Voor mij ligt een prachtig fotoboek met foto’s van de populaire Britse progband Solstice en aanhang, door de gerenommeerde fotograaf Howard Rankin in nauwe samenwerking met bandleider/oprichter Andy Glass. Het boek bevat meer dan honderd foto’s verspreid over 149 pagina’s en is een visuele bloemlezing van de band tussen 2020 en 2025.

Het voorwoord komt van fan van het eerste uur Greg Spawton (Big Big Train). Ook Jerry Ewing (PROG magazine) doet een behoorlijke duit in het zakje. Maar ook de korte maar stevige liefdesverklaring van Steven Wilson (‘I loved them then and I love them now’) spreekt boekdelen.
Ik ben een ‘late adopter’ als het om Solstice gaat, net zoals zovelen. Als ik het korte verhaal lees van auteur/fotograaf Howard Rankin: dat had ook mijn verhaal kunnen zijn. Mijn eerste ervaring was het optreden in 2023 tijdens het tiende Progdreamsfestival in Poppodium Boerderij in Zoetermeer. Een jaar later was ik getuige van de band als hoofdact in 2024. In beide gevallen was ik volledig ondersteboven van de show, de energie, het positivisme, het sterke familiegevoel van de band, het enorme plezier wat ze uitstraalden. En betoverd door zangeres Jess Holland: wat een stem, wat een passie, wat een uitstraling! Ik meen dat ik als beschrijving van de muziek iets heb geschreven als “een kruising tussen Jeff Beck, Jean-Luc Ponty en The Corrs”. En dat bedoel ik in de meest positieve zin.
En dat voor een recensent die al honderden shows heeft gezien en eigenlijk niet meer zo snel onder de indruk raakt. De enige momenten die ik ter vergelijking heb, waren de kennismakingen met bands als Haken, Lazuli en Von Hertzen Brothers. De parallellen zijn legio: de energie, de onderlinge (familie)band, de totale overgave, superbe muzikaliteit, en vooral het plezier in het muziek maken. Fun, family/friends, focus, fire/energy, dat zijn wat mij betreft de kernwoorden als ik aan Solstice denk.
Er zijn niet zoveel voorbeelden van een fotoboek van deze orde, of je moet naar de grote stoeptegels gaan, de zogenaamde ‘coffee table books’. Over het hoe en waarom van een fotoboek in deze vorm verwijs ik graag naar het interview dat ik met fotograaf en bandleider had naar aanleiding van het uitbrengen ervan. Het boek houdt een beetje het midden tussen de stoeptegel, het al genoemde koffietafelexemplaar, en een uit zijn krachten gegroeid tourprogramma.
De kracht ervan zit hem niet alleen in de vaak schitterende foto’s, maar ook en vooral in de bijschriften en de teksten waar kwistig mee is gestrooid. Het biedt een verrassend inkijkje in de periode van vijf jaar die voor de ontwikkelding van de band zo belangrijk is geweest. Daarbij is de komst van zangeres Jess Holland, ‘een natuurkracht’ zoals Glass haar beschrijft, van doorslaggevend belang geweest. Het begint met een foto van diezelfde Andy Glass tijdens het fameuze Cropredy folk-/progfestival in 2023, en eindigt met de onderscheidingen die band, gitarist en zangeres in 2024, respectievelijk 2025 ontvingen van de lezers van het invloedrijke blad PROG. Een geweldige prestatie voor een band die op enig moment op sterven na dood was en zichzelf oprichtte en opnieuw uitvond. Met dank aan een welkome (jonge) bloedtransfusie. Absoluut de moeite waard voor fans, maar ook voor hen die van mooie fotografie houden en wat meer willen weten over de band en zijn ontstaansgeschiedenis.
Lees ook het interview dat Alex had met Andy en Howard.
Ik moet eerlijk toegeven dat de Jaren tachtig niet mijn favoriete periode was als het gaat om progressieve rockmuziek. Ik weet niet hoe dat komt: als het op popmuziek aankomt was ik juist weer wel een fan van dit decennium. De Spandau Ballet’s, Duran Duran’s, Simple Minds, Level 42’s en collega’s, ik kon/kan er geen genoeg van krijgen. Maar de IQ’s, de Pendragons, de Pallas’en van deze wereld, ik heb er destijds maar zijdelings nota van genomen. Met uitzondering van Marillion. Maar deze jaren gingen in prog opzicht relatief snel aan mij voorbij. Waarschijnlijk omdat het vaderschap, mijn zakelijke carrière (…) en andere zaken mij volledig absorbeerden. Mogelijk ook omdat het nou niet direct de hoogtijperiode uit de prog was voor de Grote Bands uit de jaren ‘70. Natuurlijk heb ik die omissie later ruimschoots goed gemaakt.
Des te mooier is het dat ik nu met terugwerkende kracht ook de verhalen erachter nog tot me kan nemen. Met dank aan Andrew Wild, gerenommeerd schrijver van menig muziek-gerelateerd werkje over bijvoorbeeld de Beatles, Pink Floyd, Phil Collins en Eric Clapton. Dit is alweer het tweede deel in de serie neo-prog historie. Na het aanstekelijke eerste deel, A Mirror Of Dreams – The Progressive Rock Revival 1981-1983, heeft hij recent A Playground of Broken Hearts uitgebracht. Voor de echte fan is de titel een no-brainer: ontleend aan Marillion’s “Script for a Jester’s Tear”. De ondertitel geeft het al aan: The Progressive Rock Revival 1984 to 1989 gaat over de opkomst van de neo-prog, voor een hele generatie de eerste ontmoeting met het voor velen favoriete genre.
En dat doet Wild met verve, vaart en humor. Hij neemt ons mee op een reis langs de oprichting en ontwikkeling van de verschillende leidende bands in die tijd. Hij doet dat aan de hand van een veelvoud van interviews die hij in de afgelopen jaren heeft gevoerd met diverse hoofdrolspelers. (onder andere Fish) Daarnaast zijn er interessante inkijkjes van de zijkant, van managers, fans, journalisten en vele anderen. Dat levert soms uiterst vermakelijk leesvoer op. Hij volgt als het ware in chronologische volgorde de geboorte en het tot wasdom komen van de neo-prog, zoals die stroming later bekend zou worden.
Wat het ook wel weer lastig maakt is dat die verhalen allemaal parallel lopen, dus naast elkaar. Waardoor na een verhaal over Marillion, de story van IQ en Pendragon tegelijkertijd wordt verteld. En weer afgekapt. Op een later tijdstip wordt de verhaallijn dan weer opgepakt en voortgezet. Enigszins verwarrend dus. Je kunt je niet veroorloven om even weg te zappen, dan mis je vervolgens direct de verhaallijn. Bij de les blijven is het devies. Maar los van dit hindernisje is het toch vooral genieten van de pogingen van het legertje nieuwbakken progmuzikanten om rijk, beroemd en gerespecteerd te worden. Dat lukt niet altijd, zeker niet in die volgorde.
Het boek is geredigeerd door Greg Spawton (Big Big Train) en kent een voorwoord van Jerry Ewing, hoofdredacteur van PROG magazine. Het bevat meer dan 300 foto’s en illustraties, waarvan vele nog niet eerder zijn gepubliceerd of zeer zeldzaam zijn.
Interessante lectuur voor zowel spijtoptanten (ondergetekende) als degene waarvoor deze periode de kennismaking met het genre betekende. En voor iedereen die geïnteresseerd is in progressieve rockmuziek en haar ontstaansgeschiedenis.
Hoe meer je leert, hoe meer je beseft hoe weinig je weet. – Socrates
Henk Tuijn kennen we van de boeken “Het mooiste plaatje” en “Verborgen prog-parels 1970 – 1980”. Dat laatste schreef hij samen met Lenne Huisman. De vele positieve reacties op de 55 verborgen progparels uit het eerste boek zetten Tuijn aan om een tweede deel te schrijven. Dat ging niet zonder slag of stoot. In mei 2024 kreeg hij een tweede herseninfarct en zijn linkerhand raakte daarbij verlamd. Gelukkig bleef zijn rechterhand ongeschonden en ging hij aan de slag met het volgende boek.
Ook dit keer heeft hij 55 albums uit de symfonische rock geselecteerd die tussen 1970 en 1980 zijn uitgebracht. De opbouw is vrijwel identiek aan die van het eerste boek. Elke bespreking begint met de albumhoes en de tracklist. Vervolgens biedt hij uitgebreide informatie over de band, gevolgd door een diepgaande analyse van het album zelf. Daarna deelt hij zijn persoonlijke indrukken en hoogtepunten. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de reacties uit de vakpers, en tot slot volgt een discografie van de band.
Het moge duidelijk zijn dat Henk er geen gras over heeft laten groeien. Hij heeft ongetwijfeld vele uren aan uitzoek- en spitwerk moeten doen om al deze informatie in te winnen. Het mooiste aan dit boek is dat zijn liefde voor muziek er vanaf spat. Wat dat betreft vind ik de alinea’s met zijn persoonlijke impressies en hoogtepunten het leukst om te lezen. Daarin komt zijn passie mooi naar boven.
Ik ben blij dat hij in dit boek voor een iets groter lettertype heeft gekozen, dat maakt het lezen net wat prettiger. Daardoor oogt het geheel ook net iets meer overzichtelijk. Aan het einde van zijn boek zet hij nog twee Nederlandse bands extra in het zonnetje: Lady Lake en Taurus.
Ik zie wel verbeterpunten als het gaat om opmaak en ontwerp. De cover is naar mening té simplistisch en de opmaak van de achterkant van het boek is ronduit lelijk. Maar het draait natuurlijk om de inhoud en die is indrukwekkend. Wat ik persoonlijk nog miste was de informatie of het album ook op bijvoorbeeld op Spotify te vinden is (opvallend veel albums uit dit boek zijn daar overigens wel te vinden).
Ik moest tijdens het lezen denken aan de uitspraak van Socrates waar ik mijn recensie mee begon. Toen ik de prog in 1998 ontdekte had ik ook zo’n enorme honger naar meer. Meer ontdekken. Ik heb alleen die jaren ’70 grotendeels overgeslagen (behalve de grote namen uiteraard). Met deze gids in de hand (en het vorige boek) heb ik meer dan voldoende om ook die zoektocht verder vorm te gaan geven. Ben jij ook altijd opzoek naar nieuwe pareltjes? Dan is dit boek van harte aanbevolen.
Wil je een exemplaar bestellen? Stuur dan een email naar: henktuijn@kpnmail.nl.
De prijs is €15 plus eventuele verzendkosten (€ 5 binnen Nederland).
Lenne Huisman kan geen genoeg krijgen van progrock, als organisator van concerten in Parkvilla, Alphen aan den Rijn, via Serious Music Alphen, en als schrijver over dit muzikale genre. Na zijn boek “50 jaar Progressieve Rock – Introductie gids” en “Verborgen prog-parels 1970-1980” (samen met Henk Tuin), verblijdde hij de wereld met “Progrock uit Noorwegen – Introductiegids”. Voor weer een nieuw boek duikt hij in de jaren 80.
In ”Progrock in de jaren 80 – gids en verborgen parels” wijst Huisman de lezer op de ‘moeilijke’ periode voor de progrock, nadat eind jaren 70 punk en new wave sterk opkwamen. De ‘klassieke’ progrock raakte uit de mode. Huisman kwam bij het schrijven van zijn boeken en het organiseren van concerten veel platen uit de jaren 80 tegen, die hij niet kende of toen niet mooi vond, maar waar hij nu met veel meer interesse naar luistert. Dat bracht hem op de volgende vraag, tevens drijfveer voor het boek: “Was het in de jaren 80 echt zo slecht gesteld met de progrock?” Het antwoord is natuurlijk nee en in dik 200 bladzijden probeert hij ons dat duidelijk te maken.
Hij bakent het terrein af, gretig gebruik makend van Progarchives.com. Zijn zoektocht gaat langs: symfo, neo-prog, folk-prog, eclectic, heavy prog, cross-over, canterbury, RPI, space/psychedelisch en electronic. Huisman heeft uitgezocht dat binnen die subgenres in de jaren 80 zo’n 1800 studio-albums zijn uitgebracht, waarvan hij er 1300 als minder bekend kenschetst. Zo komen we er bijvoorbeeld achter dat er in Nederland in die periode twintig minder bekende progrockalbums uitkwamen. Zo, dit feitje zit toch mooi in de knip. Hij begint overigens met een korte schets van de tijdgeest van deze decade en de verschillende (andere) muziekstromingen.
In de jaren 80 zijn voldoende interessante ontwikkelingen in de progrock te melden en volgens de schrijver heel veel interessante bands en albums te ontdekken. Hij verkent de progrock in een twaalftal landen en grotere gebieden aan de hand van genoemde subgenres. En passant noemt hij vijftig verborgen parels, want Huisman is verzot op dit soort parels, en voorziet hij ons van een aantal tips. We krijgen de albumhoezen (in kleur) van die parels te zien en een beschrijving per parel van twee pagina’s elk.
Op de inmiddels van hem bekende wijze gaat Huisman uiterst gedegen te werk en presenteert hij in een prettige schrijfstijl een interessant overzicht van deze vaak wat verguisde periode in de progrock. Hij strooit rijkelijk met de kennis die hij zichzelf eigen heeft gemaakt. Iedereen kent natuurlijk de grote namen (ik noem geen namen) en zal een aantal parels herkennen. Zo viel mijn oog op de Nederlandse bands Pythagoras en Coda, ging mijn bloed iets sneller stromen van Anyone’s Daughter (“In Blau”) en kwam het LP Show van Wim van Putten weer even bovendrijven bij het lezen over Terraced Garden. (“Hé, nog weer eens luisteren!”). Maar menigeen zal ook met de oren staan klapperen van de hoeveelheid onbekende namen die Huisman uit zijn hoge hoed tovert (de échte kenners daargelaten, uiteraard).
Huisman is er zelf vol van en wil dit graag met de proggemeenschap delen. Het levert een boeiend en uitgebreid overzicht op voor elk wat wils. Je kunt het laten bij over de jaren 80 te lezen, maar je kunt ook in Huismans voetsporen treden door op zoek gaan naar jouw verloren parels.
Gentle Giant staat momenteel in de belangstelling: na de recent uitgebrachte remaster van hun fameuze livealbum “Playing The Fool – The Complete Live Experience” is er nu de autobiografie van oprichter/zanger/componist Derek Shulman (1947). Het leven van die laatste heeft een aantal bijzondere wendingen gekend, die door hem met veel vaart en humor uit de doeken worden gedaan met een beetje hulp van schrijver Jon Wiederhorn.
Het boek vertelt het verhaal van het jonge joodse gezin Shulman, oorspronkelijk afkomstig uit Glasgow, Schotland, dat op jonge leeftijd van de hoofdpersoon al verhuist naar het zuiden van Engeland, naar de kust- en marinehaven Portsmouth. Vader, moeder en vijf kinderen, vier jongens en een meisje, zijn arm en nemen hun intrek in de achterstandswijken van de havenstad. Pa is jazzmuzikant en bandleider, van hem hebben met name zonen Ray en Derek de muzikale genen. Helaas leidt hij ook het leven van een jazzmuzikant met overvloedige drank, drugs en sigaretten en overlijdt hij als Derek pas 16 is. De dood van pa maakt enorme indruk en leidt tot trauma’s. Gelukkig kan de jonge Derek, de middelste van de vijf, goed leren en sporten en de passie voor muziek drijft hem al snel richting de rock & roll, begin jaren 60. Samen met jongere broer Ray, een briljant musicus, begint hij een bandje dat na een aantal jaren zou uitgroeien tot een heuse Top 10 band, compleet met EMI-platencontract, opnames in Abbey Road onder leiding van George Martin, uitverkochte tournees, optredens in Top of The Pops. Ook oudere broer Phil maakt inmiddels deel uit van wat Simon Dupree & the Big Sound zou gaan heten.
Na verloop van tijd raken de broertjes uitgekeken op hun popimago en de bijbehorende muziek en besluiten het over een andere boeg te gooien: de geboorte van Gentle Giant. Met de bijbehorende personele strubbelingen, dat geldt zowel voor muzikanten als management. Dat laatste had banden met de maffia en bestal zijn cliënten, niets nieuws in die dagen. De nieuwe muzikale richting vanaf eind 60, begin 70 is eclectisch: een mix van rock, folk, klassiek en jazz, de groep slaat progressieve rockpaden in. De breuk met oudste broer Phil in 1972 hakt er flink in en laat zijn sporen na. Gentle Giant heeft behoorlijk succes en levert in circa tien jaar tijd een elftal albums af. Begin 80 is het succes voorbij, onder andere door de opkomst van punk en veranderende privésituaties. De band zou nooit meer optreden of nieuwe muziek opnemen.
Shulman, die de laatste jaren van de band ook als manager had gefungeerd, rolt als vanzelf in de platenbusiness, in eerste instantie als promotor van muziek en later als talentenscout en als directeur. Met grote successen als het ontdekken en begeleiden van onder andere Jon Bon Jovi, Dream Theater, Slipknot, Pantera en Men Without Hats, en het revitaliseren van de carrières van AC/DC, Bad Company en een aantal anderen. Uiteindelijk zou hij de scepter zwaaien bij een vijftal platenmaatschappijen. Bijzonder is ook het feit dat zou blijken dat de muziek van Gentle Giant een grote inspiratiebron was voor hiphop- en rapgroepen uit met name de achterstandswijken in de Verenigde Staten. Die maakten regelmatig gebruik van samples van de band in hun muziek, hoogst opmerkelijk. Het laatste hoofdstuk gaat over het met behulp van AI (!!) restaureren van verloren gegane Giant-muziektapes, het vervult de inmiddels 78-jarige met gevoelens van emotie, geluk en dankbaarheid. Ook is er veel verdriet na het overlijden van beste vriend en jongere broer Ray in 2023.
In ruim driehonderd bladzijden wordt het onwaarschijnlijke verhaal verteld van de arme joodse jongen, die het van zanger in een schoolbandje naar gerenommeerd rockmuzikant en vervolgens tot veelgevraagd topmanager binnen de platenbusiness bracht. Interessant voor Giant-fans maar ook voor andere (prog)rock- en zelfs hiphop-fans.
Bill Bruford is een legendarische Engelse drummer, ooit (mede-)oprichter van Yes in 1968, maar ook lid van King Crimson, Genesis, UK en leider van zijn eigen bands Bruford en Earthworks. Vooraanstaand lid van de progressieve rockgemeenschap, maar eveneens hooggewaardeerd als jazzinstrumentalist. Uithangbord van menig beroemd drumstel- en percussiefabrikant.
Een bijzondere kerel, die op het hoogtepunt van Yes, na het uitbrengen van “Close to the Edge”, de groep verliet om het onbekende avontuur bij de avantgardistische/eclectische band van Robert Fripp aan te gaan. Die Bill Bruford. Algemeen erkend als een van de beste drummers van zijn generatie.
Ik heb het boek al jaren geleden gelezen en vond het indertijd een van de beste (auto-) biografieën die er op de markt waren. De reden om het te herlezen en van een verslag te voorzien is het feit dat de man, na in 2009 zijn stokken aan de wilgen te hebben gehangen, opeens weer verscheen op een podium. Weliswaar kort, voor één nummer tijdens het eerbetoon aan ex-Crimson en UK-collega John Wetton in augustus 2023, maar toch. Nog verder geprikkeld door het feit dat hij zich had aangesloten bij het jazztrio van Pete Roth en weer op de planken te bewonderen was, zelfs voor een complete tournee. Waarbij ookPopppodium Boerderij in Zoetermeer wordt aangedaan, zonder twijfel druk bezocht door elk zichzelf drummer noemend individu inclusief een grote lading fans, waar ik mezelf toe reken.
Diezelfde William Scott Bruford (17 mei 1949) dus, die eigenhandig ruim 350 pagina’s vol schreef in zijn uit 2009 daterende biografie waarin hij op uitermate eloquente, humoristische en zelfkritische wijze zijn persoonlijke en muzikale levensloop uit de doeken doet. Op zijn Brufordiaans natuurlijk, nooit de betreden paden maar altijd op eigen wijze, of eigenwijze, net wat u wilt. Dat wil zeggen dat hij niet in zuiver chronologische volgorde zijn verhaal doet, hoewel de rode draad wel losjes aanwezig is. Nee, hij doet het op prikkelende wijze door een aantal veel gestelde vragen als hoofdstuk te nemen. Vragen als: wat is nou je werkelijke beroep, hoe is het om met Robert Fripp te werken en waarom ging je bij Yes weg? Waar hij dan vervolgens in Oxford English (ik moest het woordenboek er af en toe bij pakken) zijn eigen kijk op geeft. Gelardeerd met diverse komische en illustratieve anekdotes, waarbij niemand gespaard wordt, maar altijd in uiterst correcte bewoordingen. Zo krijgen zowel wijlen Yes-bassist Chris Squire (chronisch te laat) als Crimson-baas Robert Fripp (apathisch, niet empathisch) ervan langs, net als menig manager die de boel belazerde.
Hij legt zeer gedetailleerd uit hoe hij tot zijn soms verrassende keuzes is gekomen, geeft op zeer beeldende wijze het verschil weer tussen jazz- en rockmusici en verklaart vanuit zijn perspectief het verschil tussen de artiest en de vakman. Dat doet hij op soms bijna wetenschappelijke wijze met vele verwijzingen naar quotes van andere schrijvers en autoriteiten op hun eigen gebied. Bijna als een hoogleraar op zijn eigen vakgebied. Wat hij uiteindelijk ook is geworden, een academische carrière lang na zijn professionele muzikantenbestaan. En lang nadat de passie voor muziek in het algemeen en drums in het bijzonder op zijn pad was gekomen.
Wat uiteindelijk blijft hangen is het beeld van een authentiek persoon, typisch Engels, muzikant in hart en nieren, jazzmuzikant vooral. Een bijzondere kerel, buitenbeentje ook, halverwege rock en jazz. Op zoek naar datgene wat anders is dan de rest. Niet uit ego- of commerciële overwegingen, verre van dat. Maar omdat hij voor zijn gevoel constant moet veranderen, nieuwe paden moet betreden om zichzelf als artiest recht in de ogen te kunnen blijven kijken, zichzelf continu uit te dagen. Om op die manier een kleine bijdrage te leveren aan de vooruitgang van muziek. Absolute aanrader, ook voor lezers die niet in (progressieve) rockmuziek zijn geïnteresseerd. Ook bij herlezing een van de beste autobiografieën ooit geschreven.
Drie jaar geleden begonnen Guy Tkach en Peter Sieker aan een monsterklus: het documenteren en beschrijven van al het muzikale werk van Steven Wilson. Tricky, een compleet overzicht maken van een artiest die nog leeft en bovenal zeer actief is. En het bewijs daarvan vormt het eerste deel, “Early Years & Porcupine Tree”. Dit verscheen in 2021, en in 2022 werd de wereld verrast met een nieuw album, “Closure/Continuation”. Hetzelfde gebeurde met het tweede deel, “Solo, Production & Contributions”, dat verscheen in 2022, dus voor de komst van “The Harmony Codex” (2023) en het nog te verschijnen “The Overview”, in maart dit jaar.
Medeauteur Peter Sieker laat per e-mail weten dat updates nog niet in de planning zitten. “Er zijn hier nog geen concrete plannen voor. Toch ga ik ervan uit dat we, zodra Footprints III en Stevens The Overview cyclus (release/tours) zijn afgerond, een update zullen maken voor zowel Footprints I als II. Deze update wordt als gezamenlijke bijlage gestuurd naar alle geïnteresseerden van FI en II. Helaas is het vrijwel onmogelijk om deze updates in de bestaande boeken te integreren vanwege de technische complexiteit (onder meer vanwege de grootte van de boeken), wat nu al nauwelijks te beheren is. We hopen dat we dit zó kunnen organiseren dat een nieuw PT-album of een ander soloproject van Steven er niet door in de weg wordt gezeten :-)”
Maar afgezien daarvan is “Footprints” een indrukwekkend boekwerk geworden. Het is zeer compleet – met uitzondering dus van de meest recente werken – en dat is mede te danken aan de medewerking van veel mensen uit de omgeving van Steven Wilson, zoals Lasse Hoile, Hajo Müller, Richard Allen (eigenaar van Delerium, dat de eerste albums van PT uitbracht, en de eerste manager van Porcupine Tree), Tim Bowness, en natuurlijk Steven Wilson zelf.
Volume I – Early Years & Porcupine Tree
Het eerste deel start met de huisvlijt-muziek die Wilson speciaal opnam voor diverse underground cassettelabels, zoals Broken Skull Tapes, en eindigt bij de pauze na het verschijnen van “The Incident”. Het boek is verdeeld in hoofdstukken die elk een specifieke periode omvatten, zoals hoofdstuk 3, “Watching The Sky Move – 1995”, of hoofdstuk 9, “The Start Of Something – 2005 – 2006”. Elk deel begint met een achtergrondverhaal met daarin de gebeurtenissen chronologisch verteld, met waar nodig verwijzingen naar andere hoofdstukken of naar de andere volumes. Daarna volgt een zeer gedetailleerde tijdlijn met optredens en verschenen albums en andere opnamen, plus artikelen die online of in print zijn verschenen. Daarnaast zijn er ook andere gebeurtenissen opgenomen met invloed op Wilsons werk, zoals het feit dat hij aanwezig was op het eerste concert ooit van Marillion (1 maart 1980 in Berkhamsted). Sommige onderdelen van deze tijdlijn krijgen uitgebreid aandacht, zoals het concert van Porcupine Tree in Royal Albert Hall op 14 oktober 2010, waarvan een deel te vinden is op het livealbum “Octane Twisted”.
Het laatste hoofdstuk is getiteld “Hiatus – 2011-2020” en beschrijft de activiteiten van Wilson en de andere bandleden na het uitverkochte concert in de Royal Albert Hall. Ook verscheen er natuurlijk nog het nodige aan materiaal, zoals “Octane Twisted” en de Delerium Box Set. Interessant is dat ook het interview dat Mario van Os had met Richard Barbieri in 2012 is opgenomen in de tijdlijn (zie afbeelding). Grappig genoeg ontbreekt het interview dat hij later dat jaar had met Colin Edwin.
Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, volgen nog een paar lijvige appendices. Natuurlijk als eerste een complete discografie, inclusief alle ‘sleeve notes’ en credits, en een aparte sectie voor het artwork. En heb je weleens de behoefte om van een specifieke song te weten waar die op stond of welke versies ervan zijn? Appendix I.II bevat een complete song-reference, met lengte van de track, jaar van verschijnen en waarop. Voor de die-hard fans die echt álles willen weten en bijhouden is er een bibliografie die alles documenteert wat ooit over de band en Steven Wilson is geschreven.
Volume II – Solo, Production & Contributions
De titel zegt het al, het gaat hier om het werk van Steven Wilson dat hij onder zijn eigen naam uitbracht. Daarnaast aandacht voor zijn andere soloprojecten, zoals I.E.M. en Bass Communion. Ook de dingen die hij deed voor andere bands en artiesten krijgen een plek in dit deel van de trilogie. Denk aan het produceren van “Blackwater Park” van Opeth, bijdragen aan het eerste album van O.S.I., “Office of Strategic Influence”. Daarnaast natuurlijk de vele remixes die Wilson door de jaren heen deed, zoals voor King Crimson, Yes, Jethro Tull en nog veel meer andere albums, die velen misschien wel zijn ontgaan.
Een leuke extra is het complete fictieve dagboek van de vrouw uit “Hand.Cannot.Erase”, dat als website lange tijd online heeft gestaan. De site is offline maar (nu nog) te vinden in het Internet Archive. Dan moet je overigens uiteraard onderaan beginnen om de dagboekblogs in de juiste volgorde te lezen.
Ook dit volume sluit af met de appendices: de discografie, lijst met songs, maar daarnaast ook een overzicht van de door Wilson geproduceerde en/of gemixte albums, plus bijdragen die hij deed. En dat zelfs twee keer, eenmaal chronologisch, en daarna voor het gemak nog een keer op alfabetische volgorde (maar in een eenvoudigere tabel). Leuk is een lange lijst met alle bijdragen die gedaan zijn voor de ‘Personal Shopper’ remixwedstrijd. Daar staat deze recensent ook tussen met zijn ‘Under African Skies Remix’, die de Steven Wilsons shortlist voor de compilatie dus niet gehaald heeft, maar waar ik veel plezier aan heb beleefd.
Het boek sluit af met een hele rits playlists, waar je kunt leren waar Wilson naar luisterde door de jaren heen, en ten slotte een verzameling nieuwsbrieven en interviews.
Volume III – Band Projects
De opzet van het laatste deel is in principe gelijk aan die van de eerste twee, maar dan opgedeeld in drie delen: no-man, Blackfield en Storm Corrosion. Het is dan ook een flink stuk korter dan deel I en II.
De hele trilogie is gelardeerd met vele honderden foto’s – waarvan een groot deel niet eerder gepubliceerd – notities, brieven, tickets en concertposters. De auteurs benadrukken in het voorwoord dat ze vooral zelf groot fan zijn, en putten heel veel uit hun eigen verzamelingen van alles wat te maken heeft met Steven Wilson, Porcupine Tree en alle andere projecten.
Overigens zijn de boeken alleen digitaal beschikbaar. Gezien de grote aantallen pagina’s zouden ze te duur worden en dus een te kleine afzet hebben wanneer ze zouden worden geprint. En wat echt bijzonder is, is dat je ze kunt krijgen door een donatie over te maken naar een goed doel van je keuze. De auteurs vragen om een geldbedrag van € 12,- of meer per boek te storten, en daarvan een bewijs te sturen via de e-mail. Dat is heel laagdrempelig. Ik stuurde ze gewoon een schermafdruk van de bevestiging van het goede doel. Tip: je kunt dus Progwereld steunen door deze boeken te kopen! Tot nu toe staat de teller voor alle boeken samen op ruim € 17.000,-. Voor de duidelijkheid: dat geld loopt dus niet via de uitgeverij van Footprints, je maakt het zelf rechtstreeks over naar jouw goede doel.
Kijk voor meer informatie op stevenwilson-footprints.com.
We kennen Lenne Huisman als de organisator van progconcerten in Parkvilla, Alphen aan den Rijn, via Serious Music Alphen. Hij schreef al het boek “50 jaar Progressieve Rock – Introductie gids” en samen met Henk Tuijn “Verborgen prog-parels 1970-1980”. Bij het samenstellen van dat boek verbaasde hij zich over de aanhoudende stroom goede bands en albums uit Noorwegen. Dat bracht hem op het idee hier een boek over te schrijven.
Zijn boek “Progrock uit Noorwegen – Introductiegids” vertoont veel gelijkenis met het boek over de progparels. Ook deze keer vliegen de parels je tijdens het lezen om de oren. We komen allereerst het nodige te weten over het land Noorwegen en zijn geschiedenis, waarna Huisman ons een inkijkje geeft in de muziek uit dit Scandinavische land. Het zal niemand verbazen dat folk altijd een belangrijke rol heeft gespeeld, maar moderne muziek maken ze er ook.
Dan richt hij zich uitgebreid op de prog uit Noorwegen. Via ChatGPT heeft hij geprobeerd antwoord te vinden op de vraag waarom de progressieve rock in Noorwegen zo groot is geworden. Heel modern, maar ook wel een beetje makkelijk, natuurlijk. Dit levert de volgende opsomming op:
– culturele invloeden en rijke muzikale traditie
– ondersteuning voor kunst en cultuur
– sterke gemeenschap en netwerken
– internationale erkenning
– technologische ontwikkelingen
Huisman vervolgt met een korte geschiedenis en beschrijving van bands vanaf de jaren 70. In totaal laat hij ruim honderd bands de revue passeren. Hij laat niet na zijn eigen parels te benoemen. De enige kleur in het boek vormen de 64 hoezen van door hem als belangrijk aangeduide albums. Vijftien toonaangevende bands krijgen extra aandacht met twee pagina’s per band. Ik noem er een paar van: Leprous, Airbag, Gazpacho, Wobbler, White Willow en Soup. Verder lezen we ook over vijf interessante bands: Tusmørke, The Windmill, Jordsjø… Zo’n indeling blijft een persoonlijke keuze, uiteraard.
Verder gaat het met een korte biografie van vijf muzikanten, waarvan Bjorn Riis, Lars Fredrik Froislie en Jacob Hom-Lupo vast de bekendste zijn. Omdat Huisman er geen genoeg van kan krijgen, beschrijft hij ook nog eens 25 wat onbekende progparels. Het boek sluit af met een register met nog eens al die bands en meer nog, gerubriceerd naar genre. Samen met bands die buiten de scope van zijn boek vallen, tel ik er een slordige 300!
Het is duidelijk dat Lenne Huisman over heel veel progkennis beschikt en een intensieve studie van die uit Noorwegen heeft gemaakt. Hij heeft alles overzichtelijk op een rijtje gezet, al gaan al die namen je op den duur wel een beetje duizelen. “Progrock uit Noorwegen – Introductiegids” is een goed leesbaar boek geworden, al plaats ik wat kanttekening bij het A4 formaat. Die mudvolle pagina’s met niet al te grote letters lezen niet zo prettig weg. Voor een bedlezer als ik is dit boek bovendien bijna niet te hanteren. Los van deze kleinigheid heeft de lezer vermoedelijk een wel bijna compleet overzicht van de Noorse progrock in handen. Speelt ‘onze muziek’ zich al af in een niche, dit boek belicht hiervan weer een niche, dus is het wel bestemd voor de fijnproevers. Het levert echter zonder meer veel herkenning op en voor de liefhebber valt er bovendien weer het nodige aan nieuwe muziek te ontdekken.
De autobiografie van multi-instrumentalist Mike Oldfield heeft een bijzondere titel: “Changeling”, dat zoveel betekent als ‘verwisseld bij geboorte’. Dat thema, het gevoel er niet bij te passen, nergens toe te behoren, eenling en buitenstaander te zijn, keert regelmatig terug in het boek. Een boek dat je bij de keel grijpt en niet meer los laat. Zoveel gebeurt er in het eerste deel, waarin het leven van een nog jonge Michael Oldfield wordt beschreven. Door de man zelf, zonder ghostwriter, met veel gevoel voor detail, humor ook, en inzicht verschaffend in de psyche van deze getormenteerde jongeman.
Het boek begint al anders dan anders, met zijn deelname in 1979 aan een bijzonder seminar wat het beste beschreven kan worden als een soort hergeboorte in groepsverband. Dit was gebaseerd op Werner Erhard’s EST training, een discutabel soort zelfassertiviteitsprogramma in combinatie met wedergeboorte-ervaring. Oldfield kwam hier, na drie intensieve dagen, als herboren uit terug, als een ander mens.
Een levensveranderende ervaring voor een dan nog pas 26-jarige Oldfield, die dan al een heel leven achter zich heeft. Een leven dat start in de jaren vijftig, op 15 mei 1953, in een ziekenhuis in Bath, om precies te zijn. Het boek verhaalt gedetailleerd over de relatief gelukkige jonge jeugd als jongste zoon van een huisarts en een ervaren verpleegster. Maar altijd met dat gevoel een zonderling te zijn, een buitenbeentje. De ernstige mentale ziekte die zich bij zijn moeder ontplooit en die het gezin verscheurt, laat grote sporen na op de jongeling. Het gezin verhuist een aantal keren en dat betekent dat een jonge Oldfield ook verschillende scholen bezoekt. Hij is geen groot student, houdt zich grotendeels bezig met het bouwen van modelvliegtuigjes en ontdekt gaandeweg de gitaar en muziek.
Maar de demonen in zijn lijf blijven hem angst aanjagen, het worden oncontroleerbare paniekaanvallen die hem een groot deel van zijn leven parten blijven spelen. Al op jonge leeftijd worden drugs (hasj en LSD) en vooral drank een vast onderdeel van zijn ritueel, vooral om de angstaanvallen tegen te gaan. De gitaar wordt zijn redding, hij wordt een begiftigd musicus, vooral door duizenden uren te oefenen en op heel jonge leeftijd al in clubs te spelen. Via een bandje met zijn zusje Sally en optredens met folkbandjes, komt hij in de band van Kevin Ayers terecht, op zestienjarige leeftijd. Dan begint hij al te schrijven aan zijn “Opus One”, zijn grote werkstuk dat uiteindelijk als “Tubular Bells” wereldwijd bekend zou worden. Op intrigerende wijze beschrijft hij de totstandkoming van het iconische album. Zijn kennismaking met een nog jonge Richard Branson, de Manor studio, de opnamesessies, alles komt tot in detail voorbij.
Maar ook de financiële problemen, de sociale isolatie, en de steeds terugkerende continue psychische problemen waar de hoofdrolspeler mee kampt. Die nog verder verergeren door de scheiding van zijn ouders, de ruzie met zijn vader en de dood van zijn moeder. En het knagende gevoel dat zijn eigen aandoening een erfelijk karakter heeft. Vooral de beschrijving van wat er met hem gebeurt op die momenten is even aandoenlijk als beklemmend.
Zoveel tijd hij neemt om de periode tot en met “Tubular Bells” (1973) met zoveel details te beschrijven, zo weinig aandacht besteedt hij aan de periode erna. Deels door een gebrek aan accurate herinneringen, zijn drankgebruik neemt gigantische proporties aan, deels door desinteresse. Sommige albums, hij zou er in totaal dertien uitbrengen voor Virgin over een periode van 24 jaar, worden nauwelijks vermeld. Het lijkt wel of zijn leven ophield op zijn 19e. Na de hergeboorte ontstaat er een andere Oldfield: de kluizenaar met ontbrekende sociale vaardigheden wordt een ander mens: socialer, uitgaand, geïnteresseerd; opeens zijn interviews, tournees en video’s niet langer taboe. De andere kant van het in zichzelf gekeerde genie is er ook: de vele huizen, compleet met hightech opnamestudio’s, de luxe auto’s, de privévliegtuigjes en helikopters, ze maken ook deel uit van de mediapersoonlijkheid die hij zou worden. Maar dat hoogtepunt uit 1973 zou hij nooit meer overtreffen, ook al waren er diverse opvolgers met (bijna) dezelfde titel. Hij geeft het zelf ook ergens in het boek aan: na de spraakmakende hergeboortesessies had hij zijn demonen voor een groot deel onder controle, maar diezelfde demonen waren ook inspiratiebronnen voor zijn muziek. En die werd dus nooit meer hetzelfde.
Een uiterst interessant boek, niet alleen voor Oldfield-adepten. Hij gunt ons een blik in zijn innerlijke psyche, verder dan menig schrijver dat ooit gedaan heeft. Het boek dateert uit 2007, dus een aantal nieuwe hoogtepunten uit zijn (muzikale) leven is niet vermeld. Zoals de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Londen in 2012, waar zijn muziek een prominente rol zou spelen. Of zijn album “Return to Ommadawn” uit 2017 waarop hij letterlijk terugkeert naar een ander album waar hij trots op was. Maar ook een peilloos dieptepunt als het overlijden van oudste zoon Dougal op 33-jarige leeftijd in 2015. Maar wat beklijft is toch vooral de lange en pijnlijke weg die hij heeft moeten afleggen om eindelijk vrede met zichzelf te kunnen hebben.
Henk Tuijn, geboren in januari 1954, heeft de opkomst van de symfonische rock eind jaren 60 en begin jaren 70 heel bewust meegemaakt. Henk heeft een indrukwekkende verzameling progalbums opgebouwd en schreef hierover al in zijn boek “Het Mooiste Plaatje”. Lenne Huisman, ietwat jonger (geboren in 1963), is door zijn oudere broers het progrockpad opgestuurd. In zijn boek “50 jaar Progressieve Rock – Introductie gids” schetst hij een overzicht van de belangrijkste bands en albums van de afgelopen 50 jaar. Na hun kennismaking – dankzij de publicatie van beider boeken – is het idee ontstaan om met name de beginperiode van de progrock verder te verkennen. Het boek “Verborgen prog-parels 1970-1980”, dat de ‘belangrijkste beminde-maar-onbekende progparels’ uit dat decennium beschrijft, is het resultaat van hun gezamenlijke ontdekkingstocht.
Het zoekproces van beide heren, dat ruim een half jaar heeft geduurd, heeft geleid tot 55 prog-parels. Een prog-parel is – volgens de auteurs – een uniek muziekdocument (lees album) dat bijgedragen heeft aan de ontwikkeling van de progrock. De albums beschreven in het boek zijn albums die de auteurs nog altijd (meer dan) het beluisteren waard vinden en die niet, of maar beperkt, bekend zijn bij de gemiddelde progliefhebber. De auteurs hebben zich hierbij vooral laten leiden door hun persoonlijke voorkeuren en smaak. Dus niet alle subgenres uit de progrock komen aan bod, maar de belangrijkste progressieve en symfonische stromingen uit het beschreven decennium wel.
Na de inleiding, waarin de terminologie, verantwoording voor de gemaakte keuzen en de doelgroep van dit boek worden beschreven, stellen de auteurs zich voor in hoofdstuk 2. Hun persoonlijke reis door de progrock, de kennismaking met het genre en hun enthousiasme en koopgedrag wordt heerlijk leesbaar beschreven. Menigeen zal zich herkennen in hun muzikale reis door albums, bands en liveoptredens. De bezoeken aan platenwinkels, het zoek- en uitpluiswerk, het uitgebreide luistergedrag en de uitwisseling van bandnamen en albums met vrienden is voor mij zeer herkenbaar.
Hoofdstuk 3 beschrijft de zoektocht naar de verborgen prog-parels uit de jaren 70. De verschillende bronnen die zijn geraadpleegd worden beschreven en de wijze waarop de specifieke albums zijn geselecteerd. Natuurlijk is de keuze arbitrair en zeker afhankelijk van de persoonlijke muziekvoorkeur van de schrijvers, maar de wijze waarop dit is beschreven maakt het voor iedereen mogelijk om een vergelijkbare zoektocht te doorlopen. Hierbij kan iedereen voor zichzelf een keuze maken en hier en daar een andere afslag nemen. Wel of geen Mellotron, Italiaanse smaakmakers of toch meer Amerikaans, beïnvloed door bands als Genesis, Yes of toch maar Pink Floyd nemen… Zo kan een persoonlijke ontdekkingstocht gemaakt worden, waarbij waarschijnlijk nog veel andere prog-parels zullen worden ontdekt.
Hoofdstuk 4 beschrijft – stuk voor stuk – de 55 parels die door de auteurs zijn geselecteerd. Hierbij wordt telkens via een vast stramien de prog-parel beschreven. Eerst de feitelijkheden (band, bezetting en albums), dan een motivatie voor de keuze, quotes uit de vakpers (denk vooral aan IO-Pages, Progarchives, DPRP en natuurlijk Progwereld) en een impressie (eigen beelden en visies) over het album en de nummers.
De 55 geselecteerde albums zijn alle uitzonderlijke muziekstukken, die inderdaad goed verborgen zijn gebleven in de afgelopen vijftig jaar. Voor uw recensent zit daar toch een flink aantal albums bij die ik nog nooit had gehoord. Het goede nieuws is dat bijna alle albums zijn terug te vinden op de streamingdiensten die we tegenwoordig hebben. En menig album is zeker het opzoeken en beluisteren waard!
Tot slot wordt in hoofdstuk 5 door de schrijvers kort teruggeblikt op de zoektocht. Meer nog dan het ontdekken van de 55 prog-parels die beschreven zijn in het boek, zijn zij in contact gekomen met ‘hun’ prog-geschiedenis. In hun slotwoord zetten ze hun lezers aan tot een eigen ontdekkingstocht naar de vele mooie progalbums. Bij deze aanbeveling wil ik me graag aansluiten.
Het boek is verkrijgbaar via info@seriousmusicalphen.nl