Yes in the 1980’s – Stephen Lambe (2021)

De titel zegt het al, het tweede volledige decennium van de legendarische Britse band is het onderwerp van een boek. Met vaart geschreven door Yes-fan en ervaren auteur Stephen Lambe, in samenwerking met super-fan David Watkinson. De schrijver brengt het allemaal met veel humor, het zijn herkenbare belevenissen en (luister-)ervaringen, van de ene fan tot de andere. Lambe is een voormalig voorzitter van de Classic Rock Society in Engeland, en schrijver van diverse boeken; “Yes in the 80’s” is alweer zijn tiende boek.

De jaren ’80 waren moeilijke jaren voor de progressieve rock; haar exponenten werden dinosauriërs genoemd en waren in één klap uit de gratie en de mode. Dat gold ook voor Yes wat worstelde met de toekomst, de muzikale richting en de vele personeelswisselingen. Tegelijkertijd was het een spannende periode waarin samenwerking met andere muzikanten (Buggles, Trevor Rabin), de groep een nieuwe impuls gaven. En zelfs een wereldwijde nummer 1 hit opleverde. Er waren zelfs op enig moment twee varianten van de band. Totdat ze op een groot ronddraaiend podium elkaar weer vonden en verenigd werden. Hoewel niet voor lang. Sommigen (Howe) zochten het in samenwerking met collega’s en richten nieuwe supergroepen op (Asia/GTR) of wierpen zich al dan niet door (financiële) nood gedwongen op solo-projecten (Wakeman). Anderen trachtten zelfs een carrière als professioneel achtergrondzanger van de grond te krijgen (Anderson). Maar bijna allemaal keerden ze na verloop van tijd toch weer terug op het oude vertrouwde nest.

In chronologische volgorde worden alle in deze periode uitgebrachte albums, tournees en zakelijke beslommeringen over het voetlicht gebracht. Elk album wordt door een korte recensie vergezeld. Er is humor en (zelf) kritiek ook, het wordt daardoor wat luchtiger, dit is zeker geen kritiekloze blinde fan aanbidding, maar de liefde voor de band klinkt overal in door.

Het is het verhaal over de wonderlijke avonturen van Jon, Steve, Chris, Rick en Alan en al die anderen die korter (vaak) of langer (minder vaak) onderdeel van de band uitmaakten. Maar ook van de (tijdelijke) samenwerkingen die al dan niet parallel met de band liepen zoals The Buggles, Asia, GTR, Vangelis. Of het ultrakorte lidmaatschap van Eddie Jobson en diens persoonlijke relaas. Maar ook het net zo korte verbond van ex- Yes en Led Zeppelin leden, XYZ, wat uiteindelijk toch niet van de grond kwam.

Er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van (bestaand) materiaal: interviews, video’s, promotie materiaal maar ook interessante, relatief recente, podcasts. Of de persoonlijke ervaringen van diegene die er, soms per ongeluk, dichtbij is geweest. Grappig ook: verschillende invalshoeken en ervaringen van de diverse participanten, soms volledig tegengesteld. Bewust of onbewust?

Als zelfverklaard Yes-fan kom ik toch een aantal zaken tegen waar ik niets of weinig van wist. Wat te denken van het gebruik van (deels onzichtbare) extra muzikanten tijdens live shows. Al met al een mooi verslag van een decennium met vele ups en downs. Al die personeelswisselingen, onderlinge spanningen en vertrek met slaande deuren. Met elkaar strijdende managers, de invloed van platenlabels en de immer terugkerende druk om het vorige album te overtreffen, om nog maar niet over de ultieme vraag naar hitsingles te spreken. Desondanks heeft het soms wonderschone muziek en iconische albums opgeleverd. Ondanks of dankzij de druk en de chaos.

Slechts 160 pagina’s en 32 pagina’s met exclusief foto materiaal, goed verteerbaar en informatief tegelijkertijd, zo zie ik dit soort edities het liefst. De moeite waard voor zowel de hardcore fan als diegene die maar zijdelings van de band heeft gehoord. Maar eerlijk gezegd toch vooral voor die eerste categorie. Tip: het wordt helemaal een fijne ervaring met Spotify op de achtergrond.

Genesis In The 1970s

De vraag is wat nog een boek over Genesis toevoegt aan alles wat al over deze supergroep aan het papier is toevertrouwd.

Sonicbond verrijkt de wereld in elk geval met een boekenlijn ‘On Track’, waarbij van bands ‘every album, every song’ worden behandeld. In deze laatste reeks verscheen al een boek over Genesis. Een andere serie heet “Decades”, hierin staat een decennium in het bestaan van een band centraal. Er verschenen onder andere Decades uitgaven van Pink Floyd, Yes en Marillion en je raadt het vast al, nu is er ook zo’n boekje over Genesis uitgebracht, dat het wel en wee van dit illustere Britse muziekgezelschap in de jaren ’70 behandelt.

Geboren halverwege de jaren ’60 werd Genesis voor Bill Thomas wat The Beatles waren voor de iets oudere generatie. Hij heeft voor eeuwig zijn hart verpand aan Genesis en zijn liefde voor deze band steekt de auteur van “Genesis In The 1970s” dan ook niet onder stoelen of banken. Thomas schrijft al dertig jaar over voetbal en muziek. Eerder leverde hij “Kate Bush On Track” af.

De uitvoering van het boek is sober, met een grijze kaft en mudvolle pagina’s in een onaantrekkelijke opmaak. Het enige aantrekkelijke aan het fysieke boek is de mini-katern met veertien pagina’s met de albumhoezen en foto’s van de band in full colour uit die periode. Maar het gaat natuurlijk over de tekst. En die is heel goed te pruimen. In een stijl die prettig weg leest werkt Thomas zich per jaar door de geschiedenis van de band heen. Ook voor de kenners zijn er ongetwijfeld dingen te lezen die zij niet wisten, zo gedetailleerd gaat de schrijver te werk. Hij gaat in op de start van Genesis in 1967 als een aantal kostschooljongens samen muziek gaan maken. We hebben het dan over Tony Banks, Peter Gabriel, Mike Rutherford en Anthony Phillips. Het succes blijft in het begin zeker uit, al treden ze zich een ongeluk op in het clubcircuit. Dit weerhoudt de heren er niet van hun droom na te blijven jagen. Zonder concessies te doen aan de muziek die zij goed vinden en willen maken ontwikkelen ze zich tot een van de beste progbands uit de geschiedenis die juist in de jaren ’70 zijn meest tot de verbeelding sprekende periode kende.

Al snel na het debuut “From Genesis To Revelation” (1969) willen ze meer de kant van King Crimson op, wat leidt tot de aanschaf van de Mellotron van die band! De eerste serieuze lp, “Trespass”, (1970) doet vrijwel niets, al staat hier wel de live-kraker The Knife op. Dat is voor Phillips al het moment om af te haken, hij leed aan faalangst. Na “Nursery Cryme” (1971) verschijnt “Foxtrot” (1972), waarop het iconische Supper’s Ready staat, een van de hoogtepunten uit het oeuvre van Genesis. Steve Hackett is dan Phillips komen vervangen en je had een slechtere gitarist in huis kunnen halen. De flamboyante zanger Gabriel stond bekend om zijn uitdossingen op het podium. Bekend is zijn imitatie van een afbeelding op de cover van “Foxtrot”, een  creatie met vossenkop en rode jurk. In 1973 verschijnt “Selling England By The Pound”, een album dat vaak op nummer één staat in lijstjes van de beste progplaten aller tijden. Hackett speelt het nummer Firth Of Fifth, met de al even hoog scorende gitaarsolo, nog steevast op zijn concerten. Het succes begint nu echt te komen, zeker ook in Amerika.

Naast een toenemend vakmanschap in het bespelen van hun instrumenten was het schrijverscollectief dat Genesis vormde een belangrijke reden dat ze tot zulke grote hoogten konden stijgen. Ze waren allen in staat goede nummers te schrijven en deze kwamen pas op een lp als iedereen zijn fiat had gegeven. Deze kritische werkwijze gaf uiteraard ook interne strijd en leverde frustraties op. “The Lamb Lies Down On Broadway” kan toch wel als hét werk van Gabriel worden gezien. Hij schreef eerst alle teksten, waar de anderen later de muziek bij maakten. Hierna haakte ook hij af, uit onvrede met de muziekindustrie. Dit was een spannend moment: had Genesis nog bestaansrecht zonder zijn charismatische frontman? Phil Collins, in huis gehaald als drummer, bleek echter ook een uitstekende zanger te zijn.

Er zouden nog twee prachtige albums volgen, te beginnen met “A Trick Of The Tale”. De albumhoes verbeeldt prachtig te karakters die in de nummers voorkomen. Dat brengt me op de teksten, die gingen bij Genesis altijd ergens over. Met Gabriel voorop, de anderen in zijn kielzog, bezong de band actuele thema’s, namen ze een oud gedicht of een roman als basis of doken ze de fantasiewereld in. Er is een wereld in de teksten te ontdekken.

Steve Hackett wilde meer zijn eigen muziek maken, die hij in Genesis niet genoeg kwijt kon en ging solo verder na “Wind And Wuthering”. Thomas neemt en passant ook de tijd om het solowerk van de zes belangrijkste leden van Genesis de revue te laten passeren. Voor Collins, met oerleden Tony Banks en Mike Rutherford, moest na het vertrek van Hackett het grote commerciële succes nog beginnen. De laatste plaat in dit decennium kreeg de passende titel “And Then There Were Three” mee en deze bevatte de eerste echte single-hit: Follow You Follow Me. Voor veel fans was dit het moment om de band de rug toe te keren. Genesis en Phil Collins solo zouden uitgroeien tot wereldacts. Maar dat is voor het volgende Decades boek.

Nou vooruit, één laatste anekdote nog, om de ontwikkeling van Genesis te illustreren. Het is bekend dat ze in de begintijd eens optraden voor één man publiek en vroegen of hij nog verzoeknummers had. Tegen het eind van het decennium traden ze op een festival op voor 100.000 man.

Wouter Bessels beschreef het ook al in zijn recensie van “Tangerine Dream In The 70s”: het is een schitterende trip down memory lane om alle muziek van in dit geval de mannen van Genesis uit die periode nog eens achter elkaar te beluisteren. Het boek van Thomas op schoot geeft alle details over de totstandkoming het instrumentgebruik, de songteksten, de perikelen, hoe de muziek werd ontvangen en andere achtergronden. Hierdoor hoor je toch weer andere dingen en dingen anders. Dit is een trip die ik, met dank aan “Genesis In The 70s”, iedereen kan aanbevelen!

Nick Holmes – Porcupine Tree On Track

Niemand had een paar maanden geleden kunnen vermoeden dat 2022 het jaar wordt van de comeback van Porcupine Tree. Aan de tienjarige adempauze – vergelijkbaar met die van de Eagles en Steely Dan – komt vanaf juni een einde middels een album en een tournee, waarvoor de groep is gereduceerd tot het trio Steven Wilson, Richard Barbieri en Gavin Harrison. Over die terugkeer rept het boek van Nick Holmes met geen woord. Logisch, zijn bundel in de serie On Track van Sonicbond rolde eind september van de persen.

Evenals de andere afleveringen in deze serie duikt schrijver – in het dagelijks leven werkzaam bij BBC Radio – in de discografie van de band, pluist hij elk album uit wat betreft nummers, achtergronden en leuke feitjes en invloeden. Daarbij loopt de tekst bijna over van schoten voor eigen doel. Natuurlijk is er de vergelijking met Pink Floyd bij “The Sky Moves Sideways” en NEU! en Kraftwerk bij “Signify”. Kortom, het bekende verhaal, met een hoop aangehaalde citaten uit andere publicaties. Zoek als bovengemiddelde kenner dus niet in dit boekwerk naar onbekende feiten. Holmes gaat zeer formulematig te werk. De vorm in dit boek is in feite belangrijker dan de inhoud, maar allebei zijn ze – wie de serie kent – meer dan bekend.

Zo leest Holmes’ werk als een uitgebreide versie van de Porcupine Tree Wikipedia-pagina, plus wat eigen observaties en opinies. Erg spannend is het allemaal niet. Nergens doet hij aan tekstanalyse, legt hij diepgaande dwarsverbanden – de link tussen “Stupid Dream” en “To The Bone” is volgens de schrijver de popgerichte aanpak, dat soort oppervlakkige stellingen – of komt hij met nieuwe feiten op de proppen. Zijn boekje is vooral een handzaam naslagwerk voor de fan, dan wel een introductie voor wie nog een totale leek is de wereld van Wilson c.s.. Maar dan nog had hij er veel meer uit kunnen halen dan er nu in zit. Misschien dat die comeback later dit jaar hem nog wat interessante invalshoeken geeft?

Tangerine Dream In The 70s

De geschiedenis van de Duitse elektronicagroep Tangerine Dream is in het verleden al meerdere malen aan bod gekomen in diverse boeken.

Paul Stumps boek “Digital Gothic” geldt als de bekendste, maar zeker niet als meest accuraat en is inmiddels vrij gedateerd. Zijn landgenoot Stephen Palmer kiest in zijn boek “Tangerine Dream In The 70s” zowel voor aanhaken bij de populaire boekenreeks ‘Decades’ van uitgever Sonicbond als voor de jaren zeventig als invalshoek. Palmer geldt in eigen land als een bekend schrijver van fictie/science fiction en is daarnaast al ruim veertig jaar fan van Tangerine Dream, juist op het moment dat het verhaal in zijn nieuwe boek in feite stopt.

Met name sinds de dood van bandleider Edgar Froese, zeven jaar geleden, groeide de aandacht en interesse in het klassieke werk van zijn groep. Universal bracht de lijvige “In Search Of Hades” box uit met veel niet eerder uitgebracht materiaal, terwijl ook het aloude werk op het Ohr-label op een stijgende waardering kon rekenen. Palmer beschrijft in zijn boek het ontstaan van de band in 1967, behandelt de bezettingswisselingen en neemt de discografie flink onder handen. Dat doet hij aan de hand van archiefinterviews en geschreven bronnen uit het verleden, maar ook sprak hij oud-leden Steve Schroyder en Steve Jolliffe – twee musici die deel uitmaakten van Tangerine Dream in een vrij roerige periode waarin de groep in een belangrijke ontwikkelingsfase zat.

Met kennis van zaken, inzicht in de muziek en een vloeiende pen schrijft Palmer zich door de eerste 12,5 jaar van de groep heen. Soms kritisch, soms oppervlakkig, maar wel met inhoudelijke informatie over de muziek, instrumenten en concerten en juist daarmee maakt dit boek indruk. Evenals bij andere delen uit de ‘Decades’-reeks van Sonicbond wil je als lezer als het ware gelijk de bewuste albums uit de kast trekken en aan de hand van Palmers beschrijving de muziek opnieuw over je heen laten komen, waarbij zijn tekst je soms op andere of nieuwe gedachten brengen. Juist het abstracte, impressionistische karakter van de muziek van Tangerine Dream leent zich daarvoor uitstekend.

Ook wie nog niets van de groep heeft en zich wil laten onderdompelen in dit belangrijke tijdperk geldt “Tangerine Dream In The 70s” als een nuttige gids en naslagwerk. Net zoals bij andere delen uit de reeks geldt: wacht niet te lang met een eventuele aanschaf, want de oplagen zijn altijd gelimiteerd.

Henk Tuijn – Het Mooiste Plaatje

Vijftig jaar progressieve rock vormgegeven in een schitterende boekwerk. Maar liefst 288 pagina’s vol met prachtige illustraties en verhalen, in een luxe limited edition hardcover.

Henk Tuijn beschrijft hierin zijn persoonlijke ontdekkingstocht door de progrock geschiedenis van 1970-2020. Tuijn doet dit vanuit zijn muziekbeleving, de wijze waarop hij aangetrokken wordt tot een album en hoe dit hem verder trok in de muziek van die band of gerelateerde bands.

Voor velen van ons zal deze ontdekkingsreis een bron van herkenning zijn. Word jij in een platenzaak ook niet in eerste instantie aangetrokken door een hoes? Of zoals Tuijn zegt “De hoes trekt je aandacht zodra je op zoek bent naar een nieuwe ontdekking”. Daarnaast ontdek je natuurlijk ook muziek door met vrienden ervaringen en muziek uit te wisselen, zoeken naar vergelijkbare bands of de volledige discografie van een band na te pluizen. Zo wordt in het boek “Het Mooiste Plaatje” op verhalende wijze de geschiedenis van de progressieve rock (door Tuijn afgekort tot progrock) beschreven.

De reis begint bij The Moody Blues. De hoes van “Every Good Boy Deserves Favour”, waarbij de voor- en achterkant in elkaar over lopen maken dat dit album opvalt. Tuijn kocht dit album dan ook op basis van deze prachtige hoes van Phil Travers (en ook op basis van een goede recensie en aanbeveling van een vriend). Via P.F.M. (Premiata Forneria Marconi), Yes, E.L.P., Pink Floyd, The Strawbs, Genesis en Camel worden de pioniers uit de jaren ’70 beschreven. Over toetsen plus gitaren worden de verschillende albums uit die periode met hun bijbehorende hoezen beschreven. Daarbij wordt de Nederlandse inbreng zeker niet vergeten, met Earth & Fire, Kayak en Focus.

Hoewel het boek een min of meer chronologische opbouw heeft wordt niet strikt de tijdslijn gevolgd. Tuijn beschrijft de albums per groep, waarbij hij zijn eigen kennismaking met de groep als leidraad neemt. Hij begint dan ook niet altijd bij het debuutalbum van een groep, maar bij het album waarmee hij kennismaakte met de band. Zo is “Meddle” het eerste album van Pink Floyd dat wordt beschreven om na “Dark Side” en “Wish You Were Here” bij de eerdere albums “Atom Heart Mother’ en “Ummagumma” aan te komen. Eén stapje vooruit en weer twee stapjes terug.

De jaren ’80 worden beschreven door de ‘theatrale diehards’ in de neo-prog, zoals IQ, Marillion en Pallas. De synergie effecten en samenwerkingsverbanden typeren volgens Tuijn de jaren ’90. Het eerste decennium in deze eeuw is er – volgens Tuijn – sprake van een revival: heel veel progressieve muziek grijpt terug naar de oorspronkelijke progrock. Hierbij passeren bands als Echolyn, Glass Hammer, Spock’s Beard en The Flower Kings de revue. Een groot gedeelte van het boek (ruim 150 pagina’s) is gewijd aan dit decennium. Overigens zijn enkele bands die hier beschreven worden ontstaan in de vorige eeuw, maar de auteur heeft deze band in dit decennium ontdekt of weten te waarderen. Het laatste decennium van het boek – de ‘nieuwe’ lichting (vanaf ca 2010) – bevat de ‘wereldwijde grabbelton’. Progrock wordt over de gehele wereld uitgebracht en is steeds makkelijk bereikbaar voor iedereen overal ter wereld.

In een gesprek met Henk Tuijn vertelt hij aan mij dat hij het boek in eerste instantie alleen voor zichzelf heeft samengesteld. Tuijn is enige tijd geleden gestopt met werken (met pensioen gegaan) en wilde zijn immense muziek collectie van vijftig jaar vastleggen. Hiermee kon hij een streep trekken onder zijn verzameling en vastleggen wat hij zelf echt goed vindt en wat minder. Zoals zovelen heeft ook Henk een aantal albums in zijn collectie die hij nooit meer draait en ook enkele die nog steeds geweldig zijn en regelmatig uit de kast komen. Het boek is dan ook geheel organisch tot stand gekomen. En hoe verder het boek vorderde merkte hij dat er een ‘rode draad’ in de progrock zit. Tuijn gaat erg voor de melodie. Daarnaast spreekt het hem erg aan als je door de muziek het zelfvertrouwen van de muzikant hoort, waarbij een statement wordt gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan Yours Is No Disgrace van Yes.

Over de hoes van het boek vertelt Henk Tuijn dat deze ook vanzelf bij hem terecht is gekomen. De foto “Pillars Of Creation” is genomen door de Hubble Space Telescope van een interstellaire gaswolk. Omdat Henk iets met adelaars heeft, heeft deze adelaarsnevel een extra betekenis voor hem. Een adelaar heeft ook een scherpe blik om de juweeltjes uit een verzameling te pakken en ook in zijn loop gaat hij vaak een stapje vooruit en dan weer terug. Deze vergelijking is typerend voor het boek. Daarnaast is de titel van deze illustratie treffend. De bands en albums die beschreven worden in het boek zijn de ‘pillars of creation’ in de progrock. Denk hierbij aan het ontstaan van Yes of aan de rol van Ton Scherpenzeel bij het ontstaan van Kayak. Daarnaast zijn er giganten in de progrock die een ‘rode draad’ vormen in de progrock, die kruisverbanden leggen tussen bands, denk onder anderen aan Steve Hackett, Neal Morse, Roine Stolt en John Mitchell.

Met dit boek zijn wij samen met Henk Tuijn op reis gegaan door progluilekkerland. Voor Henk is het een (voorlopige) afsluiting van vijftig jaar progrock muziek, maar voor anderen is dit een goed uitgangspunt voor een nieuwe ontdekkingsreis. Er zullen altijd nieuwe artiesten opstaan die ons versteld doen staan. Of zoals Henk aangeeft in zijn ‘Tot Besluit’: Eigenlijk mag je van prog verwachten dat er geen grenzen zijn en dat er nieuwe ‘Pillars of Creation’ opstaan!

P.s. Het boek is (nog) niet in de boekhandel verkrijgbaar, maar het kan worden besteld door een email te sturen naar henktuijn@kpnmail.nl

Pink Floyd – The Rob Verhorst Archives

Wie vroeger wel eens een OOR, Music Maker of Hitkrant las, heeft ongetwijfeld wel eens een foto van Rob Verhorst voorbij zien komen. Zijn carrière omspant meer dan veertig jaar en in die ruim vier decennia heeft hij zo’n beetje alle groten der aarde op muziekgebied wel voor de lens gehad.

Het was tijdens een Pink Floyd concert in 1977 dat zijn liefde voor muziek en zijn passie voor fotografie mooi samenvielen. Vanaf dit moment besloot hij van zijn hobby’s zijn werk te maken en na een tijdje kon hij zich bedruipen als professioneel fotograaf.

In al die jaren bouwde hij vanzelfsprekend een enorm archief op. Voor “Pink Floyd – The Rob Verhorst Archives” is een deel van dat archief nu eindelijk samen gepubliceerd. Een aantal foto’s is al eerder in diverse (dag)bladen te zien geweest, maar een groot deel van de foto’s wordt nu voor het eerst met het grote publiek gedeeld. En dat is absoluut de moeite waard.

In chronologische volgorde komt bijna 35 jaar Pink Floyd voorbij. Te beginnen bij de shows in Ahoy op 17 en 19 februari 1977 en eindigend met de soloshow van Roger Waters op 8 april 2011 in het Gelredome in Arnhem. Door deze chronologische volgorde is de evolutie van de shows van aanvankelijk Pink Floyd en later de solo-optredens van de heren (maar met name van Roger Waters) heel goed te volgen. Omdat Verhorst kans zag in drie verschillende tijdperken de shows van “The Wall” voor de camera te krijgen is vooral daar goed te zien wat de verbeterde techniek met een show kan doen. Alleen al het veranderde uiterlijk van de grote opblaasbare teacher is erg gaaf om te zien.

De verschillende periodes worden door Rob steeds zelf ingeleid met wat leuke anekdotes uit de betreffende tijd. Deze stukjes tekst gaan vergezeld van collages met concerttickets en artikels waarbij foto’s van Rob zijn gepubliceerd.

Al deze zaken zorgen ervoor dat dit een erg fraai koffietafelboek is geworden, wat je graag regelmatig oppakt om eens in te bladeren. In het interview dat ik met Rob had, geeft hij aan voor meer artiesten dit soort projecten te willen gaan doen (nadat hij dit eerder al met Prince had gedaan). Als dat voor net zo’n fraaie verzameling gaat zorgen als bij dit boek, moet hij dat zeker niet nalaten.

Dit was Veronica, geschiedenis van een piraat

Wat een heerlijk boek! Oké, je moet wel een beetje van een zekere leeftijd zijn maar dan is het ook gegarandeerd genieten geblazen.

De succesvolle auteur Auke Kok (Johan Cruijff, de biografie / Holleeder, de jonge jaren) heeft een smakelijk en bovenal vermakelijk boek geschreven over de relatief korte historie van Nederlandse meest bekende en vooral geliefde piratenzender, Radio Veronica. Het is een feest van herkenning, vooral voor diegenen die een 4 of een 5 in het geboortejaar hebben, in de tientallen wel te verstaan. Alleen al de namen van dj’s als Lex (Top 40) Harding, (1,2,3, 4 etc.) Tineke de Nooij, Chiel Montagne (de man zonder franje), (Cowboy) Gerard de Vries, Jan ‘Candlelight’ van Veen staan hiervoor garant. Of mannen als Rob Out, Tom Collins, Tom (Klaas Vaak) Mulder, Will Luikinga. En wat te denken van nieuwslezers als Harmen Siezen. Bij de vermelding van de commercials en de uit de VS overgewaaide jingles kan ik een glimlach niet onderdrukken. Kok gaat op de van hem bekende soepele en humoristische wijze door de geschiedenis heen, van de oprichting in 1960 tot het droevige en onvermijdelijke einde op 31 augustus 1974.

Ik heb zelf nog meegelopen in die beroemde/beruchte demonstratie in april 1973. In de regen vanaf het Binnenhof in Den Haag naar het Malieveld waar een aantal Nederlandse bands belangeloos zou optreden. Ik heb hoofd-act Golden Earring nooit meer gezien, het programma liep hopeloos uit, alleen de Dizzy Man’s Band heb ik nog zien spelen. Daarna was ik te moe om ‘pap’ te zeggen en heb ik de terugtocht naar de ouderlijke woning weer ondernomen. Maar ik was er toch maar mooi bij geweest, dat kon niemand mij meer afnemen. Het was ook een zekere vorm van ‘rite of passage’, zo zou ik het kunnen omschrijven.

Het boek verhaalt uitgebreid over de oprichters, de vrijgevochten ondernemers/broers Verweij, maar ook over de belangrijke spil bij de start, de nog jonge student Willem van Kooten, alias Joost den Draaijer, tot en met de laatste periode met de kleurrijke Rob Out aan het roer. Maar ook het ontstaan van de Top 40, de opkomst van ster-dj Lex Harding en de onbeholpen bomaanval op concurrent Radio Noordzee. De ‘platenrijders’ waren zeer invloedrijk in die dagen, bepalend zelfs voor het aanzien van de muziek en de cultuur, en voor mijn persoonlijke reis naar volwassenheid. 400 pagina’s pure romantiek en vooral nostalgie. Extra aandacht voor de interessante toegift: het laatste hoofdstuk noemt alle betrokkenen en wat er van hen geworden is. Absolute aanrader.

Lenne Huisman – 50 jaar progressieve rock introductiegids

Het tienjarig bestaan van de stichting Serious Music Alphen greep Lenne Huisman – één van de initiatiefnemers van die stichting – aan om een boek samen te stellen over een halve eeuw progressieve rock. Een introductiegids die de, al dan niet beginnende, luisteraar wegwijst door de vele uithoeken van het genre. Aanleiding daarvoor is de coronacrisis: vanwege de lege agenda bij Serious Music Alphen pakte hij de pen op, nadat hij de tijd had genomen eens beter en dieper in zijn eigen collectie te duiken.

Dat deze gids min of meer uit noodzaak is geboren valt bij het lezen van de boektekst overigens totaal niet op. Huisman graaft in tien hoofdstukken door de lange en uitgebreide geschiedenis, waarbij hij aftrapt met een feitelijke afkadering. Wat is progressieve rock, hoe ziet de tijdlijn eruit en welke subgenres bestaan er. Daarvoor doet de auteur een beroep op Wikipedia. Op het eerste gezicht een wat gemakzuchtige bron, maar wel één die concreet de lijnen duidelijk uitzet en waarbij Huisman ook zeker niet de mogelijkheid onbenut laat om zelf ook voorbeelden toe te voegen, zodat het boek gaandeweg een eigen smoel krijgt.

Vervolgens zet Huisman zonder poespas de lijnen uit per decennium, van de jaren ‘60 tot de 21e eeuw. Hij kiest voor een beschrijving per tijdperk, maar ook per band. Zo is niet één blokje over Genesis te lezen, maar beschrijft hij per hoofdstuk wat die groep per decennium heeft uitgespookt. Dat doet hij ook per land, dan wel continent, zodat hij wereldwijd het een en ander duidelijk in kaart brengt. Tot Estland en Oekraïne aan toe. Ook trekt hij niet te strak aan de genretouwtjes: ook Supertramp en Electric Light Orchestra komen in zijn boek ruimschoots aan bod.

Huismans enthousiasme is aanstekelijk. Wie door die boek bladert, schiet bij wijze van spreken gelijk uit zijn stoel om de platenkast in te duiken. Op zoek naar dat ene album van King Crimson, Caravan, Nektar, Ange of Flamborough Head dat je al jaren niet meer hebt beluisterd. Zijn schrijfstijl is zakelijk, maar prettig. Huisman is geen geboren schrijver (die best wel een goede eindredacteur had mogen gebruiken), maar hij vat per hoofdstuk wel de zaken kernachtig samen, zonder te veel zijn eigen mening op te dringen. Dat is meegenomen, want zo kan de lezer zelf uiteindelijk bepalen wat qua persoonlijke smaak wel of niet in het straatje past.

Ook met de duiding zit het wel snor. Zoals hij het oeuvre van Jethro Tull of Van der Graaf Generator uiteenzet en op waarde schat, daar kan menig biograaf nog een puntje aan zuigen. Een belerende toon (‘dit is wel prog, dat is geen prog’) laat hij gelukkig achterwege. Op al die punten doet deze gids prima zijn werk. Toch een minpuntje: sommige puntjes op de i ontbreken, zoals het juiste webadres van Progwereld (dat al twintig jaar www.progwereld.org is!)

Verwacht al met al geen uitgebreid en vuistdik boekwerk waarin de gehele geschiedenis van de progressieve rock aan je voorbijtrekt; wel een degelijke en handige gids van een grote liefhebber die herinneringen ophaalt, nieuwsgierigen de weg wijst en nieuwe deuren opent. En voor een tientje (exclusief verzendkosten) koop je sowieso geen kat in de zak.

Het boek – overigens zonder ISBN-nummer – is verkrijgbaar via www.seriousmusicalphen.nl

Fred Baggen – Supersister: Looking Back, Naked

De in Almere woonachtige schrijver Fred Baggen begon drie jaar geleden – nadat hij een biografie over The Doors had afgeleverd – aan zijn magnum opus, een biografie over Supersister. De Haagse groep die zich gedurende vijf jaar vanuit de Nederlandse underground-scene ontwikkelde tot een invloedrijke progressieve band.

Toetsenist Robert Jan Stips, bassist Ron van Eck, fluitist Sacha van Geest en drummer Marco Vrolijk putten inspiratie uit onder meer jazz, de klassieken en Zappa, goten dat in een energiek opwindend jasje en groeiden gaandeweg uit tot een inspiratiebron voor Camel en andere Canterbury-bands. Supersister maakte in zijn hoogtijdagen tussen 1970 en 1974 vijf albums, waarvan de eerste drie (“Present From Nancy”, “To The Highest Bidder”, “Pudding En Gisteren”) de belangrijkste wapenfeiten vormen. Dertig jaar na de doorbraak met de single She Was Naked maakte de groep een comeback in 2000 als headliner op ProgFest, een voor een Nederlandse band unieke mijlpaal.

Auteur Baggen gaat in “Looking Back, Naked” op zoek naar de oorsprong van Supersister en beschrijft vervolgens de geschiedenis van de band, inclusief ups en downs, op gedetailleerde wijze. Stips las over de schouder van de schrijver mee en voorzag hem van raad en daad. Vlak voor kerst plofte het boek op de deurmat bij de eerste 450 lieden die het boek bij voorintekening hadden besteld. Die beleven in elk geval geen saaie lockdown, want dit boek lees je niet in één avond uit. Medio februari verscheen de tweede druk, inclusief het namenregister dat ontbrak in de eerste druk. Ook heeft de auteur diverse zaken gecorrigeerd, rechtgezet of aangevuld. Zo bevat het boek een paar extra foto’s, neemt Baggen in zijn tekst het recente einde van Golden Earring mee en heeft hij typefouten verbeterd.

Wat bij dit boek gelijk in het oog springt, naast het imposante fotomateriaal en de uitgebreide research, is een overdosis aan details. Die vormt zowel de grote meerwaarde als de grootste valkuil van dit boekwerk, want sommige feitjes en weetjes zijn historisch gezien weinig relevant. Van het verhaal hoe Stips’ toenmalige vriendin Dorien met haar hand tussen de deur van de bandbus komt tot een column van Jan Blokker die zijdelings met de groep van doen heeft. Anderzijds biedt het relaas van de samenwerking met het Nederlands Dans Theater bij “Pudding En Gisteren” – het meest ambitieuze werk van Supersister – fascinerend leesvoer. Op die momenten excelleert de auteur en verbindt hij feiten met achtergronden en herinneringen.

Maar waarom koos dj Shadow in 1996 (en niet in 2009 zoals Baggen schrijft) voor een sample uit Judy Goes On Holiday? En om Solution nou de Groningse tegenhanger van Supersister te noemen… Baggen hanteert als fan een pretentieuze pen en citeert royaal uit oude artikelen, maar gaat grotendeels voorbij aan analyses en duiding. Welke plek neemt Supersister in binnen de Nederlandse (prog)rock? Hoe keek men in het buitenland tegen de band aan? Het zoeken naar antwoorden op die vragen voelt in dit vuistdikke boek als zoeken naar een speld in een hooiberg. Meer diepgang had in combinatie met minder, maar wel doeltreffende details een nog sterkere biografie opgeleverd.

Afgezien van bovenstaande kritiekpuntjes ligt een enthousiast geschreven en fraai vormgegeven boekwerk op tafel, dat in de tweede druk bijna de 1000 pagina’s aantikt. Ga er maar aanstaan. Een bewonderenswaardig stuk monnikenwerk.

Het boek – overigens zonder ISBN-nummer – is onder meer verkrijgbaar via de webshop op www.supersister.nl

Neil Peart – Ghost Rider – Over Helende Wegen

Het is bijna niet voor te stellen dat het alweer een jaar geleden is dat een van de beste drummers uit de geschiedenis het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Neil Peart was natuurlijk vooral bekend als drummer van Rush, waarvoor hij ook het leeuwendeel van de teksten voor zijn rekening nam. Hiernaast was hij ook auteur van een aantal boeken. In de meeste boeken beschrijft hij zijn reizen op de motor die hij tijdens en tussen de tournees van zijn band door ondernam. Zo ook in zijn tweede boek “Ghost Rider – Over Helende Wegen”, waarvan nu voor het eerst een Nederlandse vertaling is verschenen.

De reden voor zijn reizen op de motor in dit boek is uiterst triest. In een periode van tien maanden verliest Peart zowel zijn enige dochter als zijn vrouw. Begrijpelijkerwijs maakt dit een wrak van de man. Om toch te proberen dit te verwerken onderneemt hij een indrukwekkende reis op zijn motor. De reis voert hem vanuit Canada via Alaska uiteindelijk helemaal tot in Belize. Hierna keert hij een tijdje terug naar zijn huis in Canada om daarna opnieuw te reizen door Mexico, de Verenigde Staten en Canada. Uiteindelijk legt hij in veertien maanden 87.500 kilometer af.

Tijdens deze reizen houdt Peart een dagboek bij waarvan de uitwerking ten slotte in dit boek belandt. Peart is in dit boek erg contemplatief over zijn eigen situatie, maar het bevat ook vele fraaie omschrijvingen van de landschappen waar hij doorheen reist. Tevens schrijft hij een groot aantal brieven aan kennissen en vrienden. Het merendeel daarvan is geadresseerd aan zijn beste vriend Brutus die tijdens deze reis in de gevangenis zit. Met name in deze brieven is goed te lezen dat naarmate de tijd vordert, Neil Peart zichzelf steeds meer terugvindt. Ze zijn doorspekt met humor en sarcasme, maar schetsen ook het beeld van een gebroken man.

Vertaler Ronald van Dalfsen verdient dankbaarheid voor het initiatief om dit boek te vertalen en een groot compliment voor het werk dat hij met deze vertaling heeft verzet. Zeker als je in aanmerking neemt dat vertalen niet tot zijn dagelijkse werkzaamheden behoort en dat het allemaal hobbymatig is gedaan.

“Ghost Rider – Over Helende Wegen” is een indrukwekkende verhandelingen over een man die nadat hij de ineenstorting nabij was de weg omhoog uiteindelijk weer vindt. Het boek eindigt met een hoofdstuk waarin Peart door het vinden van een nieuwe liefde en het werken aan een nieuwe Rush-plaat weer zin in het leven heeft. De wonden zullen nooit helemaal helen, maar de mens is in staat om uit de diepste dalen te kruipen.

Send this to a friend