtig-stempel met de Mellotron en andere keyboards. De drums blijven energiek en vrij hard in de mix. De omfloerste zang van Bennet valt daarbinnen niet erg op. In de tweede helft doet de elektrische gitaar op niet al te indrukwekkende wijze zijn intrede. De dwarsfluit van Ketil Vestrum Einarsen gaat daarentegen wel flink tekeer op het eind.
Broken Bones begint rustig, waarna de saxofoon van Myke Clifford het heft in handen neemt. Samen met de stuwende bas van John Jowitt weet ook Bennet hier wat meer kleur aan zijn stem te geven. Bjørn Riis had al een kort duet met Clifford uitgevochten en mag in het middendeel shinen met zijn karakteristieke gitaarspel. Het slotpleidooi is weer voor het duo Riis en Clifford. De ballad Nighthawks heeft niet veel om het lijf, terwijl Persephone wordt gekenmerkt door synthesizers, slepende gitaren en holle, bombastische drums.
In de titeltrack komen Jean-Michel Jarre en Tangerine Dream om de hoek kijken. Wanneer de ritmesectie en de zang weer aanschuiven zijn we weer met twee voeten op de aarde beland. Het gitaarwerk van Riis in het slotdeel is weer prima, al klinkt de combinatie met de Mellotron op zijn zachtst gezegd merkwaardig. Afgezien van het feit dat Hiraeth Part 2 een herhaling van Part 1 is, horen we allerlei merkwaardige overgangen waarin soms ongelukkige instrumentale keuzes worden gemaakt. Dat wordt gelukkig weer allemaal goed gemaakt door Riis met zijn gitaarsolo.
Deze “syntax of things” heeft me niet echt kunnen overtuigen. Soms hoor je allerlei leuke referenties aan vervlogen tijden, en drummer Mattias Olsson laat met regelmaat indrukwekkende breaks en ritmes horen, maar ik ben geen liefhebber van de geluidsafstelling van zijn toms. De composities blinken niet uit en zanger Bennet is geen sterke troef binnen het geheel. Een aantal mooie baspartijen van Jowitt, een vette saxofoon van Clifford en een aantal fraaie solo’s van Riis kunnen deze band dan ook niet aan het stempel ‘supergroep’ helpen.