
Ruim twee jaar na “Open Doors” verrast Soft Machine met een nieuw album dat precies hetzelfde is, maar dan veel beter. Waar onze recensent van dienst “Open Doors” op den duur een beetje zat werd door de ellenlange improvisaties, Is “Thirteen” over het algemeen een veel beheerster album. Dat blijkt al uit het feit dat er maar liefst dertien stukken op staan.
Voor de jonge luisteraartjes: Soft Machine was/is een jazzrock-formatie uit de jaren zeventig van de vorige eeuw, gevormd door Mike Ratledge, Robert Wyatt, Kevin Ayers, Daevid Allen en Larry Nowlin. Ze speelden een belangrijke rol in de befaamde Canterbury scene, waar ook Camel, Caravan en andere bands opereerden. Soft Machine was altijd veel meer jazz dan al die andere groepen, vaak op het abstracte af.
Van die oorspronkelijke bezetting is niemand meer aanwezig, met uitzondering van Daevid Allen, die zowaar opduikt in slotnummer Daevid’s Special Cuppa. (Zijn gitaarpartij was echter al opgenomen in 2000, het nummer is daar omheen gebouwd.) In de loop der jaren was de band een duiventil van muzikanten, waaronder Andy Summers, Hugh Hopper, Karl Jenkins en Allan Holdsworth. De band ging uit elkaar in 1978, kwam nog twee keer terug begin jaren tachtig, en verdween daarna tot 2004, toen The Soft Machine Legacy werd opgericht, met o.a. John Etheridge in de gelederen. Onder die naam is een aantal platen uitgebracht. In 2015 heeft de band dat ‘Legacy’ laten vallen. Inmiddels was ook Theo Travis tot de band toegetreden. In 2021 verving Fred Thelonius Baker bassist Roy Babbington, die met pensioen ging, in 2023 werd drummer John Marshall vervangen door Asaf Sirkis, en daarmee zijn we in het hier en nu beland.
Wat opvalt aan “Thirteen” is dat de heren nog net zo kunnen vlammen als vroeger, en dat regelmatig doen. (Etheridge is inmiddel 78.) In Green Books gaat Travis los op zijn saxofoon alsof hij John Coltraine is. Herhaaldelijk laat Etheridge horen wat voor virtuoos hij is. Op dat soort momenten moet je je best doen om de draad van de muziek niet kwijt te raken.
Maar op veel andere momenten is dat heel makkelijk. Beledo Belado (in de bijsluiter “Balado Beledo” genaamd) is een zeer toegankelijk stukje jazzrock met een duidelijk thema en een mooie basgitaarsolo. Veel van de nummers zijn kort; elf klokken er rond of onder de vijf minuten. Ongeveer de helft is geschreven door Travis. Slechts één stuk, het korte Pens to the Foal Mode, is geschreven door het collectief. De meeste stukken hebben een duidelijke structuur, al wordt er nog steeds veel geïmproviseerd. Een paar composities van Travis is wat traditionelere jazz, zoals Time Station, dat bijna ouderwets gezellig is. Disappear is een weemoedig stuk voor piano en fluit.
Die korte nummers zorgen er wel voor dat oeverloze jams en improvisaties dit keer grotendeels uitblijven. Slechts twee langere nummers doorbreken dat patroon: Open Road en het toepasselijk getitelde The Longest Night. Dat laatste stuk heeft een prachtig saxofoonthema, dat later door alle instrumenten wordt overgenomen, en een glansrol voor Travis en Etheridge, die geweldige solo’s spelen. Open Road is wat mij betreft het beste nummer van het album. Het rockt, het heeft een heldere structuur, en er wordt waanzinnig knap gemusiceerd. Turmoil, de enige bijdrage van bassist Baker, is ook stevig, vooral door de geweldige fuzzbas-solo. Daevid’s Special Cuppa is een fraai zweverig stukje psychedelica. De glijdende gitaarnoten van Allen worden ingebed in een oosters klinkend arrangement met een duduk, een Armeense fluit. Een stijlbreuk, maar wel een mooie afsluiter.
“Thirteen” is een virtuoos anachronisme. Je zou kunnen zeggen dat het de meest toegankelijke plaat is die Soft Machine ooit gemaakt heeft, maar dit album had met hetzelfde gemak in 1979 kunnen verschijnen, of in 1969. Of dat goed of slecht is, laat ik aan je eigen inschatting over. Ik heb er in elk geval zeer van genoten.