De echte nummer 1

Lees ik het wel goed in dit AD artikel? ‘Maximaal 50 min mag je in uitverkocht Top 2000 Café en dan krijg je een half uur Pink Floyd: ‘Als je pech hebt’. Als je pech hebt? !&#$%#! Je hebt geen pech! Het is een voorrecht om Echoes te mogen ondergaan (want over dat nummer ging deze opmerking). En dan bij voorkeur niet met een verschraald lauw pilsje in de hand met hossende en lallende Medelanders om je heen, maar met iets geestverruimends, dat in managementkringen als Luisteren, Samenvatten en Doorvragen wordt gebezigd.

Nee, die voorspelbare Top 2000 met elk jaar dezelfde stoelendans in de top 10 en een vastgeroeste nummer 1 waarvoor je in een Engels gokkantoor geld moet toeleggen. Dát is pech hebben. Run Like Hell zou ik zeggen en See Em(m)ily Play als Another Brick in the Wall. Neem nou onze top 10 van dit jaar. Vrijwel elke recensent heeft een andere nummer 1 en is er een keur aan verschillende bands en subgenres die het leven kleur geven en die regelmatig Pink Floyd als inspiratiebron zien, in Any colour you like.

Maar er is hoop voor de progrock. Als kantoorslaaf hield ik met een jonge collega eens tussen kerst en nieuwjaar de laatste administratieve cijfers bij onder haar voorwaarde dat de radio op de Top 2000 werd afgestemd als stemmige achtergrondmuziek. Het leek op One of these Days tot die ene ochtend. De Fat Old Sun kwam in een nevel van karmijnrode kleuren op en plots hoorde ik die overbekende Cis op de piano, vervormd door een Leslie-effect dat je associeert met de sonar van een onderzeeboot. Ik veerde op en genoot 23 minuten lang van dit memorabele psychedelische nummer, waarbij je niet in een bad trip moet belanden. Want je kunt zomaar paranoïde raken en in een panische angst blijven hangen, als in het tussenstuk de kraaien krassen en David Gilmour zijn meeuwengeluid uit zijn zwarte Fender Stratocaster laat krijsen.

Mijn collega was stiller dan ooit en stamelde ‘wat is dit nu voor een muziek?’ Ik legde via de LSD-methode uit waar ze nu precies naar geluisterd had – iets van ver voor haar geboortejaar – en ze was verrukt, ze had nog nooit zoiets gehoord en was aangenaam verrast. Er is dus hoop. Ook al stond Run Like Hell laatste op plek 2000, Echoes was dit jaar al gepositioneerd op plaats 200. Dus roep alle progliefhebbers op om Echoes volgend jaar als nummer 1 te stemmen zodat we meer zieltjes kunnen winnen voor ons genre en we het jaar niet meer met ‘Oh, mamma mia, mamma mia mamma mia, let me go’ hoeven uit te luiden, maar in koor brullen: ‘And no one knows the where’s or why’s. But something stirs and something tries’.

Massa

… is kassa. Nee, vrees niet. Deze column gaat niet over een gezette bekende Nederlander. Ik wil het met je hebben over een opvallende trend in platenzaken en webshops. 
 
Ken je het gezegde ‘overdaad schaadt’? Wanneer je van iets te veel krijgt of hebt, kan dat schadelijk zijn. Tenminste, dat leerden mijn ouders mij. Het fenomeen ‘overdaad’ duikt in toenemende mate ook in de muziekindustrie op. Om het dichtbij te houden, ook in ons wereldje, het progwereldje. 
 
Diegenen die muziekbladen lezen, geabonneerd zijn op e-zines van webshops of op andere wijze geïnformeerd worden over aanbod van muziek moet het zijn opgevallen. De stroom aan uitgaven, heruitgaven, zogenaamde anniversary-edities op talloze muziekdragers, beeld en geluid, vinyl, en ook nog eens in talloze kleuren. Laat ik eens een greep doen in het aanbod wat mij afgelopen tijd passeerde. 
 
Het album “The Century Of The Self” van Airbag, te verkrijgen op cd, cd-digi-ltd, lp-zwart, lp-rood, lp-rood/zwart. “Luck And Strange” van David Gilmour. Maar liefst zes verschillende versies: 2cd-box-bluray-boek, 2lp-bluray-boek, lp-zeeblauw, lp-zwart, 2cd-digi, bluray. Onze Noorse vrienden van Leprous bieden hun album “Melodies Of Atonement” aan op cd-digi, 2lp, cd-jewel, cd-mediaboek-patch, 2cd-bluray-artboek. Vooruit, nog eentje maar. Opeth doet ook mee met het album “The Last Will And Testament”. In vijf verschillende versies: 2lp-zwart, cd, cd/bluray digi, cd/bluray/2lp donkergroen box, 2lp zilver. 
 
De uitsmijter van het jaar is de vijftigjarige editie van Pink Floyds “Wish You Were Here”. Deze kan aangeschaft worden als deluxe box met daarin 2 cd’s, 4 lp’s, een bluray, speciale single, twee boeken en een poster. Maar ook op geel vinyl, dubbel cd, bluray en op 3 lp’s. De Kerstman kan zijn borst natmaken. 
 
Een ander fenomeen is de boxset. Dat is een box waarin bijvoorbeeld volledige oeuvres worden uitgebracht, zoals laatst “Planet Ekseption” van Ekseption met daarin 13 cd’s. Maar de kroon als het gaat om boxsets is “The Prog Years Redux” van Rick Wakeman. Deze boxset telt slechts 32 cd’s. 
 
De vraag is of deze overdaad ook schadelijk is. Fijne Kerstdagen! 

Live and let live 2

Ik kan het toch niet laten.

In maart van dit jaar schreef ik een column waarin ik een lans brak voor livealbums die in mijn ogen ondergewaardeerd werden. Dat laatste zeker met betrekking tot de inmiddels beroemde/beruchte eindejaarslijstjes. Ik hield een vlammend betoog over de geneugten van live versus studio. Dat illustreerde ik nog met een aantal iconische voorbeelden én de belofte om er een aantal alsnog van een recensie te voorzien. Dat laatste is maar zeer summier gelukt, ik geef het grif toe.

Desondanks heb ik toch nog maar eens teruggekeken naar het inmiddels bijna ten einde lopende jaar 2025 en de vangst op het gebied van nieuwe livealbums. En ik kan jullie vertellen: het resultaat daarvan vervult mij met grote vreugde. Want die vangst is bepaald niet slecht: ik tel inmiddels maar liefst 20 (twintig) nieuwe livealbums en ook nog eens een paar luxe remasters die een volledig concert als bonus herbergen. Zeker geen slechte oogst voor een min of meer gemiddeld progjaar, zou ik zeggen. En gelukkig: (bijna) alle dit jaar uitgekomen albums zijn ook door een lid van ons team van een recensie voorzien; hulde aan eenieder!

Er zit weer een aantal juweeltje tussen, eigenlijk te veel om op te noemen, maar ik wil jullie toch mijn persoonlijke top 10 niet onthouden, in min of meer willekeurige volgorde:

David Gilmour – Live at Circus Maximus Rome
Jon Anderson & The Band Geeks – Live Perpetual Change
Gentle Giant –  Playing The Fool (The Complete Live Experience)
Big Big Train – Are We Nearly There Yet
Steve Hackett – The Lamb Stands Up Live At The Royal Albert Hall
Unitopia – Alive And Kicking
Barock Project – Live Voyager
Dream Theater – Quarantième: Live à Paris
Crack the Sky – Live 1st Album 50th Anniversary
Jethro Tull – Aqualung Live

En dan zijn er dit jaar ook nog liveregistraties uitgekomen van bijvoorbeeld Jadis, Kayak, Riverside, District 97, Magnum, Hawkwind, Beat, Leprous, en Jan Akkerman. Die laatste moet nog uitkomen, wat ook geldt voor Barock Project. Yes, Jethro Tull en Solution brachten oud werk opnieuw uit en voegden daar (bonus) live-cd’s aan toe. Hetzelfde geldt voor het nieuwe studio-album van John Lees’ Barclay James Harvest, waar ook een bonus live-cd bij zit. Een prima resultaat dus, de liefhebbers van livemuziek zijn ook dit jaar weer goed aan hun trekken gekomen.

Resteert alleen nog de plicht om mijn belofte na te komen en die iconische livealbums van weleer van een passend commentaar te voorzien. Als ode aan de uitvoerenden, maar ook voor mijn eigen grote plezier.

Ik kan het toch niet laten.

Eindejaarslot

Het hele jaar door mag het woord jaarlijstmateriaal niet gebezigd worden op de redactie. Er werd zelfs een agendapunt van gemaakt in de jaarvergadering, omdat de taglijst alsmaar uitgebreider werd en jaarlijstmateriaal sec genomen natuurlijk geen muziekstroming is. In een hamerstuk werd deze term vakkundig door de hoofdredacteur gekild en zat er een ban op dit woord om het vooral nooit meer in een recensie te zetten.

Echter, voordat überhaupt de paashaas zijn kostbare eieren in het vroege voorjaar kon verstoppen, werden de eerste pareltjes al door recensenten weggegeven en tast het hun geloofwaardigheid op proggebied aan als er medio zomer al twintig topalbums staan te dringen voor hun eindejaarlijst.

Progwereld deed, doet en zal nooit een cijferbeoordeling gaan geven voor albums. Wat voor de een namelijk een lust voor het oor is, kan voor de ander een martelgang zijn. En waar de een lyrisch is over de zoveelste heruitgave zal de ander de wenkbrauwen fronsen als de uitgerangeerde muzikant spreekt over zijn beste album tot nu toe. Uit de subjectieve beoordeling moet de lezer zijn eigen mening gaan vormen om zijn luisterplezier uit prog te halen.

En nu, tegen het eind van het jaar, wanneer uw recensenten dan eindelijk los mogen gaan om de lijst der proglijsten van dit jaar aan te bieden volgens hun zelfbedachte puntenjurering en waardering, slaan het noodlot en de stress toe. Want er wacht een helse taak om de eindbeoordeling te geven laat staan de uitgekozen albums ook nog eens fatsoenlijk te rangschikken. Hierbij vergeleken leeft de vetgemeste kalkoen vredig toe naar zijn laatste kerst.

Dit jaar werden we verrast met een legendarische drummer die terugkeerde op het oude nest en meteen de vellen adequaat uit de trommels sloeg. Eee progicoon die tussen het mixen van allerlei oude, grote rockalbums door weer eens een heerlijk spaceprogrockalbum uit de hoge hoed toverde; en zomaar uit het niets een vergeten gitarist die ons na 23 jaar onder zijn eigen naam eindelijk weer eens nieuwe muziek schonk.

Wat te kiezen? Waarom maar tien topalbums? Er zijn ook dit jaar weer te veel goede progalbums uitgekomen, zodat het voelt als blasfemie om kwaliteitsalbum nummer zoveel van die bekende neo-progband uit het Verenigd Koninkrijk te passeren, dan wel het tweede album van de nieuwste Noorse progmetalsensatie uit te sluiten.

Waar ik echt gelukkig van werd is dat jonge muzikanten met passie goede old school symfonische rockmuziek maken. Hoezo dinosaurusmuziek? Prog leeft! Zulke helden mogen van mij volledig subjectief de hemel in geprezen worden en met stip in de bovenste regionen van mijn jaarlijst prijken. Of toch niet? Wat een dilemma.

Neen, ik ga nog geen namen of rugnummers noemen, om elke mogelijkheid op beïnvloeding te voorkomen, maar zal wel balen als blijkt dat een collega-recensent wel een album in zijn lijst positioneert, terwijl ik dit volledig over het hoofd heb gezien. Maar het ergste van dit eindejaarslot? Als in 2026 blijkt dat we in 2025 een wereldplaat hebben gemist!

AI-angst  

Voor een recensent die al zolang met muziek bezig is, komt er een huiveringwekkende tijd aan. Een tijd waarin de komende jaren alles verandert, waar je naast de angst voor de AI-toepassingen op maatschappelijk gebied, ook angst opbouwt om een plaat niet op de juiste manier te doorgronden. Dat je per ongeluk een plaat recenseert die volledig is gegenereerd door AI. Want iedereen kan dat tegenwoordig, muziek maken. Van kleine neefjes van tien jaar, tot vijftig en zestig plussers. Of ouder. Het enige wat je nodig hebt is een goede online tool. En die zijn er al in overvloed, zelfs in gratis toepassingen.

Collega Jos Driessen schreef al eens over ChatGPT en AI, maar dan meer vanuit de invalshoek dat een recensent de tool gebruikt in een recensie, of in zijn schrijfsel. Dat beviel hem niet, en tot aan vandaag ben ik ervan overtuigd dat geen van onze recensenten op Progwereld ChatGPT gebruikt. Omdat wij natuurlijk ook stilistisch te werk willen gaan bij onze schrijfsels. En waarom zou je je hobby laten uitvoeren door software? We worden niet betaald om voor progwereld te recenseren, dus het zou toch raar zijn als we onze passie overdragen aan een emotieloos programma?

Het probleem ligt dus nu op een ander vlak. Hoe herken je AI-muziek en hoe weet je dat je niet gefopt wordt? Ik noem een voorbeeld dat gelijk al verwarring kan opleveren. De band Mayfire verspreidt met het album “Cloudscapes & Silhouettesonbedoeld een beetje verwarring. Die band heeft een geweldig debuut afgeleverd, maar de leden willen niet ontmaskerd worden als dienstdoende muzikanten. Die cd kan dus zomaar door een producer zijn gecreëerd, met bijbehorende AI gecreëerde muzikanten. Een bandfoto is immers zo gegenereerd, net als een door AI ontwikkelde perssheet met wat willekeurige uitspraken, en klaar is Kees. En luister vooral eens naar de intro van het album; het epische The Fall. Durf jij je hand ervoor in het vuur te steken als we het hebben over authenticiteit?

Die vlieger gaat dus niet op, want inmiddels heeft de band al talloze optredens in Europa gegeven waar de dynamiek vanaf spatte, dus die gedachte kunnen we parkeren. Immers, de door AI gecreëerde hologrammen gaan nog niet zover dat ze spontaan reageren op het publiek.

Voor zover we weten dan.

Nee, het gaat mij om de snelheid van de huidige ontwikkelingen. Wanneer worden we als recensenten echt getest, wanneer komt er een plaat die wel vakkundig in elkaar steekt, waardoor de charme van muziek naar de Filistijnen gaat? Wanneer is de artiest niet meer herkenbaar in de muziek? Wanneer wordt de specialist op een instrument vervangbaar?

Denk je dat het zo’n vaart niet loopt?

Ik ben eens aan de slag gegaan de laatste tijd. Er zijn genoeg gratis online tools en apps te vinden waarmee je eindeloos jouw favoriete muziek kunt componeren. Je voert een paar steekwoorden in en binnen een kort tijdsbestek heb je twee minuten van een song gecreëerd die jou helemaal op het lijf is geschreven. Zo heb ik zelf eens wat combinaties ingevoerd van persoonlijke favorieten. “Create an uptempo song with influences of Kauan, soaring guitars like Steven Rothery, hammering pianos and singing like Marc Atkinson.” Een paar seconden later heb je de eerste minuten al op je scherm. Natuurlijk moet je een abonnement nemen om het bij te schaven, af te ronden en op te slaan, maar de basis staat.

Bam. En verdorie, je hoopt eigenlijk op een mislukking, maar het klinkt nog goed ook. En als die simpele eerste opzet gelukt is, gaat er een hele wereld voor je open. Helemaal wanneer je jouw favoriete verwijswoorden toepast die je ook in een recensie gebruikt, komen er verrukkelijke creaties naar boven die binnen jouw smaakpalet vallen. Bizar. Waar al die muzikanten soms jaren over doen en waar ze jaren op een instrument gestudeerd hebben, floept hier binnen een paar minuten een prima song uit de computerluidsprekers! En het ontroert mij ook nog enigszins. En tuurlijk, je kan het (nu nog) wel waarnemen waar het minder natuurlijk klinkt, maar met de huidige ontwikkelingssnelheid duurt dat niet lang meer. Ben ik bang.

Collega Dick van der Heijde is zelfs nog verder gegaan. En daar schemert zelfs iets moois in door. Iets hoopvols. Zoals de meeste lezers van Progwereld wellicht weten, is Dick in 1991 getroffen door een hersenstaminfarct en leeft hij sindsdien in het zogenaamde locked-in syndroom. Volledig verlamd van teen tot hoofd kan hij alleen nog communiceren met zijn oogleden en het puntje van zijn lip. En toch kon hij in die hoedanigheid een nummer met AI creëren. In samenwerking met zijn verzorger Michelle de Kort, die ook grafisch vormgever is, heeft hij een video gemaakt.

En dan nog wat. Ik noemde in de eerste alinea dat neefje van tien jaar oud. Dat was dus geen metafoor. En hoewel er nog veel opmerkingen te plaatsen zijn bij zijn debuut, staat het album inmiddels wel op Spotify. Als officiële uitgave, tussen alle grootheden die wij zo koesteren vanwege hun oneindige creativiteit.  

Foutje, bedankt!

Bij Progwereld zijn we doordrongen van het feit dat wij geen fouten mogen maken. Dat komt enerzijds door het gegeven dat we zelf ‘nerds’ zijn als het gaat om de juistheid van onze schrijfsels. Alles moet goed zijn, alles moet wijken voor een compleet en vooral inhoudelijk juist beeld van ons onderwerp: een album, optreden, nieuwsitem of interview. Daarnaast realiseren wij ons maar al te goed waar ons publiek uit bestaat: net als wij zijn het vaak ook ‘nerds’, fans die alles willen weten van hun favorieten muzikanten. En daarbij niet schromen om ons te wijzen op fouten/foutjes die er desondanks nog wel eens in willen sluipen.

Dat brengt voor ons als recensent soms een behoorlijke druk met zich mee. Zo kent vrijwel elke concertrecensent wel de stress om aan een juiste setlist te komen. Vooral bij minder bekende bands is het soms een hele tour om exact te weten te komen welke nummers zijn gespeeld en dan ook nog in welke volgorde. Dus er wordt altijd jacht gemaakt op de geprinte versies van setlists die (sommige) bands met tape aan de podiumvloer hebben geplakt. Er wordt naarstig gespeurd op internetfora naar info en als laatste redmiddel worden andere concertbezoekers, management of de band zelf als bron van informatie gezocht. Alles voor de juistheid en informatiejacht van onze lezers.

Toch worden er af en toe foutjes gemaakt, wij zijn ook maar mensen. Dan krijgen we weer ongenadig onder uit de zak van een lezer die ontdekt dat wij bij dat optreden dat ene nummer vergeten zijn te melden. Of erger, de volgorde is onjuist weergegeven. Kleine omissies in de naam worden ook genadeloos afgestraft: “de zanger heet Arjen niet Arjan!!!” (let vooral op de uitroeptekens) wordt ons dan per mail toegesnauwd. Terwijl de schrijver van het artikel toch circa 34 keer de naam juist heeft vermeld in het verder zeer lezenswaardige (en uiterst arbeidsintensieve) interview. Stom natuurlijk van die collega, hij weet dat dit ons loon is en dat we niet alleen beoordeeld worden op wat we goed doen maar ook op wat we fout doen. Het zij zo. Je kunt het ook positief benaderen: blijkbaar zijn onze lezers zo betrokken/kritisch dat zij de moeite nemen om in de spreekwoordelijke pen te klimmen om ons op onze fouten te wijzen. Dank daarvoor, geachte lezers! (zonder ironie). Ondertussen blijven wij ons inzetten om jullie zo volledig mogelijk te informeren over het wel en wee van ons geliefde muziekgenre. Ook al gaat dat soms met horten, stoten en fouten gepaard. Waarvan akte.

Foto: screenshot uit reclame van Reaal Verzekeringen

Magie

In het jaar 1974 scoorde het vrijwel onbekende Schotse groepje Pilot een dikke hit met het nummer Magic. Onder productionele leiding van de vermaarde Alan Parsons (The Beatles, Pink Floyd) werd het nummer opgenomen in de Abbey Road studio’s en door zanger/bassist David Paton naar de toppen van de hitparade gezongen. “Oh, oh, oh, it’s magic” was de aanstekelijke tekst destijds, voluit mee te zingen door iedereen die in deze tijd naar de radio luisterde. Het was niet zomaar een bandje, dat Pilot. De kern ervan, gitarist Ian Bairnson, drummer Stuart Tosh en de al genoemde David Paton, zou niet veel later samen met hun producer The Alan Parsons Project gaan vormen. Verantwoordelijk voor menig dikke hit en vette albums, van “Tales of Mystery & Imagination” (1976) tot en met “Stereotomy” (1985). De leden zouden zich bovendien associëren met gevestigde namen als 10CC (Tosh), Camel, Fish (Paton) en Kate Bush (Bairnson).

We scrollen ruim vijftig jaar door. De Deense farmagigant Novo Nordisk heeft met Ozempic een vette troef in handen. Het oorspronkelijk voor diabetici bedoelde medicijn blijkt zeer goed in de markt te liggen als afslankmiddel en heeft daarmee een gouden toekomst. Een slimme marketingman binnen het bedrijf bedacht hoe hij het middel nog beter aan de man/vrouw zou kunnen brengen. Zijn oplossing: een reclamespotje op tv met een makkelijk meezingbaar refrein als trekker. Hij kwam uiteindelijk terecht bij de hit uit 1974 van Pilot. “Oh, oh, oh, it’s magic” werd “O, o, o, Ozempic” en klaar was Kees. Een grappig filmpje werd gemaakt over de totstandkoming van de commercial. Je ziet David Paton, ruim vijf decennia na dato, weer met zijn gitaarkoffer in de hand over Abbey Road lopen op weg naar de gelijknamige legendarische opnamestudio. Daar komt de gitaar uit de koffer en zingt en speelt de inmiddels 75-jarige het nummer wat hem en zijn maatjes zoveel roem (en geld) heeft opgeleverd. Weliswaar met aangepaste tekst en in een lagere toonsoort, maar een kniesoor die daarop let.

 

Dit bericht op Instagram bekijken

 

Een bericht gedeeld door Jake Fogelnest (@jakefogelnest)

Alan Parsons heeft in recente interviews geantwoord op de vraag wat hem dat nou allemaal heeft opgeleverd. Hij houdt zijn wijsvinger en duim tegen elkaar in een cirkel: nul euro/dollar/pond lijkt hij te zeggen. Nou heb ik geen medelijden met de dikke miljonair, maar het is wel ironisch. Waar een beetje magie al niet toe leidt.

Comeback elpee gestopt?

De NVPI, de brancheorganisatie van de muziek- en filmindustrie, brengt jaarlijks een overzicht uit van de verkopen in muziekland. De trend was duidelijk merkbaar en al langere tijd gaande: de fysieke geluidsdrager was aan een comeback bezig. Maar die is in het afgelopen jaar tot stilstand gekomen.

De omzet van de Nederlandse muziekindustrie kwam in 2024 uit op € 334 miljoen, een groei van 12% ten opzichte van 2023. Het streamen van muziek blijft met een marktaandeel van 83%, € 278 miljoen, de belangrijkste bron van inkomsten voor de Nederlandse industrie. Al is de toename grotendeels het gevolg van prijsstijgingen in de abonnementen van streamingdiensten. En heel opmerkelijk: de omzet van ‘fysiek’ daalde met 6%, waarbij de omzet uit vinyl redelijk stabiel bleef met ruim € 37 miljoen (€ 38 miljoen in 2023). Maar hoe zit het dan met al die als paddenstoelen uit de grond schietende kleine platenzaken? Ik heb het nagevraagd, voor de goede orde: de omzet van de kleine winkel op de hoek, met vooral veel tweedehands en vintage, valt niet onder deze omzetgegevens. Gelukkig maar.

Je ziet ze weer verschijnen in het straatbeeld, waarin het aanbod al zo enorm verschraald is de laatste jaren: de platenwinkels. Kleine zaken, vaak gerund door enthousiastelingen, maar soms ook al wat groter en professioneler van aard. Nog niet altijd zo goed gesorteerd als ooit, maar het zit eraan te komen. Met zelfs een (summier) aantal elpees in een bak gelabeld ‘Prog’; het zal toch niet gekker worden?! 

Ik stap af en toe even binnen bij mijn lokale platenboer, de eigenaar semi-hippie, kijkt nauwelijks op van zijn krantje. Ik kijk verlekkerd rond en zoek al snel naar mijn favoriete bak, waar ik mijn vingers langs de platen laat glijden, ondertussen snel de hoes scannend. Mijn gedachten gaan dan soms onwillekeurig terug naar midden/eind jaren zeventig toen het hoogtepunt van de week bestond uit het bezoek aan zaken als Boudisque, RAF Records en Plato. Heerlijk uren grasduinen door de vele bakken met vaak bijzondere uitgaves. Box-sets, gekleurd vinyl, picture discs, Amerikaanse persingen, cut-outs, bootlegs, ik kon er geen genoeg van krijgen.

En dan, na het schatzoeken, met je juist verworven onbetaalbare bezit in een katoenen elpeetasje (je ziet ze soms nog wel eens bij leeftijdgenoten om de schouder hangen bij concerten) terug naar huis. Om ze direct bij thuiskomst van een stofvrije binnenhoes en krasvrije plastic buitenhoes te voorzien. En daarna onmiddellijk de naald te plaatsen op het begerenswaardige kleinood. Koptelefoon op en genotvol luisterend, terwijl de (klap-)hoes op minutieuze wijze bestudeerd wordt. En de teksten verslindend. Ik hou nu op, het risico van nostalgie ligt te veel op de loer.

Keren die gouden tijden nu terug? Laten we eerlijk zijn: ik denk het niet. Want hoezeer mijn romantische en nostalgische inslag me tracht terug te trekken naar die tijd van Roots schoenen, Kreidlers, parka’s en pukkels (de rugzak, niet de gelaats aandoening) , die periode keert niet meer terug. Bovendien zijn we veel te veel gewend aan respectievelijk verwend met Bluetooth en mp3, zowel in kwaliteit als gemak.

En ik moet hier toegeven: dit verhaal wordt gepend door iemand die nooit afscheid heeft kunnen nemen van zijn collectie van een kleine duizend exemplaren, zeer tot verdriet van een hele stoet partners die zich ongetwijfeld hebben afgevraagd wat ze nu weer hadden binnengesleept (de platen, niet de man, hoewel…).

Mijn platenspeler, een Thorens TD166 MK II met Ortofon F15 element (herinnert u zich deze nog?), maakt bepaald geen overuren. Heel af en toe wordt de stofkap nog weleens verwijderd, en wordt een oud maar geliefd exemplaar zorgvuldig op zijn plek geplaatst, vingers in het midden ter ondersteuning en duim aan de rand, om toch vooral maar geen vette afdrukken te maken. Arm ontgrendelen, hydraulisch liftje in stelling, een licht duwtje in de richting van de aanloopgroeven en dan voorzichtig laten zakken. Ik krijg er gewoon weer zin in, goede reden om dit verhaal te beëindigen. Veel (draai-) plezier gewenst.

Doorn in het oor!

Wie gaat er tegenwoordig niet met gehoorbescherming naar een popconcert? Dat geldt voor ondergetekende ook. Helaas, zou ik bijna willen zeggen.
De keren dat ik oordopjesvrij het einde van een concert haal, zijn niet erg talrijk meer. Vaak grijp ik na twee of drie nummers, wanhopig verzuchtend, alweer naar die dingen.

Waarom accepteren wij met zijn allen dat het geluid van bands vaak zó teringhard staat dat we onze oren moeten beschermen. Onze oren die ontworpen zijn om geluiden waar te nemen en ons te laten genieten van muziek. Maar als je dat vervolgens moet doen met dopjes in je oren is dat toch eigenlijk hetzelfde als door het Van Gogh Museum lopen met een zonnebril op?
Ik heb het zelfs meegemaakt dat de geluidsmixers bij een indoor festival, ergens in Brabant, achter de mengtafel zaten met oordopjes in. Dan ben je zelfs aan het schilderen met een zonnebril op!

Een van de redenen van dat harde geluid is het gebrek aan zelfdiscipline van muzikanten. Vaak stuwen ze elkaar op in hun streven ‘zichzelf goed te kunnen horen’ op het podium. Als er op het podium te hard wordt gespeeld, is er voor de mensen achter de knoppen niet veel eer meer te behalen.

Laatst was ik op het Midwinter Progfestival in Tivoli, Utrecht, waar die geweldige drummer Baard Kolstad van Leprous, voor de gelegenheid in dienst van Rendezvous Point, zó verschrikkelijk hard speelde dat er van de rest van de band slechts één grote brei overbleef.


Maar voor veel geluidsmixers valt er ook nog heel wat te leren.
Een band heeft op een album vaak een uitgekiende mix geproduceerd waar uren en uren aan is geschaafd. Dat het geluid dan live wat rauwer klinkt, is vrij logisch en heeft ook vaak zijn charme. Maar dat het veel geluidsmixers niet lukt om een logische basisbalans tussen de verschillende instrumenten tevoorschijn te toveren, vind ik onverteerbaar.
Veel geluidsmensen lijken al jaren een obsessie voor bas en drums te hebben waardoor gitaristen, toetsenisten en, niet in de laatste plaats, zangers het kind van de rekening worden.

Ik zou deze mensen graag willen adviseren om een keer een repetitiedag met een orkestdirigent mee te lopen. Die is bijna constant bezig om met zijn/haar ZEVENTIG orkestleden een zeer verfijnde en genuanceerde balans binnen het orkest te creëren.
Dan moet dat met vijf, zes, of zeven mensen op het podium en het vakkundig gebruik van de oren toch ook kunnen lukken, lijkt me…

Foto’s: www.gezondeten.nl  en www.repenroer.nl

Live and let live

Ik moet het toch even kwijt: ik heb een verschil van mening met de hoofdredactie van Progwereld. Iets wat (bijna) nooit voorkomt, maar toch. En het gaat over livealbums. Je moet weten, bij Progwereld mogen in de beroemde/beruchte eindejaarslijstjes een paar varianten van onze geliefde muziek NIET voorkomen: verzamelalbums, re-releases en livealbums. En bij de laatste zit hem nou net de kneep: ik vind dat livealbums net zo belangrijk (kunnen) zijn als een studioalbum, voor zowel pers als publiek. Maar ook als onderdeel van het complete oeuvre van artiesten. Wie denkt nou niet meteen aan “Yessongs”, “Seconds Out”, “Live in Pompeii” of zelfs ”P.U.L.S.E.”? En wat te denken van “The Night Watch” (King Crimson), “Two For The Show” (Kansas), “All The World’s a Stage” (Rush), “Paris” (Supertramp) of “Welcome Back My Friends” (ELP). En meer recent Transatlantic, Steven Wilson, Neal Morse en Big Big Train. Dat zijn toch absolute ‘musts’ als het gaat om de ultieme progrockverzameling.

Nou ben ik een zelfverkondigde liefhebber van concerten en dus van livealbums. Als ik de keuze heb tussen de studioversie en de liveversie van een favoriet nummer heb ik geen twijfel: ik kies vrijwel blindelings voor de levende versie. Dat komt grotendeels door een aantal ingrediënten die een livevertolking als groot voordeel heeft boven het in de opnamestudio geproduceerde origineel. Zo is daar in de eerste plaats de sfeer, de feedback van het publiek, uniek voorbeeld van band tussen fan en artiest. Daarnaast het feit dat het nummer vaak nét iets rauwer, iets minder gepolijst aanvoelt dan het (over)geproduceerde origineel. Bovendien is een livealbum vaak een soort van ‘best of’, soms met een nummer dat je niet vaak live hebt gehoord, ergens verstopt halverwege, speciaal voor de echte fan.

Dus ben ik voor mezelf begonnen om een eindejaarslijstje te fabriceren met louter livealbums. Zo verheug ik me dit jaar op de op geluids- en beeldplaat vastgelegde optredens van Steve Hackett, Jon Anderson & The Band Geeks, Kayak, Unitopia en Lifesigns, om maar een paar dwarsstraten te noemen. Het moet wel heel gek lopen als ik niet een solide top 5 of zelfs top 10 kan maken van al dat moois dat levend tot ons gebracht wordt. Bovendien overweeg ik om een aantal van bovengenoemde iconische livealbums alsnog te bespreken. Tot mijn niet geringe verbazing blijkt dat het gros ervan nooit door ons is gerecenseerd, mogelijk het gevolg van die rigide houding ten opzichte van dit type plaat.

Ongetwijfeld zal ons ‘meningsverschil’ snel bijgelegd worden, niemand houdt van ruzies. Maar het is soms de moeite waard om te knokken voor je principes, met de overtuiging dat je op het juiste spoor zit. Live and let live.

Send this to a friend