
“Two for the Show” is het eerste live-album van de Amerikaanse band Kansas. Het is ook het enige live-album in de originele bezetting met Kerry Livgren (toetsen/gitaar) en Dave Hope (basgitaar). Het album kwam in 1978 uit als een dubbel LP en bij de invoering van de CD werd het als een enkele CD uitgegeven waarbij de track Closet Chronicles ontbrak.
De opnames voor deze dubbel LP werden gemaakt tijdens drie tournees die de band in 1977 en 1978 ondernam. De hoes is gebaseerd op een schilderij van de Amerikaanse kunstschilder Norman Rockwell, getiteld “The Charwomen” (de schoonmaaksters). Het schilderij stond op de cover van The Saturday Evening Post van 6 april 1946. De artistiek leider van de band, Tom Drennon, maakte een paar aanpassingen met verwijzingen naar de band en zo werd het schilderij bevorderd tot een Kansas albumhoes.
Aan de opnames is, in tegenstelling tot veel live registraties uit die tijd, niet achteraf in de studio gesleuteld. Het is een eerlijke weergave van een Kansas concert uit die tijd. En dat was een ware muzikale ervaring. Wat opvalt is dat veel nummers in een hoog tempo worden uitgevoerd. Drummer Phil Ehart zegt daarover: “neem 20.000 schreeuwende fans en zes jonge kerels, stijf van de adrenaline en zie hier het resultaat”.
Dat hoge tempo doet echter totaal geen afbreuk aan de uitvoering van de, met vlagen complexe, nummers. De heren waren duidelijk op de top van hun kunnen en bewogen zich met speels gemak door het repertoire van hun eerste vijf albums met de nadruk op de laatste twee kaskrakers “Point of Know Return” en “Leftoverture”.
De unieke muziek van Kansas draagt veel verschillende invloeden. Hun roots liggen vooral in de southern rock met een duidelijke rauwe energie. In hun heldere zanglijnen (vaak meerstemmig) klinken ook country-invloeden door terwijl de sporen van de inheemse folklore (Kaw-indianen) nooit ver weg zijn. Dit alles wordt vermengd met een gezonde belangstelling voor de symfonische rock van Yes en Genesis.
Het album begint met twee grote ‘hits’, Song for America en Point of Know Return. Veel speelse ritmiek, gelardeerd met de nodige accenten door Phil Ehart. Deze drummer wordt misschien wel wat onderschat. Hij houdt deze adrelanine-kerels, ondanks tempo- en maatwisselingen, wel retestrak in het gareel en strooit ondertussen continu met allerlei listige accentjes. Steinhardt wisselt op zijn viool klassieke melodielijnen af met traditioneel fiddlewerk en zingt daarnaast een fijne tweede stem en soms zelfs een krachtige lead.
Bij Paradox gaat de zweep erover. Walsh kan vocaal heerlijk los in dit progressief meesterwerkje in hoog tempo. Daarna volgt het majestueuze Icarus- Borne on wings of steel, een sublieme staalkaart van wat Kansas allemaal in huis heeft. Rauwe classic-rock, prachtige tweestemmige zanglijnen, geweldig viool- en toetsenwerk, heerlijke gitaarsolo’s van zowel Livgren als Williams en veel tempowisselingen. Dit iconische nummer zou in 2000 een, zo mogelijk, nog majestueuzer vervolg krijgen op het album “Somewhere to Elsewhere”.
Kant twee opent met Portrait (He Knew) waarin Walsh zich vocaal weer van zijn beste kant kan laten horen. Heerlijk zijn die snelle passages waar gitaar, toetsen, viool en drums gezamenlijk optrekken als opmaat naar de furieuze gitaarsolo van Livgren. Geniaal hoe dit nummer vervolgens naadloos overgaat in Carry On Wayward Son. De bekende meerstemmige zang in het refrein en de iconische riff, zo krachtig wanneer Williams en Livgren die samen spelen.
Met Journey from Mariabronn grijpt de band terug op haar debuutalbum om te laten horen dat ze toen ook al een symfonisch meesterwerk in huis hadden. Mooi is hier het Wakemaneske toetsenwerk van Livgren, maar ook het lekkere rauwe begeleidende werk van Williams.
Kant drie opent rustig met Dust in the Wind en een pianointro van Livgren voor de schitterende ballad Lonely Wind. In het snelle en rauwe Mysteries and Mayhem zijn de lead vocals van Steinhardt met Walsh in de tweede stem. Maar luister eens naar dat heerlijke krachtige begeleidingswerk van Williams, om van te smullen. En weer een naadloze overgang naar het symfonische thema uit de Lamplight Symphony, als een duveltje uit een doosje. En alsof dat nog niet genoeg was wordt ook The Wall er nog aan vastgeplakt. Wanneer je niet beter zou weten zou je denken dat je naar een compositie van zo’n twaalf minuten had geluisterd met het ene kippenvelmoment na het andere.
De Closet Chronicles openen het bal op de laatste LP-kant. Het eerste deel bevat bijna klassieke melodielijnen, gevolgd door een zeer progressief instrumentaal middendeel, waar de verschillende instrumenten elkaar afwisselen. Livgren dwingt weer ontzag af met een flitsende synthesizersolo.
Uiteindelijk keert de band weer terug naar het eerste deel.
Het album sluit af met het langste nummer, Magnum Opus, een terechte titel. Na een psychedelische en onheilspellende intro komen we in plechtige indiaanse sferen. Via een bluesy overgang duiken we in een instrumentale achtbaan, een waar huzarenstuk. Het slot brengt ons weer naar het magnifieke indiaanse thema.
Zoals al vermeld in de inleiding waren de heren ten tijde van deze opnames wel op de top van hun kunnen. Er wordt met enorm veel energie gespeeld en gezongen en het rauwere gitaarwerk wordt absoluut niet geschuwd. Daarnaast wordt alles wel met technische beheersing uitgevoerd wat zorgt voor een fantastische muzikale ervaring.
Op de Remastered 30th Anniversary Edition van 2008 werd een tweede CD toegevoegd met nog veel meer moois uit deze periode, zeker de moeite waard om te beluisteren.
Ik prijs mezelf gelukkig dat ik deze samenstelling in 1981 tijdens het Sjiwa Summer Rock Festival in het Limburgse Baarlo nog heb mogen aanschouwen. Van dat optreden zijn nog uitstekende opnames te vinden op YouTube.
Mooier dan dit is het nooit meer geworden.