Devin Townsend: “Ik heb tien jaar lang mijn keutel ingehouden!”

Devin Townsend heeft er zo’n tien jaar aan gesleuteld op meerdere plekken en in samenwerking met vele partners: het ambitieuze project “The Moth” (lees hier onze recensie). Na live-uitvoeringen in 2025 wordt nu dan ook de albumversie op de proggemeenschap losgelaten. Devin legt vanuit zijn indrukwekkende studio in Vancouver zijn ziel bloot.

Hi Devin, hoe lang ben je al promotie aan het doen voor “The Moth”? Hoe moe ben je inmiddels van steeds dezelfde vragen?

Haha, het valt nog mee. Maar na volgende week verwacht ik wel een kantelpunt, dus dan ga ik met de promotieafdeling praten over afbouwen. Het grappige is dat ik tijdens de promotie pas merk hoe intuïtief ik eigenlijk schrijf. Tijdens interviews moet ik dan ineens redenen gaan verzinnen waarom ik doe wat ik doe. “Waar komt dit vandaan? Wat betekent dit?” En dan besef ik hoeveel ik daar achteraf eigenlijk bij verzin om maar een antwoord op dat soort vragen te hebben.

Maar gezien de insteek van dit album zou je verwachten dat er vooraf ook behoorlijk veel planning en analyse heeft plaatsgevonden, toch?

Qua praktische en logistieke planning zeker: vluchten, interpersoonlijke dynamiek, problemen oplossen, dat soort dingen. Maar voor wat betreft de ideeën zelf: ik doe maar wat. Achteraf kan ik er een verhaal van maken, maar mijn creatieve kant bestaat eigenlijk vooral uit dwangmatig reageren op zaken die me raken. En vaak weet ik pas achteraf waarom ik gekozen heb om iets te zeggen of zingen. Ideeën ontstaan gewoon, door omstandigheden, trauma, voorkeuren, je situatie. Pas als het klaar is, kan ik luisteren en denken: “Oh, je was verdrietig, dat komt doordat je vriend overleden is”, of wat het dan ook is. En al die beelden zitten constant hierbinnen (Devin prikt in zijn kale schedel, RP). Soms doe ik er niks mee, en soms duurt het tien jaar voordat ik geïnspireerd genoeg ben om er een project van te maken. Dat was bij “The Moth“ het geval.

Ik las dat een van de redenen voor die lange periode was dat je moest leren om helemaal zelf te orkestreren. Waarom wilde je dat zo dicht bij je houden? Er zijn genoeg (metal)muzikanten die de orkestratie volledig uitbesteden.

Oh, ik heb zeker hulp gehad bij de orkestratie, maar ik moest wel eerst begrijpen hoe het werkte voordat ik het kon delegeren. Dat kon niet anders, omdat de muziek die ik maak niet bepaald makkelijke kost is voor de meeste muzikanten. Ik heb al eerder gewerkt met klassiek geschoolde mensen, maar ik was in al mijn arrogantie altijd een soort van ‘trots’ dat ik geen muziektheorie beheerste. Alsof het bijzonder was om onwetend te zijn. Maar toen ik begon samen te werken met mensen voor wie muziektheorie de taal is waarin zij communiceren, merkte ik dat iets wat vijf minuten had kunnen duren ineens een uur kostte. En dat kost geld. Dus mijn motivatie om muziektheorie en orkestratie te leren was uiteindelijk vooral pragmatisch.

En ik maar denken dat je terug wilde naar de essentie van de klassieke muziek en in de voetsporen van Mozart wilde treden. Blijkt het gewoon om geld te gaan!

Nou ja, niet om geld verdienen, maar wel om creatieve vrijheid te kunnen behouden. Toen ik jonger was, maakte ik rare muziek en kon ik mensen soms maandenlang niet betalen. Muzikanten vonden de muziek toen interessant genoeg om dat te accepteren, maar op een gegeven moment werkt dat niet meer. Als ik dit wil blijven doen, moet ik mensen ook netjes kunnen betalen. Dus moest ik pragmatischer worden: door de week hield ik me bezig met logistiek, delegeren en problemen oplossen. In het weekend probeerde ik dan volledig in het creatieve proces te duiken.

Heeft de productie van “The Moth” daarmee je kijk op het ‘maakproces’ veranderd?

Oh zeker, tijdens “The Moth” veranderde er veel in mijn hoofd. Ik denk dat ik in de toekomst meer ga delegeren. Niet omdat ik het niet meer wil doen, maar omdat ik geleerd heb hoe belangrijk duidelijke communicatie is. We hadden teams op meerdere plekken in de wereld. Ik kon niet overal naartoe vliegen, dus moest ik ideeën overbrengen aan teamleiders. En heel snel leerde ik hoe belangrijk het is om je ideeën vanaf het begin extreem helder te formuleren. We hadden soms maar drie uur om iets op te nemen, terwijl ik via Zoom meekeek. Dan zie of hoor je een verkeerde noot en denk je: “Oh nee…!” Dus begon ik alles woord voor woord, component voor component voor te bereiden. Daardoor leerde ik uiteindelijk beter delegeren.

Ben je de muziek anders gaan benaderen door het leren van muziektheorie?

Muziektheorie dient voor mij vooral een praktisch doel. Ik heb dingen geïnternaliseerd: toonladders, intervallen, wat werkt, en wat niet. Maar soms is theorie ook een nadeel, omdat het me aan mezelf laat twijfelen wanneer ik dingen doe die technisch niet correct zijn, maar die ik simpelweg mooi vind. Er zitten op “The Moth” allerlei passages die klinken alsof de muziek uit elkaar valt. Alsof alles een paar maten lang desintegreert. Dat was opzettelijk. En dankzij theorie kon ik tweehonderd muzikanten uitleggen hoe ze tegelijk ‘fout’ moesten spelen.

Dat lijkt me nog best moeilijk.

Dat is het ook, maar het is ook ontzettend bevredigend om dan te kunnen zeggen: “Nee nee, het hoort echt zo.” En uiteindelijk snapte de dirigent het ook. Er zit waarde in het kennen van de taal en die vervolgens bewust te negeren. Ik denk dat ik vooral geleerd heb hoeveel anders mijn brein werkt. Ik ging er altijd van uit dat iedereen ongeveer hetzelfde dacht als ik. Tot ik met mijn bandleden praatte en zij zeiden: “Nee man, wij denken totaal niet zoals jij. We dachten dat jij wist dat je anders was.” Door dat inzicht kon ik beter begrijpen hoe mijn gedrag op anderen overkomt. Ik heb geen behoefte om een dictatoriale artiest te zijn. Ik hou van mijn team. Ik hou van mijn vrienden. Dus als iets wat ik onbewust doe mensen pijn doet, wil ik dat weten. En toen ik begon te begrijpen hoe mijn denkprocessen werken, kon ik ook beter uitleggen waarom ik tot bepaalde conclusies kom. En dat alles sluit aan bij het centrale thema van “The Moth”: zelfacceptatie.

Is dat onderwerp en daarmee het project nog steeds een emotionele aangelegenheid voor je, ook nadat je er zo lang aan gewerkt hebt?

Ik luister meestal één keer naar een plaat wanneer hij af is en daarna nooit meer. Toen ik naar “The Moth“ luisterde, barstte ik in tranen uit, want ik wist hoeveel emotionele pijn erin verwerkt zat. Jarenlang had ik emoties onderdrukt. Ik probeerde sterk te zijn, maar ineens kon ik dat niet meer. Ik heb een jaar lang gehuild. Om alles: overleden familieleden, veranderingen in mijn leven, zelfs reclames met jonge katjes…alles kwam eruit. Dus tijdens het maken van “The Moth“ stelde ik de emotioneel zwaarste stukken steeds uit. Ik wist dat ik daar pas echt aan kon werken wanneer ik mezelf toestond om die emoties te voelen. Uiteindelijk heb ik al die moeilijke delen in één week opgenomen. En die week was verschrikkelijk.

Hoe werkt het idee van de mot door als beeldspraak binnen het bredere thema van het album?

Het idee van de mot was oorspronkelijk dat het een wezen is dat zo aangetrokken wordt door licht dat het zichzelf vernietigt in de zoektocht ernaartoe. Eerst stond de mot symbool voor een persoon. Maar later besefte ik dat dat arrogant was, want daarmee doe je alsof je begrijpt wat transformatie of het leven überhaupt betekenen. En dat begrijp ik helemaal niet. Wat ik tijdens het proces leerde, was dat veel dingen die ik in mezelf als ‘fout’ zag — angst, woede, pijn — eigenlijk getraumatiseerde delen van mezelf waren. En in plaats van ervoor weg te lopen, moest ik leren ermee om te gaan. Door die pijn toe te laten, begon er iets te veranderen.

De mot bleek uiteindelijk een constructie, een verzameling verhalen die ik mezelf had verteld over wie ik dacht dat ik moest zijn. En om verder te kunnen groeien moest dat construct vernietigd worden; niet één keer, maar steeds opnieuw. Dus de mot die naar het licht vliegt en verbrandt…dat werd de metafoor.

Was het uiteindelijk cathartisch?

Dat weet ik niet. Dit is nu gewoon wie ik ben. Maar of dat beter of slechter is? Geen idee. Misschien vervang je gewoon bepaalde spanningen door andere, maar uiteindelijk is kunst voor mij vooral observatie. Geen moraal. Geen les. Gewoon observeren wat het betekent om te leven. En dat is waar ik nu ben.

Ik heb kritiek gelezen dat “The Moth” een zelfingenomen en pretentieus project zou zijn. Raakt dat je?

Is dat hoe het op jou overkomt?

Nee, zeker niet. Ik vind het extreem complex en ambitieus, maar het komt op mij wel authentiek en oprecht over. Maar in alle eerlijkheid: op basis van wat ik vooraf allemaal gelezen had, zou het me niet verbaasd hebben als dat sausje van ‘kijk mij eens artistiek en diepzinnig zijn’ er wel meer overheen gelegen had.

Gast, ik doe dit al meer dan 30 jaar. De enige reden dat ik me nog druk maak om wat mensen van mijn werk vinden, is omdat ik hoop dat ik genoeg verkoop om dit te kunnen blijven doen. Maar vanuit artistiek oogpunt: als iemand de moeite neemt om dat soort kritiek te formuleren en op het internet te slingeren, dan zegt dat uiteindelijk meer over henzelf dan over mij, toch? Ik ben bang om beoordeeld te worden, maar als ik mezelf voortdurend inhoud uit angst voor die beoordeling, dan onderdruk ik uiteindelijk precies datgene wat ik wil uitdrukken. En als de prijs voor eerlijkheid is dat sommige mensen het pretentieus vinden, dan zij dat maar zo. Dat hoort misschien gewoon bij kunstenaar zijn.

Heb je in die zin tijdens het maken van “The Moth” iets opgestoken over jezelf als artiest?

Vroeger dacht ik dat kunst maken gewoon een soort mentale aandoening was. Alsof je op een dag ‘klaar’ zou zijn en niets meer hoeft te maken. Maar nu denk ik dat creëren gewoon een onderdeel van mijn natuur is, niet iets dat opgelost moet worden. Ik dacht altijd dat je ‘genoeg’ kunst maakt, en dan uiteindelijk niks meer te zeggen hebt. En zodra je stopt met artiest zijn, ben je ‘genezen’. Ik heb het altijd als een soort zelftherapie gezien. Ik sprak daar met mijn moeder over. Ik zei dat ik niet kon wachten om ooit geen artiest meer te zijn. Ze moest lachen. Ik zei zoiets als: “Mam, ik heb het gevoel dat ik na “The Moth“ misschien wel klaar ben.” En zij zei: “Och, wat schattig dat je dat denkt.”

Dus je hebt vrede gesloten met het idee dat je je hele leven artiest zult blijven?

Weet je wat het is? Voor mij voelt die drang gewoon als iets natuurlijks. Het is net als naar de wc gaan. Ik heb juist vaak geprobeerd géén kunst te maken. Maar blijkbaar bén ik gewoon een artiest. Dus dit is wat ik doe.

En je poep te lang ophouden is niet goed voor je, toch? Als het eruit moet, moet het eruit.

Tien jaar lang, broer! Ik heb het tien jaar opgehouden!

Haha, dat is een prachtige quote voor boven het interview. Hartelijk dank voor je tijd, Devin!

Graag gedaan, man, en jullie ook bedankt natuurlijk. Tot de volgende keer!

Foto’s door Tom Hawkins.

Even voorstellen: Green Desert Tree

Niet iedereen kent jullie. Kun je iets over de band vertellen?

De band werd opgericht in het najaar van 2016 en nam een jaar later zijn debuutalbum, “Progressive Worlds”, op. Het album werd uitgebracht in het voorjaar van 2019. Tot onze grote vreugde werd het album zeer goed ontvangen en hadden we al talloze concerten gepland voor 2020, toen de COVID-19-pandemie plotseling een einde maakte aan al onze activiteiten. Dit leidde ook tot een aantal veranderingen in de bandbezetting; zo nam onze voormalige bassist Sascha Giebel de rol van leadzanger over en is hij dankzij zijn multi-instrumentale en compositorische vaardigheden sindsdien een belangrijke figuur in de band geworden. Hij heeft trouwens ook ons tweede album, “Fighting Dragons”, gemixt. Nadat de bandbezetting weer op orde was, begonnen we met het schrijven van nieuwe nummers en een paar kleine optredens. En nu zijn we klaar om het opnieuw te proberen met het nieuwe album, in de hoop prog-fans voor ons te winnen en eindelijk snel weer meer concerten te kunnen geven.

Jullie brachten onlangs het album “Fighting Dragons” uit. Kunnen jullie ons daar meer over vertellen?

Het nieuwe album “Fighting Dragons” is een verzameling verhalen. Het personage van de verteller wordt geïntroduceerd in het eerste nummer na de instrumentale ouverture.

De volgende vier nummers zijn de verhalen zelf.

Talk to Me gaat over een bruid wier verloofde verdwijnt op de avond voor hun bruiloft. Of hij dood is of zich in een andere dimensie bevindt, blijft onduidelijk. In ieder geval kan de vrouw hem niet waarnemen. Toch wacht ze uiteindelijk haar hele leven tevergeefs op een teken van leven.

In Fighting Dragons raakt een jonge man volledig verdwaald – of beter gezegd, gevangen – in een videogame. Hij denkt dat hij een ridder is die zijn koninkrijk moet beschermen tegen gevaarlijke draken, totdat hij uiteindelijk wordt gered uit zijn smerige gamekamer door zijn buren, de politie en de brandweer.

High School Reunion gaat over een reünie van een middelbare school. Naarmate de avond vordert, komen oude idealen en herinneringen aan de rampzalige rellen na de diploma-uitreiking weer boven.

In The Broken Crown grijpt een berustende koning – die decennialang zijn koninkrijk en onderdanen heeft verwaarloosd – zijn scepter weer op, besluit zijn plichten weer op zich te nemen, en verschijnt voor zijn volk.

Muzikaal gezien is de cirkel hiermee rond, aangezien de muziek uit de ouverture hier terugkeert.

Waar halen jullie de inspiratie vandaan en naar welke muziek luisteren jullie?

Mijn (Tim Sund, HR) inspiratie voor composities komt uit een breed scala aan invloeden, van klassieke muziek en jazz tot progressieve rock en zelfs pop. Meestal improviseer ik gewoon op de piano of een van mijn synthesizers, en ideeën ontstaan vanzelf. Die schrijf ik meestal op en werk ze vervolgens verder uit. Om maar een paar invloeden te noemen: ik ben een enorme fan van Stravinsky, vooral van zijn neoklassieke periode (bijvoorbeeld Persephone en The Rake’s Progress). Dan is er die enorme jazzinvloed, bijvoorbeeld van Chick Corea, Herbie Hancock, Pat Metheny en mijn mentor Richie Beirach. En tot slot, sinds mijn tienerjaren, mijn grote liefde voor ELP, Genesis, Yes, Supertramp, Sting, The Police, Marillion, Rush, enzovoort… Van de hedendaagse artiesten inspireren Steven Wilson en Neal Morse me het meest.

Wat zijn jullie toekomstplannen?

We willen regelmatig nieuwe nummers uitbrengen en op festivals spelen om een breder publiek te bereiken en uiteindelijk op tournee te gaan.

Wil je nog iets zeggen tegen de lezers van Progwereld?

Als je onze muziek leuk vindt, vertel het dan door en laat anderen ons kennen. Het is tegenwoordig echt heel moeilijk om gehoord te worden.

De foto’s bij dit interview zijn van Roberto Zanrosso.

Interview Andy Glass (Solstice) en Howard Rankin: “We hebben simpelweg plezier”

Soms lijkt het alsof sommige bands het lot tarten. Alsof ze jarenlang geduldig wachten tot alle puzzelstukjes eindelijk vanzelf op hun plek vallen. Voor Solstice gebeurde dat verrassend laat – en des te overtuigender. Sinds 2020 beleeft de Britse band een creatieve en artistieke renaissance, vastgelegd in drie albums, talloze concerten en nu ook in een indrukwekkend fotoboek van Howard Rankin. Progwereld sprak uitgebreid met bandleider/gitarist Andy Glass en de man achter de lens over muziek zonder vangnet, lachen om oude littekens, en waarom het soms juist de ruimte tussen de noten is die alles zegt.

Vijf jaar magie, gitaren zonder vangnet en een fotoboek dat je hoort

Ik heb het eerlijk toegegeven tegenover Andy Glass: ik heb nog nooit eerder een fotoboek besproken. Albums en concerten, ja. Boeken, (auto)biografieën, zeker. Maar een boek vol beelden dat ademt, lacht en soms zelfs lichtjes naar zweet ruikt – nee, dat was nieuw. En toch bleek het een perfecte ingang om te praten over Solstice, over vijf onverwacht glorieuze jaren, en over het wonderlijke feit dat sommige bands simpelweg weigeren netjes oud te worden.

Het begon, heel onschuldig, met het idee voor een boek vol foto’s. Gewoon foto’s. Geen concept, geen groot narratief. Maar zoals dat vaker gaat bij Solstice, bleef het niet bij “gewoon”. Toen fotograaf Howard Rankin en de band dieper doken in het materiaal, diende zich haast vanzelf een rode draad aan: de zogeheten Sia-trilogie. Drie albums, vijf jaar, één creatieve explosie. “Een boek met alleen foto’s is mooi,” zegt Rankin, “maar met tekst en context wordt het een verhaal.” En laat dát nu precies zijn wat dit boek is: een verhaal in beeld én klank. Een interview met als ingang een aantal speciale, karakteristieke foto’s uit het boek.

Twintigduizend mensen en één brede glimlach

Een van de eerste foto’s die eruit springt, toont Andy Glass op het podium van Cropredy Festival. Twintigduizend man, een zee van mensen. En een glimlach die je bijna hoort. “Die lach is honderd procent echt,” vertelt Andy. “Het was zo’n optreden dat ook volledig had kunnen ontsporen. Maar de band was in topvorm. Alles klopte.” Howard vult aan dat het opvallende juist was hoe ontspannen de band bleef. “Het grote podium werkte niet intimiderend. Het gaf energie. De lol was groter dan ooit.” Het typeert Solstice. Geen borstklopperij, geen ‘kijk-ons-eens’-momenten. Gewoon spelen. En zichtbaar genieten.

Never trust a hippie

Onder diezelfde foto staat een intrigerend bijschrift: ‘Never trust a hippie’. Het blijkt geen vage levenswijsheid, maar een jarenlange running gag met een licht pijnlijk randje. De oorsprong? Een geleende gitaar van Steve Rothery (Marillion), gestolen tijdens een festival in de jaren tachtig. “Ik heb hem daar zo mee teleurgesteld,” zegt Andy. “En nu staat het voor eeuwig in druk. Dat blijft je achtervolgen.” Zelfs Steven Wilson hielp de gitarist daaraan herinneren tijdens een bezoek aan een show van Solstice. Progrock mag dan groots en meeslepend zijn, uiteindelijk draait het vaak om dit soort menselijke details: schuldgevoel, humor, vriendschap, en ja – gitaren die maar beter niet (uit)geleend kunnen worden.

Van niemandsland naar lotsbestemming

Wie het traject van Solstice volgt, weet dat de band na de jaren tachtig lange tijd verkeerde in wat Andy zelf “de wildernis” noemt. Af en toe een album, sporadisch een optreden, maar zonder echte vaart. Tot 2020. COVID-lockdown, tijd om te schrijven, een hernieuwde focus – en misschien wel het belangrijkste: Jess Holland. “Ik had het gevoel dat het drie albums zou duren voordat we echt ons volle potentieel zouden bereiken,” zegt Andy. “En zo ging het ook.” Die drie albums vormen nu de Sia-trilogie: geen vooraf bedacht marketingconcept, maar een organisch gegroeide cyclus. Het soort muzikale lotgevallen waar progfans een zwak voor hebben.

Jess Holland: geen progverleden, wél proggevoel

Zangeres Jess Holland is op veel foto’s bijna tastbaar aanwezig: geconcentreerd, intens, volledig in het moment. Glass zal haar omschrijven als “een natuurkracht”. Wat het extra bijzonder maakt: ze had aanvankelijk weinig met progrock. Of met Solstice. “Ze had de band nog nooit ontmoet toen het album al af was,” zegt Andy. “Pas later stond ze ineens voor de rest van de groep.” Live bleek zij niet alleen vocaal een schot in de roos, maar ook het emotionele anker. Haar groei – van ‘nieuw’ naar volkomen vanzelfsprekend – is misschien wel het mooiste onzichtbare verhaal dat Rankin met zijn camera heeft vastgelegd.

De ruimte tussen de noten

De bewerkte foto van Glass heeft een bijna psychedelisch tintje. Ik zie er een gelijkenis in met de hoes van Jeff Beck’s “Wired”. De heren zijn verrast door mijn opmerking. Als het gesprek op gitaristen komt, dwarrelen de grote namen al snel door de kamer: Jeff Beck, B.B. King, David Gilmour, Santana. Andy spreekt over hen met bewondering, maar zonder fetisjisme. “Het gaat me nooit om techniek,” zegt hij. “Het gaat om emotie. Om de ruimte tussen de noten.” Tot geruststelling van de lezende gitaristen: Andy geeft zonder schaamte toe dat hij nauwelijks oefent. Solo’s op albums zijn vaak eerste takes. Intuïtief. Gevaarlijk misschien. Maar eerlijk. “Liever een fout met gevoel dan perfect zonder ziel.” Dat is zo’n uitspraak die je óf verschrikkelijk vindt, óf volmondig omarmt. Ik neig naar het laatste.

Howard Rankin: kijken zonder opsmuk

Howard Rankin jaagt niet op spektakel. Zijn foto’s zijn geen explosies, maar ademhalingen. Tijdens een concert schiet hij duizenden beelden, om er uiteindelijk maar een handvol over te houden. “Alles wat technisch faalt, valt meteen af,” zegt hij. “Dan alles wat onflatteus is. Wat overblijft, moet me meteen raken.” Dat verklaart waarom dit boek geen ‘best of’-showcase is, maar een intiem document. Je ziet zweet, concentratie, plezier – maar nooit effectbejag.

Jenny Newman: het stille stuurwiel

Violist Jenny Newman, echtgenote van Andy Glass, duikt op in meerdere sleutelfoto’s. Soms lachend, soms diep geconcentreerd. Haar spel verbindt folk, prog en melodie moeiteloos. “Soms leidt zij de band,” merkt Howard op. Andy lacht: “Jenny is absoluut ‘in charge’.” Newman was het ook die Glass attent maakte op Holland. Wie goed kijkt, ziet haar vaak het muzikale verkeer regelen. Zonder fluitsignaal. Zonder haast. Maar altijd precies op tijd.

Leonie Jane Kennedy en het onverwachte duel

Met Leonie Jane Kennedy verscheen voor het eerst een tweede elektrische gitaar in Solstice. Niet bedacht, niet gepland – gewoon gebeurd. “Ze liep de repetitie binnen en kende twee uur Solstice-muziek,” zegt Andy. “Gitaar, baspedalen, zang – alles.” Wat begon als een experiment, groeide live uit tot een speels duel vol humor. Geen machogedrag, geen ego’s. Wel plezier. En ja, af en toe een gitaar die net iets harder praat dan de ander. “Het is gedaan met Iron Maiden en Wishbone Ash”, schatert Glass. Hij ziet Solstice bovendien graag als een springplank voor jonge muzikanten met eigen projecten. Eerder gebeurde hetzelfde al met Ebony Buckle, die inmiddels succesvol soloartiest geworden is binnen de Britse progscene.

Prijzen, ouder worden en dankbaarheid

Dat Solstice de laatste jaren prijzen won – Best Band, Best Guitarist, Best Vocalist – raakt Andy meer dan hij had verwacht. “Juist omdat ik ouder ben,” zegt hij. “Na zoveel jaren stilte voelt dit als een geschenk.” Het is geen triomf, maar dankbaarheid die je hoort. En misschien ook opluchting: het heeft zin gehad.

De Clann en het overleven van een band

Solstice draait niet op grote labels, maar op mensen. The Clann en de Guardians vormen het fundament. “Zonder hen was dit onmogelijk,” zegt Andy nuchter. “Tien man op pad, fatsoenlijke omstandigheden – dat kost nou eenmaal geld.” Boeken, downloads, merchandise: niet als doel, maar als middel. Om door te kunnen.

Kameraadschap, enthousiasme en plezier

Misschien schuilt precies daarin de aantrekkingskracht van zowel het boek als de huidige incarnatie van Solstice. Nergens ontstaat de indruk dat hier berekende carrièreplanning achter zit. Alles draait om kameraadschap, enthousiasme en een bijna ouderwets geloof in muziek als verbindende kracht. Rankin vangt dat gevoel overtuigend met zijn camera, terwijl Glass er openhartig over vertelt zonder zichzelf groter te maken dan nodig. Het resultaat is een bijzonder document over een band die na tientallen jaren onverwacht opnieuw relevant werd. Of, zoals Glass samenvat: “We hebben simpelweg plezier, en blijkbaar voelen mensen dat” Daarmee zegt hij eigenlijk alles over het huidige Solstice.

Tekst: Alex Driessen
Foto’s: Howard Rankin

Voor de recensie van het boekwerk “The Sia Trilogy: Solstice in Photographs”, klik HIER.

Klik HIER voor de link naar het YouTube kanaal van Solstice waar het interview inmiddels is geplaatst.

Nathan Peachey (Teramaze): “Ik daag elke progband uit om een beter popnummer te schrijven dan wij!”

Als ik in voorbereiding op het interview met Teramaze weer eens zit te klooien met de tijdsverschillen tussen Nederland en Australië (wie heeft ooit verzonnen dat zomertijd een goed plan is?), hoor ik op het laatste moment van de promotor dat niet bandleider Dean Wells aansluit, maar zanger Nathan Peachey. Dikke prima, want we hadden Wells nog vrij recent gesproken rond de release van “Eli”. Even schakelen qua onderwerpen en vragen, maar Progwereld is natuurlijk niet voor één gat te vangen. Er ontvouwt zich een geanimeerd gesprek met een enthousiaste artiest.

Hi Nathan, ik probeer even in te schatten welke van de vragen die ik had voorbereid ook door jou te beantwoorden zijn. Misschien kan je me helpen door uit te leggen hoe je binnen de band samenwerkt met Dean, los van jouw positie als zanger natuurlijk.

Nou, als het om onze muziek gaat, vormen de teksten een groot onderdeel van wat ik doe. Dean heeft de neiging om bij zijn vocale melodieën wat te mompelen, en ik ben er heel bedreven in geworden om zijn gemompel te ontcijferen, haha. Als ik zelf melodieën schrijf, moet ik ze opschrijven en er een soort verhaal van maken, zodat de melodie voor mij betekenis krijgt. Maar daar moet ik heel alert bij zijn. Dean is een erg productieve songwriter, dus als ik niet snel genoeg ben, heeft hij al een vocale melodie geschreven. Het is een beetje een wedstrijd tussen ons, wat het ook leuk houdt.

De competitie voor de zanglijnen lijk jij in elk geval gewonnen te hebben op dit album. Volgens mij neem jij op “The Silent Architect” (lees hier onze recensie) verreweg de meeste leadzang voor je rekening.

Ja, er is absoluut een groot verschil met het “The Harmony Machine” (het voorgaande Teramaze-album uit 2025, RP). Ik zing deze keer veel meer. Maar Dean zingt wel een flinke partij op slottrack Left in the Fire. Dat afsluitende refrein met de akoestische gitaar past gewoon veel beter bij zijn stem; die donkere, beetje sombere Britpop-vibe, een beetje in de stijl van Radiohead. Daarom draait het steeds bij Teramaze: wat heeft het nummer nodig? De song komt altijd op de eerste plaats.

Het blijft soms lastig te onderscheiden wie nu eigenlijk wat zingt.

Ha, we hebben inderdaad wel vergelijkbare stemmen. Eigenlijk zijn mijn moeder en vriendin de enigen die het altijd meteen horen. Mijn oma hoort het verschil soms niet eens. Ik kreeg allemaal complimenten over een stuk van Dean. Ik heb haar natuurlijk niet gecorrigeerd en alle eer opgeëist, haha.

Een beetje een standaardvraag bij een nieuw album, maar hoe verhoudt “The Silent Architect” zich tot jullie eerdere werk?

Het omvat eigenlijk alles wat we graag doen. Iemand (kennelijk onze college Metal Mike, hoofdredacteur van Aardschok, RP) noemde het een ‘best-of’-album, maar dan met volledig nieuwe nummers. Het is gewoon goed in balans. Het heeft wel degelijk prog: vrijwel de helft van het album bestaat uit mini prog-epics, waarbij Left in the Fire zelfs ruim boven de tien minuten klokt. We hebben een aantal compacte rockers. En volgens mij is het ook de eerste keer dat Teramaze drie rustigere, balladachtige tracks op een album heeft gezet. Dit album is in die zin een beetje ons CV: als iemand wil weten wie Teramaze is, dan is dit waar je moet beginnen. Het geeft perfect weer wie we op dit moment zijn.

Tweede single Mr. Crazy voelt voor mij juist als een buitenbeentje in jullie repertoire. Wat agressiever en smeriger, meer met een hardrock- dan een progvibe.

Dat is het eerste Teramaze-nummer dat ik heb gearrangeerd. Het was een riff waarvan Dean niet eens wist of hij hem wel wilde gebruiken. Hij was al bijna in de prullenbak beland, maar hij wilde toch even checken of ik er misschien iets mee kon doen. En ik vond het geweldig om mee aan de slag te gaan, stukjes verplaatsen en door elkaar husselen. En het resultaat beviel Dean zowaar. Ik was zelf helemaal enthousiast over de demo-zang. Ik heb geëxperimenteerd met allerlei gekke ideeën. De riff deed me enorm denken aan Skid Row, dus ik ging helemaal los in die jaren tachtig hardrock/glamrock-stijl. Ik moest er gewoon zoveel mogelijk Sebastian Bach in stoppen. Het is een van onze favoriete nummers om te spelen. Toen we het vorige maand voor het eerst live speelden, voelde het heel vanzelfsprekend, alsof het al jaren in onze setlist zit.

Het getuigt in elk geval van zelfvertrouwen om een nummer van bijna negen minuten als eerste single te lanceren, al voelt The Invisible Countdown veel korter.

Ja toch? Mijn favoriete Dream Theater-nummer is The Count of Tuscany. Bijna twintig minuten, maar het voelt aan als vijf minuten. Je wordt meegenomen op een reis, en je had het niet eens door. The Invisible Countdown was in eerste instantie niet onze favoriete track, maar hij bleef maar groeien. Toen we de eindproductie in gingen, waren we helemaal in de ban van het nummer. En toen we het begonnen te repeteren, voelde het eerlijk gezegd magisch. Dean en ik houden van popmelodieën. Dat hoor je terug in de epische nummers, en zeker ook in het pakkende refrein van deze track. Het is misschien wel ons favoriete nummer, dus het móést de eerste single zijn, ongeacht de lengte.

Waar komt dat gevoel voor pop vandaan?

Oh man, er stond vroeger in huis bijna altijd popmuziek op, dus daar ben ik zeker door beïnvloed. Ik haalde veel inspiratie uit artiesten als Michael Jackson en Stevie Wonder, en mijn moeder luisterde veel naar Tracy Chapman. Ik denk dat Dream Theater mijn eerste prog-invloed was, en van daaruit is het verder gegroeid. Tijdens mijn middelbare schooltijd raakte ik helemaal verslingerd aan melodieuze progmetal, bands als Symphony X, Vanden Plas en Darkwater. Pas later ben ik die oude garde van pop-songwriters weer meer gaan waarderen. Mannen als Christopher Cross, zelfs de Bee Gees. Absoluut geweldige songwriters.

Hebben jullie niet ook een Phil Collins-cover opgenomen met Teramaze?

Jazeker! Easy Lover, van Phil Collins en Philip Bailey (van Earth, Wind and Fire, RP). Ik ben dol op Phil Collins, ook weer zo’n fantastische songwriter van wie ik pas later ben gaan houden.

Wordt het componeren moeilijker als je die popinvloeden een plekje wilt geven binnen de progmetal?

Absoluut, want onze muziek moet complex én toegankelijk tegelijk zijn. We besteden ook veel meer tijd aan de popnummers dan aan de meer traditionele prognummers. Ik denk dat veel mensen ons minder serieus nemen als progmetalband, omdat we zoveel popmelodieën in onze muziek hebben. Maar dat is helemaal niet gemakkelijk. Met al die maatsoorten en akkoordwisselingen kun je vaak alleen een bepaalde melodie kwijt, dus het is veel meer puzzelen, passen en meten om het logisch te laten klinken. Ik daag elke progband uit om een beter popnummer te schrijven dan wij, want dat is niet makkelijk.

Ik denk dat je me zojuist de kop boven het interview gegeven hebt.

Haha, precies: ik wil een progband popmuziek horen maken! Schilder een meesterwerk voor me!

Ik begreep dat het album in brede zin een bijbels thema heeft, gebaseerd op het bekende verhaal van Adam en Eva.

Het is geen heel strak godsdienstig concept, meer een moreel debat over een universeel thema. Al die stappen in de menselijke geschiedenis vanaf het begin tot waar we nu zijn: door wie of wat worden we beheerst? Welke rol spelen onze gedachten en gevoelens daarin? We vonden de zondeval in de Hof van Eden een interessant uitgangspunt daarvoor. Het idee van “The Silent Architect” is al meteen onderwerp van discussie: is hij Satan of God? Wie bepaalt hoe we handelen? Maar nogmaals, we proberen geen religieuze boodschap over te brengen. We zaten allemaal in een moeilijke periode met duisternis in ons leven, en we wilden een verhaal vertellen dat ons hielp dat te begrijpen en ermee om te gaan.

Het thema leent zich in elk geval voor een theatrale aanpak met veel geluidsfragmenten en samples. Wat hoor ik nou precies aan het begin van het album?

Da’s natuurlijk de tuin, de Hof van Eden, en de slang die in je oor fluistert. En vlak voordat de riff losbarst, hoor je het geluid van de eerste hap in de appel: het proeven van de verboden vrucht.

Op basis van jullie social media heb ik het idee dat je ook los van de muziek vrij actief bent voor de band.

Zeker, we doen van alles naast de muziek en achter de schermen. Fotoshoots, video’s, merchandising, verzending, noem maar op. We doen alles zelf, dus eigenlijk zijn we naast een band vooral ook een bedrijf. We zitten momenteel tot onze knieën in de pakketten met cd’s en T-shirts.

Dat klinkt als een behoorlijk lastige combinatie.

De hele muziekindustrie is lastig! Het is moeilijk om mensen te vinden die je kunt vertrouwen, die het beste met de band voorhebben, en bij wie we ons op ons gemak voelen. Daarom zoeken we ook zo veel mogelijk rechtstreeks contact met de fans. We hebben aanbiedingen van platenlabels en touraanbiedingen van grotere bands afgeslagen, omdat ze wilden dat we ervoor betaalden. Als het om dat soort zaken gaat, zijn we heel erg ‘anti-establishment’. Wij staan pal achter onze overtuigingen. De sector heeft volgens mij hier en daar wel wat verbetering nodig.

Maakt dat het nog moeilijker voor jullie om in Europa te komen toeren?

Oh, absoluut. We zijn nu aan het kijken naar een kleine tournee als hoofdact, waarbij we zelfstandig door Europa trekken. We moeten alleen nog de details uitwerken en natuurlijk mensen erbij betrekken die we echt vertrouwen. De organisatie van de tour en het vinden van goede mensen achter de schermen is een lastige klus, maar ik heb er vertrouwen in dat het rond komt.

Nathan is een gezellige babbelaar, dus we praten nog verder over het complexe plot van bandklassiekers “Her Halo” (2015) en “Sorella Minore” (2021), en zijn favoriete Australische album aller tijden. Dat blijkt Silverchair’s “Diorama” uit 2002 te zijn. Die had ik niet aan zien komen, maar Nathan houdt vol dat dit gewoon een progalbum is. We concluderen dat dat misschien wel een leuk idee is voor een rubriek op Progwereld: platen uit andere genres die stiekem eigenlijk hartstikke prog(ressief) zijn…

Interview: Robert Reed (Magenta) – “Het gaat om melodieën die je hart breken”

Sommige carrières verlopen volgens een strak uitgestippeld plan. Andere zijn het gevolg van koppigheid, liefde voor muziek en een bijna obsessieve drang om het perfecte arrangement te vinden. Dat laatste lijkt zeker van toepassing op Robert Reed, het brein achter Magenta, maar ook bekend van projecten als Cyan, Kompendium en zijn eerbetoon aan Mike Oldfield met Sanctuary. Aanleiding voor ons gesprek is het nieuwe Magenta-album “Tarot”. Een conceptalbum – uiteraard – maar wel één dat volgens Reed zelf “eerlijker” en meer coherent klinkt dan ooit.

Van Bowie naar Tubular Bells
“Er is absoluut een prog-verbinding,” lacht Reed wanneer ik hem vraag hoe het allemaal begon. “Ik was een jaar of zes, begin jaren zeventig. Op de radio hoorde ik Life on Mars? van David Bowie. Die pianopartij raakte me meteen.” Wat hij toen nog niet wist: achter die piano zat niemand minder dan Rick Wakeman. “Ik wist niets van prog. Maar dat geluid… ik wilde piano spelen.” Kort daarna bracht zijn broer een goedkope verzamelplaat met horrorfilmmuziek mee naar huis. Daarop stond een funky versie van “Tubular Bells”. “Ik smeekte mijn ouders om het echte album voor kerst. Ik was negen. En toen zette ik het op… geen drums, geen funky groove. Alleen dat vreemde, bijna oermensachtige gemompel op kant twee. Maar ik raakte geobsedeerd.” Die obsessie werd een levenslange liefde voor het complexe, het gelaagde – voor muziek waarin je alles zelf kunt spelen en opnemen. “Ik wilde Mike Oldfield zijn. Alles zelf spelen. Alles zelf opnemen.”

Piano, gitaar, en die bas…
Reed staat bekend als multi-instrumentalist: toetsen, gitaar, bas – het lijkt hem moeiteloos af te gaan. Zelf relativeert hij dat. “Piano is mijn echte instrument. Dat kan ik spelen zonder na te denken. Gitaar heb ik geleerd uit noodzaak – omdat ik zo’n enorme Oldfield-fan was. Ik speel in een vergelijkbare stijl. Maar ik ben geen gitaarvirtuoos. Toetsen? Daar voel ik me thuis.” Op “Tarot” speelt hij bovendien een prominente baspartij. En dat hoor je. “Ik ben een enorme fan van Chris Squire (Yes). Voor mij moet bas voorin in de mix staan. Dragend, melodisch, aanwezig.” Live zal dat nog een uitdaging worden. “Die baspartijen zijn echt ‘bonkers’, compleet geschift. Ik wens onze live-bassist alvast succes,” lacht hij.

Tarot: zes personages en een stapel kaarten
Wie Magenta zegt, zegt conceptalbums. “Tarot” vormt daarop geen uitzondering. Opvallend is dat het concept pas laat ontstond. “Ik had zes pianostukken geschreven, met ruwe zang. In de auto luisterde ik ze terug en vroeg me af: welke beelden zie ik hierbij? Zo kwam ik op zes historische figuren: Wolfgang Amadeus Mozart, Harry Houdini, Guinevere en Jeanne d’Arc onder anderen.” Zijn broer – vaste tekstschrijver – dook in hun levens en schreef de teksten. Maar hoe verbind je zulke uiteenlopende figuren? De oplossing kwam uit onverwachte hoek: een oude horrorfilm, Dr. Terror’s House of Horrors, waarin treinreizigers via tarotkaarten hun noodlot krijgen voorgeschoteld. “We zijn enorme Hammer Horror-fans. Het idee van tarotkaarten als verbindend element was perfect. En ik houd van korte titels. Dus: Tarot.”

Terug naar de kern
Waar eerdere Magenta-albums soms expliciet knipoogden naar Yes of Genesis, klinkt “Tarot” volgens Reed als de meest ‘eigen’ plaat tot nu toe. “Ik heb deze keer geschreven met Tina (Christina Booth) in gedachten. Normaal hoor je tijdens het schrijven allerlei stemmen in je hoofd: Peter Gabriel, Jon Anderson… Maar nu hoorde ik háár stem. Daardoor past alles.” De productie is organischer. Veel gitaarsolo’s zijn first takes. De zang kreeg ruimte. “Het voelt eerlijk. Alsof dit écht Magenta is.” Invloeden? Jazeker. Renaissance vormde ooit al een blauwdruk: vrouwelijke zang, melodie, klassiek randje. Daarnaast duiken echo’s op van Electric Light Orchestra en zelfs vroege The Moody Blues. “Het orkest is geen versiering, het is geïntegreerd. Strijkers die zanglijnen dubbelen, koper dat accenten versterkt. Dat geeft kracht.” Toch kon hij het niet laten: af en toe sluipt de Minimoog binnen. “Met mate. Zodat je hem echt vóelt wanneer hij komt.”

Melodie boven techniek
Op de vraag wat ‘prog’ voor hem betekent, reageert Reed uitgesproken. “Ik kan geen technische prog maken zoals Emerson, Lake & Palmer of Dream Theater. Dat is niet mijn wereld. Ik schrijf melodieën.” Hij verwijst naar Ripples van Genesis. “Dat is emotie. Dat raakt je. Dat is belangrijker dan technische bravoure.” Meer Tony Banks dan Keith Emerson dus. “Absoluut.”

Werken met helden
Reed werkte in de loop der jaren met een indrukwekkende lijst namen, onder wie Simon Phillips, Nick D’Virgilio en Steve Hackett. Over de liefdadigheidsversie van Spectral Mornings – met onder anderen de inmiddels overleden David Longdon (Big Big Train) – spreekt hij met zichtbaar respect. “We waren nerveus om het naar Steve te sturen. Je wilt zijn goedkeuring. Uiteindelijk was hij enthousiast. Dat was magisch.”

Live met orkest?
De ambitie is duidelijk: “Tarot” integraal uitvoeren met klein orkest, mogelijk ook in Nederland. “Het kan gespeeld worden. Het wordt hard werken – vooral voor de bassist,” grijnst Reed. “Maar het lijkt me prachtig.”

Buiten de studio
Wie denkt dat Reed alleen maar in zijn studio zit, heeft het mis – al geeft hij toe dat dit een lange tijd wel het geval was. “Ik heb de wereld een beetje gemist. De laatste jaren ben ik meer gaan reizen. IJsland, Zwitserland, Monaco, samen met mijn zoon. Ik dacht: er is dus écht een wereld buiten deze kamer.” En dan is er nog een andere passie: auto’s. Een Porsche Boxster uit 2006, dak open, door de Brecon Beacons, een bergketen in Wales. “Dat is vrijheid.”

Wat komt er nog?
Alsof “Tarot” niet genoeg is, werkt Reed aan een uitgebreide ‘director’s cut’ van Kompendium, een heruitgave van “Revolutions” ter gelegenheid van 25 jaar Magenta, een nieuw Ringmaster-album, en een heropname van het derde Cyan-album. Rust? Die lijkt nog niet in zicht. Maar als één ding duidelijk wordt uit ons gesprek, dan is het dit: voor Robert Reed draait het uiteindelijk niet om stijletiketten, niet om technische spierballen, maar om melodieën die blijven hangen. Melodieën die je, net als dat pianostuk van Bowie ooit deed, voorgoed bij de lurven grijpen.

Lees hier de recensie van “Tarot”.

Interview John Palumbo (Crack the Sky): “We houden gewoon van muziek maken”

Met het verschijnen van het nieuwe album “Blessed” en de warme ontvangst van de voorlaatste liveplaat, was het hoog tijd om eens bij te praten met voorman, zanger en belangrijkste songwriter John Palumbo. Wat volgt is een openhartig gesprek over het ontstaan van de band, het etiket ‘progressief’, dubbele gitaarlijnen, maatschappelijke misverstanden en bovenal: het onverminderde plezier in muziek maken.

Een bliksemschicht boven Pennsylvania
Het verhaal van Crack the Sky begint begin jaren zeventig, wanneer Palumbo samen met gitarist Rick Witkowski en drummer Joey D’Amico een powerpoptrio vormt dat voornamelijk covers speelt. “We bleven een beetje hangen in de regio,” blikt Palumbo terug. Tot die ene avond in een club ergens in Pennsylvania. “Ik keek Rick aan en zei: we moeten hier weg. We gaan naar New York.”

Dat deden ze. Met gitaren onder de arm stapten Palumbo en Witkowski simpelweg platenmaatschappijen binnen – het kon toen nog – en vroegen of ze mochten spelen. Ze kregen een contract, maar met een kanttekening: de songs waren “te ingewikkeld” voor een duo. Of ze geen band wilden formeren? Onderweg naar New York, in een oude postwagen, reed het tweetal door de bergen terwijl een storm losbarstte. Een bliksemschicht sloeg vlakbij in. “We dachten dat we geraakt zouden worden. Iemand riep: ‘Crack the Sky!’ Dat bleef hangen.” Een bandnaam was geboren.

Britse invloeden en een vleugje arrogantie
Waar gitarist Witkowski zijn wortels meer in R&B had, keek Palumbo nadrukkelijk naar de overkant van de oceaan. Bands als Yes, King Crimson en Genesis vormden belangrijke inspiratiebronnen, al wilde hij dat destijds niet altijd toegeven. “Ik was behoorlijk arrogant,” bekent hij met een glimlach. “Als ze vroegen naar onze invloeden, zei ik dat we die niet hadden. Dat alles in mijn hoofd zat.” Die eigenzinnigheid hoor je terug in de muziek. Want hoe label je Crack the Sky eigenlijk? “Ik noemde ons altijd gewoon een rock-’n-rollband,” zegt Palumbo. “Maar iedereen plakt er het etiket ‘progressief’ op. Dus dan zal dat wel zo zijn.” Zelf heeft hij weinig met hokjesdenken. “Ik hou van schrijven. Dat is wat ik doe. Een label zegt me niet zoveel.”

Geen tributeband
Veel generatiegenoten zijn tegenwoordig gereduceerd tot halve tributebands, met nog één origineel lid op het podium. Bij Crack the Sky zijn nog altijd meerdere oorspronkelijke krachten betrokken, zij het niet altijd continu. Wat is het geheim? “We vinden elkaar nog steeds aardig,” zegt Palumbo nuchter. “En we houden van wat we doen.” Bovendien toert de band niet onophoudelijk. “We gaan aan en uit. Dat houdt het gezond.” Binnenkort is de band te zien op de progcruise Cruise to the Edge, ooit opgezet onder auspiciën van Yes. Ook Jon Anderson is van de partij. “Dat wordt interessant,” aldus Palumbo.

Is dit de John Palumbo Band?
Als belangrijkste songwriter lijkt Palumbo de spil van de band. Is Crack the Sky in wezen zijn band? “Nee,” reageert hij resoluut. “Dat is mijn taak: songs schrijven. Iedereen heeft zijn eigen rol. Dit is van ons allemaal.” Tegelijkertijd verkent hij ook solopaden. Recent verscheen zijn project “Are You Science?”, waarop hij met onder anderen Bobby Hird en Joe Macre een andere muzikale richting inslaat. “Heel anders,” noemt hij het zelf.

Waarom geen grote doorbraak?
Het titelloze debuut uit 1975 werd overladen met lof, maar een echte commerciële doorbraak bleef uit. Volgens Palumbo is dat deels te wijten aan het ontbreken van een duidelijk profiel. “We pasten nergens echt in. Niet knap genoeg voor een ‘hairband’ (glamrock), niet makkelijk in een hokje te stoppen.” Ook de platenmaatschappij bood weinig steun. Toch klinkt er geen spijt. “Als we megasucces hadden gehad, had ik mijn vrouw misschien nooit ontmoet en mijn kinderen niet gekregen. Ik voel me gezegend.” De titel van het nieuwe album “Blessed” krijgt zo een extra lading.

“Blessed”: agressiever en directer
Het opnameproces van “Blessed” verschilde van eerdere platen. Waar bandleden doorgaans hun partijen afzonderlijk aanleveren voor Witkowski’s studio, werd nu deels live opgenomen door de ritmesectie en gitaristen. Palumbo schreef de songs, leverde demo’s aan en liet de verdere inkleuring aan zijn bandgenoten over. Het resultaat is een energiek, soms ronduit agressief klinkend album. Opvallend zijn de harmonieuze samenzang en vooral het dubbele gitaarwerk van Witkowski en Bobby Hird. Links en rechts in de mix zoeken de gitaren elkaar op in een spel van vraag en antwoord – krachtig en melodieus tegelijk. “Met twee gitaristen krijg je simpelweg meer power,” aldus Palumbo. “Dat geluid zochten we.”

Muziek eerst, woorden later
Hoewel zijn teksten vaak humor, ironie en observaties bevatten, begint Palumbo vrijwel altijd met muziek. “Eerst moet de muziek kloppen. De teksten zijn moeilijker. Na al die jaren moet je toch steeds weer met iets nieuws komen.” Inspiratie? “Het is mijn werk. Ik sta ’s ochtends op, ga de studio in en schrijf. Dat doe ik bijna elke dag. Omdat ik het leuk vind.”

Misverstanden en beeldvorming
Het artwork van het album “Tribe” uit 2021 leidde tot controverse. Sommigen zagen er een politieke boodschap in, zeker gezien de gebeurtenissen rond de bestorming van het Capitool begin dat jaar. Volgens Palumbo was dat puur toeval. “Mensen zien wat ze willen zien.” In bredere zin merkt hij dat het beeld van Amerikanen de afgelopen jaren is vertroebeld. “We zijn niet allemaal zo. Er zijn slechte mensen, overal ter wereld. Maar er is een donkere perceptie ontstaan. Ik hoop dat die verdwijnt.”

Jeugdige energie
Wie recente liveopnames ziet en beluistert, merkt een opvallend jeugdig enthousiasme. Hoe verklaart een band met zoveel jaren op de teller die frisheid? Palumbo: “Omdat we er niet moe van zijn. We vinden het nog steeds leuk. Als je er klaar mee bent, hoor je dat meteen.” Een Europese tour zat er ooit bijna in en er waren plannen om in Engeland op te nemen. De platenmaatschappij stak daar echter een stokje voor. “Ze vertrouwden ons niet, alleen,” lacht Palumbo. “We wilden alleen maar muziek maken.”

Leven in het nu
Met inmiddels meer dan twintig albums op de teller kijkt Palumbo niet ver vooruit. “Ik probeer in het heden te leven. Misschien gaan we nog jaren door, misschien stoppen we. Op dit moment doen we gewoon wat we altijd gedaan hebben.” En dat is: schrijven, spelen, opnemen. Zonder grote gebaren, zonder opgeklopte mythologie. Gewoon vier muzikanten die elkaar mogen en die, tegen alle verwachtingen in, nog steeds samen de hemel proberen open te breken.

Of, om met Palumbo te spreken: “We houden gewoon van wat we doen.”

Voor de recensie van “Blessed” klik HIER.

 

Interview met Siiilk

De band Siiilk uit Frankrijk komt voor een groot gedeelte voort uit de resten van de opgeheven band Pulsar. Die invloedrijke Franse band uit de jaren zeventig werd sterk geïnspireerd door Pink Floyd en King Crimson. Feitelijk is de band Siiilk opgericht door de Fransman Richard Pick, die de leidende kracht is binnen de groep. Aangezien de band nog steeds niet omarmd is door een groot publiek, vond Progwereld het de hoogste tijd zanger en gitarist Pick aan de tand te voelen.

Hallo Richard, we gaan even een tijdje terug in de tijd. De kern van de band maakte in de jaren zeventig furore met Pulsar. Wat inspireerde hen en jou persoonlijk om in 2010 samen te komen en een nieuwe band op te richten?

Toen ik Gilbert Gandil voor het eerst ontmoette, vroeg hij me meteen of hij mijn composities mocht horen. Ik weet nog hoe spannend dat moment voor me was. Ik speel al jaren gitaar, en had ook al wel wat albums geproduceerd, maar tot mijn verrassing was hij oprecht onder de indruk van mijn nummers. Hij stelde voor om samen te werken aan Childhood’s Memories, en dat voelde als een bevestiging dat mijn muzikale wereld ook voor anderen betekenis had. Een paar maanden later nam hij contact op met Jacques Roman, de toetsenist. Stap voor stap werkten we met zijn drieën aan Way to Lhassa. Het was een intens en inspirerend proces, waarin verschillende ideeën groeiden en vorm kregen. Uiteindelijk tekenden we een contract bij Musea Records. Toen het album in 2013 in Engeland de zeventiende plaats bereikte in de progcategorie, voelde dat als een bekroning op ons harde werk.

Dat bevestigt mijn idee over de band: jij bent dus ook echt de drijvende kracht achter de band?

Ja, in principe wel. Siiilk is in essentie ontstaan rond mijn composities en mijn muzikale universum. Ik bepaal het hoofdthema van elk album, schrijf alle teksten, en kies zorgvuldig de foto’s en illustraties die het verhaal versterken. Daarnaast neem ik ook de productie van elk album op me. Alles wat je hoort en ziet, vertrekt vanuit mijn visie. Precies dat maakt Siiilk tot wat het is. Maar ik leun natuurlijk wel op het vakmanschap van Gilbert en Roman.


Hoe ontstond jullie relatie?

Begin jaren zeventig ging ik vaak naar concerten van bands als Pulsar, Gong en Pink Floyd, enzovoort. Daar haalde ik als muzikant veel inspiratie uit. In 2010, toen ik Gilbert Gandil van Pulsar voor het eerst ontmoette, had zijn band na een carrière van veertig jaar definitief de deuren gesloten na het album “Memory Ashes”. Ik had me nooit kunnen voorstellen dat ik ooit met leden van Pulsar zou samenwerken en dat mijn toekomstige band Siiilk het voorprogramma zou verzorgen voor Gong en de band van Nick Mason.

Gilbert werkte op dat moment in de theatermuziek. Toen hij naar mijn nummers begon te luisteren, stelde hij voor het project op te starten, gebaseerd op mijn composities. Toen Roman aansloot, werd Siiilk geboren en begonnen we met de arrangementen voor die eerste twee nummers, Childhood’s Memories en Cathy’s Woods. Ze verwerkten hun eigen invloeden in de nummers die ik eerder had gecomponeerd, maar hoe dan ook zijn Pulsar en Siiilk twee verschillende bands met hun eigen geschiedenis en persoonlijkheid, wat ook te horen is in de muziek. Wat later sloten twee jonge muzikanten zich bij ons aan: Attilio Terlizzi op de drums en Guillaume Antonicelli op basgitaar. Een nieuwe band, een nieuw begin, en als je dan Pulsar als beginpunt beschouwt, was het als een wedergeboorte in een andere vorm met een andere sfeer.


Het Pulsar-album Halloween (1977) wordt nog steeds hoog gewaardeerd door liefhebbers van progressieve rock. Heeft dat album ook invloed gehad op jou en daarmee ook op de muziek van Siiilk?

Ik heb enorm veel respect voor Pulsar en hun muziek, die nu deel uitmaakt van de geschiedenis van de progrock, en het blijft een eer om met hen te spelen. Mijn muzikale universum is echter wel anders dan dat van Pulsar. De opbouw van elk stuk begint met een liedje dat ik op mijn akoestische gitaar speel, waarbij ik een thema en tekst bedenk. Die embryo wordt een bron van inspiratie voor de arrangementen van Gilbert en Jacques. Pas aan het einde van het creatieve proces komt de ritmische overdracht. Ik heb ook nooit het gevoel gehad dat ik een erfenis moest overnemen. Siiilk is in feite uit de as van Pulsar herrezen!

Waar komt de naam Siiilk vandaan?

Lyon, waar we wonen, is de stad van de zijde. De eerste formatie heette Silk, voordat ik Gilbert ontmoette. Toen we “Way to Lhassa” opnamen, begonnen we met de artiest KAVIIIK samen te werken voor de illustraties en de hoes, dus besloten we door die samenwerking twee i’s aan onze eigen naam toe te voegen, waardoor het Siiilk werd.

De naam “Siiilk” roept direct associaties op met textuur en in mijn ogen spiritualiteit.

Ik weet niet of onze muziek spiritueel is, maar de teksten zijn naast de muziek oprecht en vertellen ware verhalen. Echte gevoelens die de harten van mensen zouden moeten raken, en ja, misschien is dát wel spiritualiteit. In deze wereld waar alles steeds verder en sneller gaat, denk ik dat mensen behoefte hebben aan innerlijkheid. Wat wij als Siiilk willen overbrengen is een innerlijke rust waarin mensen zich kunnen onderdompelen. Onze muziek moet zo klinken dat je erin kan wegdromen, verzanden.

Jullie debuutalbum “Way to Lhassa” suggereert wat mij betreft wel een duidelijke spirituele en geografische verwijzing. Je bent duidelijk muzikaal, maar ook tekstueel geïnspireerd door landen in Azië?

Jazeker. Ik schrijf mijn teksten bijvoorbeeld altijd vanuit mijn eigen ervaringen. Ik heb veel verschillende landen bezocht, zoals India, Nepal, Indonesië, Cambodja en Vietnam. Ik heb nieuwe geluiden mee teruggebracht die een bron van inspiratie zijn geworden voor de muziek van Siiilk. Maar het gaat ook verder dan dat. Ik laat mij inspireren door verschillende dingen.

De titeltrack Way to Lhassa vertelt het waargebeurde verhaal van een jong Amerikaans meisje dat meer dan tien jaar geleden in Nepal verdween. Black Old Train (“Endless Mystery”) is gebaseerd op een droom die ik had over een jongen die tijdens de Tweede Wereldoorlog uit een trein ontsnapte. Signs on the Sands gaat over de drie religies in het Midden-Oosten. Het is een oproep tot vrede.

Het kunstwerk van de Franse kunstenaar Kawiiik speelt een opvallende rol in de sfeer van het album “Way To Lhassa”.

Dat klopt, het artwork ontwikkelde zich eigenlijk ten tijde van het muzikale proces rond de cd. Het visuele aspect is sowieso belangrijk voor onze muziek. Elk album en elk nummer is gekoppeld aan een schilderij, een tekening of een foto. Voor elk album vraag ik een andere kunstenaar om de illustraties te maken. Op “Eemynor” heb ik, behalve voor de hoes, veel foto’s gebruikt van mijn verschillende reizen.


Je muziek balanceert vaak tussen akoestische gitaar en meeslepende elektrische gitaarpassages. Begin je het schrijven meestal met akoestische schetsen en conceptuele ideeën?

Het compositieproces is vaak hetzelfde: een paar akkoorden op de akoestische gitaar, die de rode draad vormen van een idee, een thema waarover woorden ontstaan. Ik schrijf in het Engels en kies woorden die door rijm met elkaar resoneren, als een gedicht. Dan volgen Gilberts betoverende gitaarklanken en de toetsen van Roman, die de oorspronkelijke compositie daardoor een meer rockgeoriënteerde kleur geven.

Ik hoor vaak de invloed van Pink Floyd in jullie muziek, vooral door de gitaar van Gilbert…

Vanaf 1972 was Pink Floyd inderdaad een openbaring voor me, met de release van “Meddle” en mijn eerste concert van de band. Het was een elektrische schok. Hun muziek drong door tot elke cel in mijn lichaam. Dus ja, het heeft mij ongetwijfeld beïnvloed en het spreekt vanzelf dat het voor Gilbert geldt.

Is die invloed een bewust eerbetoon, of gewoon onderdeel van jullie muzikale DNA?

Wat Pulsar betreft zeer zeker wel. In het begin van hun carrière speelden ze alleen maar Pink Floyd-covers. En onze gitarist Gilbert werd zelfs vaak omschreven als de “Franse Gilmour”. De invloed binnen Siiilk is er natuurlijk ook, maar het is geen bewust eerbetoon. Ik heb overigens wel een eerbetoon aan Syd Barret geschreven, dat op het album “Eemynor” staat.

Siiilk integreert instrumenten die zelden in progressieve rock te horen zijn: duduk, tabla’s, harmonium en basklarinet.

Ik ben gek op die instrumenten! Die klankverrijking geeft de muziek van Siiilk een eigen, unieke identiteit wat mij betreft. De muziek van Siiilk is wat mij betreft een uitnodiging voor een heen-en-terugreis tussen de buitenwereld en je innerlijke zelf. De vele instrumenten die ik ontdekte tijdens mijn reizen door verschillende landen hebben een diepe indruk op me achtergelaten: de sitar, Indiase harmonium, tampura en nog veel andere. Het idee om ze in onze muziek te integreren werd gelijk al vanaf het debuut werkelijkheid. Maar ook wat meer gangbare instrumenten kan je bij ons vinden, hoewel ze wat minder exotisch zijn. Voor “Endless Mystery” en “Eemynor” werkte de saxofonist en fluitist van Pulsar met ons samen; hij speelde klarinet op beide nummers en gaf ze een extra gelaagdheid die perfect aansloot bij de sfeer die ik voor ogen had.

Jullie muziek is sfeervol en melodieus, maar nergens wordt het verstoord door abrupte tempowisselingen of virtuositeit. Ik noem het in mijn recensies ook wel minimalistisch. Is dat een bewuste keuze?

Veel muzikanten zijn tegenwoordig geobsedeerd door snelheid, vooral de jongere generatie. Wat mij betreft verliest het daardoor vaak een deel van de ziel van de muziek. Is ware virtuositeit niet juist het vermogen om schoonheid over te brengen, door middel van meer gevoelige bewegingen, waarbij snelheid niet altijd de prioriteit heeft en elk moment als een aanwezigheid kan worden ervaren?

Eén van de absolute pluspunten is de duozang tussen jou en Catherine. Het klankpalet krijgt daar een meerwaarde van. En hoewel ze ook al op het debuut meezingt en meespeelt, is ze een vast bandlid sinds “Endless Mystery”. Wat is eigenlijk jullie relatie?

Ik deel mijn leven al meer dan 45 jaar met Catherine. In eerste instantie verzorgde zij op “Way to Lhassa” de achtergrondzang, maar ze kreeg op ons volgende album een steviger aandeel. Op “Endless Mystery” zingt ze ook solo in een nummer dat is gecomponeerd door Gilbert, met haar zeer kenmerkende en frisse stem. Ze bespeelt er ook het Indiase harmonium, dat ze in India leerde bespelen, en componeerde mee aan twee nummers op het album. De dynamiek van de band is duidelijk geëvolueerd door haar aanwezigheid en haar kristalheldere energie.

Op ons vijfde album, dat momenteel in de maak is, zal haar rol in de zang nog belangrijker zijn. Solo of in duet met mij. Er zullen ook een paar verrassingen op deze aankomende plaat staan, waaronder de prachtige soulstem van een Singaporese zangeres die we voor één van de songs hebben gevraagd.

Als muzikant en als mens heb je heel wat tijdperken binnen de progmuziek meegemaakt. Nu hebben we ook een nieuwe revolutie met de komst van AI. Denk je dat jullie muziek meegegroeid is met de tijd?

Creativiteit kan met de leeftijd toenemen. De moeilijkheid voor ons is echter geweest om de jeugdige frisheid van ons eerste album te behouden; een album vol oprechtheid dat de harten van mensen raakte. Creativiteit moet niet worden verward met de innerlijke evolutie van onze analytische ‘innerlijke computer’, die wordt gevormd door al onze invloeden en ondersteund door de constante groei van technologische ontwikkelingen, inclusief de opkomst van tools zoals AI. Ik geloof dat er een punt komt waarop AI geen vat meer zal hebben en nooit zal kunnen wedijveren met de creativiteit van de mens, dat recht uit het hart komt.

Als ik jullie als formatie zou moeten omschrijven, zou ik jullie een verborgen parel van de progressieve rock noemen. Ik heb ook het gevoel dat er ruimte is voor meer erkenning in Europa.

De term ‘verborgen parel van de progressieve rock’ past goed bij me, in de zin dat Siiilk, met meer dan vijftien jaar bestaan ​​en zonder agressieve promotie, op natuurlijke wijze in de loop der jaren een groeiende populariteit heeft gekend, ook over de grenzen heen. Maar het kan altijd beter inderdaad. Ik ben dan ook heel erg blij met jullie kans de band in Nederland beter te introduceren.

Wat hopen jullie uiteindelijk dat luisteraars ervaren wanneer ze zich in jullie muziek verdiepen?

Ik kan natuurlijk alleen vanuit mijn eigen perspectief spreken, maar wat ik zelf voel als ik naar mooie muziek luister, is iets heel fysieks, een soort elektrische schok, rillingen die leiden tot innerlijk welzijn en een soort openbaring.

Zonder enige pretentie gebeurt het soms dat ik dit gevoel weer ervaar als ik onze albums terugluister. En dan denk ik: hebben wij deze muziek echt zelf gecreëerd? Het is alsof er in het creatieve proces iets was dat niet helemaal van ons was; iets onbeschrijflijks. Dus het spreekt voor zich dat onze luisteraars datzelfde gevoel overkomt. Dat zou fantastisch zijn!

Werken jullie al aan een nieuw album?

Jazeker, we zitten volop in het productieproces en ik verwacht dat er ergens in 2027 een nieuw album uitgebracht wordt.

Clive Nolan: “Ik moet muziek kunnen ‘zien’ voordat ik kan schrijven.”

Met “The Mortal Light” is Clive Nolan terug met zijn derde ‘Alchemy’-musical. Zoals altijd brengt hij met deze musicals de luisteraar terug in de Victoriaanse tijd en volgen we Nolan in de rol van Samuel King op een belangrijke queeste. Clive Nolan over het proces van ”The Mortal Light” en zijn toekomstplannen, want die zijn er weer genoeg! 

Clive, vijf jaar geleden interviewde ik je over “Song of the Wildlands”. Je sprak toen al vol trots over “The Mortal Light”. In het boekje vertel je er al iets over, maar waarom heeft het zo lang geduurd?
Ach ja, net als het album ‘Wildlands’, dat is een verhaal op zich! Ik heb het album in 2020 gemaakt, tijdens de ‘covid-lockdown’. Het duurde ongeveer vijf maanden, wat gezien de lengte van de musical van twee uur en twintig minuten best snel was… Maar ik zat natuurlijk wel die tijd opgesloten in een kamer – volledig ongestoord. Ik wil de vreselijke dingen die mensen tijdens de pandemie hebben meegemaakt niet bagatelliseren, maar voor mij was het een geweldig jaar. Ik heb in 2020 eigenlijk het equivalent van vijf albums geschreven, en we brengen nog steeds de resultaten van al dat schrijfwerk uit. Sterker nog, “The Mortal Light” zal de laatste release uit die periode zijn. 

Het probleem was dat we het, nadat ik het had geschreven, moesten opnemen. Dat was iets lastiger, totdat de hele coronasituatie wat rustiger werd…maar toen verhuisde ik! Dat was een behoorlijke verstoring, en ik had ongeveer een jaar geen fatsoenlijke studio. Daardoor werd het opnameproces trager en duurde het een paar jaar. Ik had het album echter bijna precies een jaar geleden af, maar toen werden we het slachtoffer van een reeks ‘technische problemen’, waarvan de laatste problemen met het persen zelf waren. De cd’s raakten door elkaar (vraag me niet hoe!), en dat duurde nog een paar maanden. En hier zijn we dan eindelijk met de release op 15 februari 2026!

Hoe verloopt het schrijfproces voor een musical voor jou? Verschilt dat bijvoorbeeld van een Arena-album? Staat het verhaal veel meer centraal?
Ik moet muziek kunnen ‘zien’ voordat ik haar kan schrijven. Ik heb zelden een abstract muziekstuk geschreven. Voor mij zijn beelden, voorstellingen en verhalen essentieel om te begrijpen wat ik probeer te schrijven. Dus voor een musical moet het verhaal eerst komen. Ik heb ongeveer twee jaar (met tussenpozen) aan het verhaal van “The Mortal Light” gewerkt. Het probleem was dat het te ingewikkeld werd. Elke ontwikkeling leek de hoofdlijn van het verhaal te verstoren. 

Uiteindelijk, na er maanden mee geworsteld te hebben, heb ik de knoop doorgehakt en het in de prullenbak gegooid. Ik moest opnieuw beginnen met een ‘blanco vel’. Binnen twee dagen had ik een nieuwe, werkende verhaallijn – veel beter! Toen het verhaal eenmaal geschreven was, heb ik het opgedeeld in ‘afleveringen’: elk daarvan vertegenwoordigde een soort lied. Toen ben ik gewoon gaan schrijven, omdat ik de muziek nu kon ‘zien’. Eerlijk gezegd is het niet anders dan schrijven voor Arena of Imaginaerium. Als ik het lied eenmaal kan ‘zien’!


Je speelt natuurlijk zelf professor Samuel King. Hoe belangrijk is dit personage voor je geworden?
King is natuurlijk de lijm die alle verhalen bij elkaar houdt (“Alchemy”, “King’s Ransom” en “The Mortal Light”). Weet je, toen ik begon met het ontwikkelen van het originele “Alchemy”-verhaal, heette hij Samuel Kane, maar ik kende de film “Solomon Kane” uit 2009 en vond dat te dicht bij mijn eigen leven liggen (vooral omdat ik ook een nummer had geschreven met de titel Solomon), dus veranderde ik zijn achternaam in King. Ik vind het altijd leuk om terug te keren in de rol van Professor King. Hij is erg grappig en zijn personage komt weg met dingen waar ik niet mee weg zou komen. Hij is veel capabeler dan ik en hij beleeft zijn wereld op een manier die ik nooit zal kunnen. Dat gezegd hebbende, zit er ook een flink deel van mezelf in de Professor. Wat het leuk maakt, is dat ik mensen niet vertel welke delen!

Wie zijn je favoriete personages uit deze musicals, afgezien van Samuel King natuurlijk?
Ik vind Tom Worthy, die voor het eerst verschijnt in “King’s Ransom”, echt geweldig. Hij werd erbij gehaald om voor wat luchtigheid te zorgen. In “The Mortal Light” geef ik hem de romantische verhaallijn met een ander personage dat ik ook erg leuk vind, Alice Hyde. Ze is een explosievenexpert, wat prima zou zijn, maar ze is ook nogal onhandig. Ik vind het personage van Eva ook erg leuk, want dan kan ik een paar fantastische sopraanaria’s schrijven! Om eerlijk te zijn: ik vind al mijn personages leuk, anders zou ik ze niet in de verhalen laten voorkomen. Zelfs de slechteriken zijn goed!

Weet je ook meteen welke zangers en zangeressen je nodig hebt voor de verschillende rollen?
Meestal wel. Als het verhaal eenmaal geschreven is, heb ik meestal al ideeën over wie ik een bepaald deel wil laten zingen. Dit is belangrijk, want ik pas de zang aan de betreffende zangers en zangeressen aan.

Ben je van plan om “The Mortal Light” live uit te voeren? Misschien ook in Nederland?
Het is tot nu toe de meest ambitieuze musical van “Alchemy”, dus het zal zeker niet zonder uitdagingen zijn! Nu ik de Viking Mead Hall heb gebouwd, waar we muzikale evenementen organiseren, vraag ik me af of het daar ook opgevoerd zou kunnen worden. Ik hoop het wel. Het zou lastig zijn om de show naar Nederland te krijgen: bureaucratie, praktische zaken en budget. Maar je weet maar nooit.

Het album eindigt met de aankondiging dat de koningin is ontvoerd. Wanneer kunnen we het vierde deel van de Victoriaanse musicals verwachten?
Nou, laten we eerst “The Mortal Light” uitbrengen, dat was een heel proces! Ik moet waarschijnlijk nog een paar albums schrijven. Ik werk op dit moment aan een nieuw ‘Viking-album’! Maar deze derde “Alchemy”-musical eindigt met de duidelijke boodschap: ‘het avontuur gaat verder!’


Nog even iets meer over Arena. Waarom vertrekt Damian Wilson? Ik denk dat veel fans dat jammer zullen vinden. Zijn zang en performance passen perfect bij Arena.
Arena is qua samenstelling altijd al in beweging geweest als het om zangers gaat. Toen Damian zich bij ons aansloot, wisten we denk ik wel dat het niet voor altijd zou zijn. Wij maakten deel uit van zijn reis, en hij van de onze. De terugkeer van Paul Manzi voelt als het juiste moment daarvoor.

Tot slot, kun je ons iets vertellen over je toekomstplannen?
Ik heb het nog nooit zo druk gehad! Er staan ​​tournees op de planning voor zowel Arena als Pendragon, en er komen nieuwe albums aan. Ik schrijf een nieuw ‘Viking-album’ dat als aanvulling zal dienen op “Song of the Wildlands”, en beide albums zullen binnenkort live worden uitgevoerd. Imaginaerium gaat dit jaar op tournee, waar we muziek van “The Rise of Medici” en “Siege” zullen spelen. Er staan ​​nog meer spannende evenementen gepland in de Mead Hall. In mei is er een met een ‘buitenaardse invasie’-thema, dus dat belooft leuk te worden! Dat evenement is uitverkocht, maar er komt er later dit jaar nog één.

Clare Lindley (Big Big Train): “Er is altijd ruimte voor nóg een melodie”

Soms weet je al voordat het gesprek begint dat het geen standaard interview gaat worden. Clare Lindley is zo iemand. Violiste, zangeres, componiste, rotsklimmer bovendien – en sinds enkele jaren een vaste waarde binnen Big Big Train (BBT). Een band die inmiddels zó’n gelaagd en herkenbaar geluid heeft ontwikkeld, dat iedere toevoeging per definitie onder een vergrootglas ligt. Dat Lindley daarin niet alleen haar plaats heeft gevonden, maar ook hoorbaar haar stempel drukt, staat buiten kijf. Toch spreekt ze daar zelf met een mengeling van nuchterheid en lichte ironie over, alsof ze zich nog steeds een beetje verbaast over hoe alles gelopen is. Een geanimeerd gesprek over de keuze voor de viool, de donkere kant van folk, de parallel tussen prog en bergbeklimmen en nog veel meer.

Lange armen, grote handen

Haar muzikale loopbaan begon niet met rock, laat staan met prog. Zoals dat bij veel Britse muzikanten van haar generatie het geval is, begon het met gesubsidieerd muziekonderwijs op school, ergens in Schotland. De keuze voor de altviool had weinig met artistieke visie te maken en alles met anatomie. “Ze keken naar mijn armen en mijn handen en zeiden: viola.”
De viola of altviool – groter, lager gestemd, rijker van klank – bleef jarenlang haar thuisbasis. Pas later, toen Lindley zich steeds meer ging verdiepen in Keltische folk, bleek dat instrument een handicap. Folk is geschreven voor violen, niet voor altviolen. “Op een altviool wordt dat een soort technische gymnastiek, terwijl de violisten zorgeloos onder in de hals blijven hangen.” De overstap naar de viool voelde uiteindelijk onvermijdelijk. Vandaag de dag speelt Lindley uitsluitend viool – ook binnen Big Big Train – al klinkt er in haar spel nog altijd iets door van dat donkere middenregister.

Folk, klassiek, Talking Heads

Wie Lindley in eerste instantie als ‘folky violiste in een progband’ bestempelt, doet haar tekort. Haar muzikale invloeden zijn breed, eclectisch en soms verrassend. “Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig,” zegt ze, bijna verontschuldigend. “Maar er was ook ontzettend veel goede muziek toen.” Talking Heads, klassieke muziek, rock, pop – alles sijpelde binnen. En in haar twintiger jaren woonde ze samen met elektrische-gitaristen die zich verdiepten in prog en heavy rock. Het resultaat is een muzikant die zich moeiteloos beweegt tussen aardse folk en complexe rockstructuren. “Wat eruitziet als een heel folky persoon die ineens in een rockband staat,” zegt ze droog, “is eigenlijk iemand die daar prima mee uit de voeten kan.”

Waar zijn alle violen gebleven?

De viool blijft een zeldzaamheid binnen progrock. Natuurlijk zijn er uitzonderingen – UK, Kansas, Mahavishnu Orchestra, Solstice – maar het instrument heeft nooit de vanzelfsprekendheid gekregen van toetsen of saxofoon. Lindley heeft daar een eigen, inmiddels goed onderbouwde theorie over. Elektrische gitaren hebben, zo stelt ze, veel van hun expressieve kracht ontleend aan wat violen al eeuwenlang doen: sustain, feedback, harmonischen, snelle loopjes. “Misschien zijn gitaren wel een soort imitatie van wat een viool zonder versterking al kan.” In dat licht bezien is de viool geen vreemde eend in de bijt, maar eerder een vergeten oerbron. Het verklaart ook waarom violisten in prog vaak de lange melodische lijnen spelen, terwijl gitaristen het virtuoze vuurwerk verzorgen. “Een theorie,” zegt ze. “Maar wel eentje waar ik steeds meer bewijzen voor zie.”

Geen toevalstreffer

Opmerkelijk is dat Lindley zowel bij Stackridge als bij Big Big Train de opvolger werd van Rachel Hall. Toeval? Niet echt. “Zo werkt de muziekwereld,” zegt ze. “Je ziet iemand spelen, je onthoudt dat, en op een dag komt er een moment.” Dat moment kwam toen BBT voorman Greg Spawton haar ooit zag optreden. Spawton staat bekend om zijn mentale notitieblok – iets wat hij eerder ook al deed bij Alberto Bravin. Wanneer Hall vertrekt, is Lindley een logische keuze. Niet als vervanger, maar als volgende schakel. “Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik er zomaar bij kwam.”

Ruimte in overvloed

Big Big Train is een band waarin ruimte geen vanzelfsprekendheid is. Arrangementen zijn dicht, gelaagd, rijk. Toch blijkt er altijd plek voor nóg een stem, nóg een melodie. “In prog geldt niet: één melodie is genoeg,” zegt Lindley. “Het is juist: oh, daar kan nog een tegenmelodie bij.” De viool weeft zich door het geheel, soms herkenbaar, soms vervormd. Live gebruikt Lindley distortion, met als gevolg dat het publiek soms niet weet waar een solo vandaan komt. “Mensen kijken naar de gitaren. Dat vind ik prachtig.” Ze voelt zich geen decoratief element, maar een wezenlijk onderdeel van het geluid. “Anders zou het voor mij ook onbevredigend zijn.”

“Woodcut”: eindelijk

Met “Woodcut” zet Big Big Train een volgende stap: hun eerste volwaardige conceptalbum. Volgens Lindley was het vooral Spawton die daar jarenlang tegenaan had gehikt. “Een conceptalbum kan een band breken,” zegt ze. “Het is veel werk, en je wilt het goed doen.” De timing bleek juist. Met Bravin aan boord, en met een collectief schrijfproces via Dropbox, ontstond langzaam een coherente muzikale boog. Na intensieve studiosessies in de Sweetwater studios in de VS restte nog één enorme klus: teksten schrijven. In vijf weken tijd schreven Lindley en Spawton samen tien nummers. “Dat was intens,” zegt ze. “Maar ook geweldig.”

Donkere folk

Lindley’s bijdrage The Sharpest Knife valt op door zijn donkere toon. Minder pastorale nostalgie, meer dreiging. Voor haar is dat geen afwijking, maar de kern van folk. “Veel folk is extreem donker,” legt ze uit. “Moord, vergif, bovennatuurlijke elementen – het zit er allemaal in.” Dat maakt het nummer volgens haar juist geschikt voor rock. “Er moet iets wringen. Een beetje onbehagen.”

Nick Fletcher

De samenwerking met gitarist Nick Fletcher op zijn meest recente album, “The Mask of Sanity”, was behoorlijk verrassend en intrigerend. Fletcher nam blijkbaar gewoon contact op, als Facebookvriend, en zei: “Ik zou het heel leuk vinden als je op dit album meespeelt’. “Hij had al het materiaal geschreven of was het aan het afronden. De vioolpartijen waren dus al geschreven. Ik moest er dus een beetje mee aan de slag in mijn thuisstudio. Bijna als een sessiemuzikant.” Het was een behoorlijke uitdaging voor Lindley, anders dan anders. En zeker niet binnen het genre dat ze normaal gesproken op viool speelt. Fletcher speelt een vrij complexe vorm van jazzrock, fusion. Dat was moeilijk en heel veel werk

Klimmen en muziek

Buiten de muziek is Lindley een fanatiek rotsklimmer. In Zuid-Wales en Cornwall, maar ook in Noorwegen, Frankrijk en Spanje. Klimmen is voor haar meer dan fysieke inspanning; het is mentale training. “Het leert je om die stem in je hoofd het zwijgen op te leggen.” Die stem die zegt dat iets te moeilijk is. Dat je het beter niet kunt proberen. Muzikaal gezien herkent ze dat mechanisme onmiddellijk. “Je moet durven committen. Ook als je kunt falen.” Een vaardigheid, zegt ze, die haar leven heeft veranderd.

Epiloog

Hoe “Woodcut” live tot leven komt, blijft nog even in nevelen gehuld. De wens voor een integrale vertolking is er, de mogelijkheden ook. Wat vaststaat: Big Big Train heeft met Clare Lindley niet alleen een violiste binnengehaald, maar een muzikant die durft te snijden, te schuren en te zingen. Precies zoals prog bedoeld is.

Foto’s: Cecile Lopes en Arie van Hemert

Voor de recensie van het Big Big Train album “Woodcut” klik HIER.

Interview Terra

De Italiaanse band Terra, ontstaan in Rome, bestaat feitelijk al bijna twintig jaar. Er is in 2018 gekozen voor de naam Terra, nadat ze jarenlang onder de naam 7 Times Suicide door het leven gingen. Er zijn twee albums geproduceerd onder de naam Terra en die zijn in een bijzondere vorm op de markt gezet. Op het gebied van naamsbekendheid is er voor de band nog wel wat werk aan de winkel, deels omdat het alles in eigen beheer houdt. We bevragen bassist Stefano Alfonsi over de bijzondere keuzes die de band maakt.

Stefano, in mijn recensie breng ik naar voren dat jullie in mijn optiek geen al te goede marketingmachine hebben. Jullie maken fantastische muziek die door een breed publiek aantrekkelijk gevonden kan worden, maar er zijn amper recensies van jullie debuut te vinden op het internet. Hoe kan dat?  
Nou, dat is dus een van de uitdagingen van het volledig onafhankelijk zijn van labels of persagentschappen. Omdat we niet kunnen beschikken over een marketingbureau dat de promotie voor ons regelt, komen al onze recensies rechtstreeks voort uit onze eigen inspanningen. Via sociale media, tournees en festivals. Daardoor staan ​​er op onze website veel meer recensies van onze liveshows dan van het album zelf. Dat gezegd hebbende, werken we actief aan het verbeteren van dat aspect van ons project.

Als vervolg op die vraag, komt het ook omdat jullie muziek net tussen prog en metal invalt? Zo zijn jullie bijvoorbeeld niet te vinden op www.progarchives, maar ook niet op www.metal-archives. In mijn optiek betekent dit dat er nog veel werk aan de winkel is qua bekendheid.
Eerlijk gezegd denken we nooit echt in genres. We zijn het TERRA-project gestart met de belofte de beste muziek te maken die we konden, zonder grenzen of beperkingen. Natuurlijk zijn we erg blij met de waardering die we krijgen van de prog- en metalcommunity, maar we proberen altijd open te staan ​​voor nieuwe ideeën en streven ernaar om luisteraars van alle soorten te bereiken.

Kun je ons iets vertellen over de oorsprong van de band?
TERRA heeft eigenlijk een behoorlijk lange geschiedenis. We begonnen in 2006 samen te werken als een ander project, genaamd 7 Times Suicide, waardoor we de kans kregen om het podium te delen met geweldige bands zoals Funeral for a Friend, Boysetsfire en Poison the Well. Na een aantal jaren besloten we dat we iets anders wilden proberen, en zo ontstond het TERRA-project, dat officieel van start ging op 1 maart 2018. Sindsdien hebben we ons eerste album uitgebracht, hebben we getoerd met Soen en opgetreden op verschillende festivals, waaronder ProgPowerEurope, 2Days Prog en andere grote festivals.

Nu je dat toch aanhaalt: een hoogtepunt in de carrière van de band is ongetwijfeld die tournee met Soen door heel Europa? Muzikaal gezien begrijp ik de overeenkomsten met de Zweedse band, maar logistiek gezien niet helemaal. Hoe komt zo’n samenwerking tot stand?
Het begon allemaal in 2022 toen we Francesco Grieco ontmoetten, destijds de tourmanager van Soen. Hij vond onze muziek erg goed en stelde ons voor aan de band als voorprogramma. Ze stemden meteen in, en vanaf dat moment zijn we gaan samenwerken en zijn we vrienden geworden. We toerden in 2023 met ze en produceerden ook vijf videoclips voor Soen: Monarch, Violence, Memorial, Deceiver en Illusion.

Jullie cd’s worden op een unieke manier verpakt, tussen twee houten planken die magnetisch bij elkaar worden gehouden. Zoiets heb ik nog nooit gezien. Waarom deze keuze?
Onze cd’s worden, net als al het andere dat we doen, met onze eigen handen gemaakt. We hebben voor deze aanpak gekozen omdat we iets wilden dat visueel zou opvallen en de esthetiek van TERRA echt zou weerspiegelen. We vonden het ook geweldig dat elke fan een uniek exemplaar kon bezitten, iets anders dan alle andere vormen.

Maakt dat de cd-distributie gelijk niet heel complex voor jullie?
Ach, niet echt. Omdat de cd qua formaat bijna hetzelfde is als een gewone cd, hebben we geen specifieke problemen gehad.

Ik heb al eerder een grapje gemaakt over de marketingmachine, maar hoe weinig recensies er ook zijn, jullie zijn erg zichtbaar op YouTube, met veel video’s. Dat is dan weer heel bijzonder…
Ja, dat komt vooral omdat we voor ons eerste album voor bijna elk nummer een videoclip hebben uitgebracht. Natuurlijk hebben we kunnen profiteren van onze jarenlange ervaring in de filmindustrie via Videns Studio’s, waardoor we zowel de middelen als de knowhow hebben om dit soort content volledig zelf te produceren. Het is veel werk, maar het is het zeker waard.

Wat is precies jullie connectie met Videns Studio’s dan?
Een paar jaar geleden zijn Daniele, Paolo en Lorenzo een studio begonnen waar visuele artiesten bij elkaar komen en samenwerken op het gebied van film en muziek. Na een paar jaar haakte ik zelf ook aan en inmiddels zijn we gegroeid tot een organisatie van ruim twintig visuele artiesten, afkomstig uit heel Europa. Door die connectie is alles voorhanden om video’s en animaties te creëren.

Naar mijn mening is de cd een unieke reis door verschillende muziekstijlen. Zoals gezegd balanceert hij tussen prog, metal, ambient en tribal. Toch vind ik de keuze voor Mantra erg ongebruikelijk. Het duikt een beetje de filmmuziek in, hoewel de herhaling wel heel lang blijft hangen.
We zijn blij dat je dat zegt, want het samenvoegen van verschillende muziekstijlen tot iets dat we echt ons eigen kunnen noemen, is een van de belangrijkste doelen van het TERRA-project. Het idee voor Mantra ontstond aanvankelijk vanuit de behoefte om een ​​intro te maken voor onze liveshows, maar al snel groeide het uit tot iets meer. We zijn altijd al gefascineerd geweest door de diepe, beschouwende aard van muziek uit het Midden-Oosten en andere oosterse muziek, dus besloten we iets op ons album op te nemen dat geïnspireerd was door die sound, maar dan in onze eigen taal.

Save Our Ship is ongetwijfeld metaforisch bedoeld; het symboliseert de moeilijke tijden voor de band. Kan je iets over die ‘stormen’ vertellen?
Zoals eerder gezegd, volledig onafhankelijk zijn is niet altijd makkelijk. We zullen niet ontkennen dat we, vanwege de vele uitdagingen, soms twijfelden aan de duurzaamheid van het project. Maar we hebben altijd de kracht gevonden om die moeilijkheden te overwinnen, en dat zullen we blijven doen. TERRA is sterk, dat blijkt na al die jaren ook.

Wat zijn jullie muzikale invloeden eigenlijk?
Hoe gek het ook klinkt, het antwoord is allerlei soorten muziek en bands. Natuurlijk hebben we een metal/hardcore achtergrond en worden we sterk beïnvloed door moderne metalcore en prog, evenals door muziek uit het Midden-Oosten en filmmuziek. Maar we zijn ook constant op zoek naar nieuwe elementen om ons muzikale vocabulaire uit te breiden. Daarin willen we onszelf ook niet beperken.

De liefde voor inheemse instrumenten en percussie maakt jullie muziek ook bijzonder, en in mijn ogen fantastisch. Waar komt die liefde voor uitgebreide percussie vandaan?
Het begon allemaal toen we de originele soundtrack van de film 300 hoorden. Het ongelooflijke werk dat Tyler Bates leverde door zware gitaren te combineren met etnische percussie en melodieën uit het Midden-Oosten fascineerde ons zo dat we besloten iets soortgelijks in onze eigen muziek te proberen. Natuurlijk hielp het feit dat we allemaal percussie-instrumenten bespelen, en dat Paolo ook veel etnische instrumenten bespeelt, ons enorm.

Die liefde voor die instrumenten leidde ongetwijfeld ook tot de productie van een akoestische versie van de cd “Errat”?
Ja, eigenlijk vanzelfsprekend. Het akoestische album was enerzijds een interessant artistiek experiment en anderzijds een manier om de etnische kant van het project beter te laten zien.

Ik hou van de rauwe randjes op die cd; ik heb het bijvoorbeeld over de rauwheid van Daniele’s zang. Was dat een bewuste keuze?
Ja, absoluut. We beschouwen Daniele’s stem als een van onze meest kenmerkende eigenschappen – die is diep en agressief tegelijk. Zijn gearticuleerde zangstijl is zeer herkenbaar en speelt een centrale rol in ons geluid. En voor de meer “extreme” momenten kunnen we altijd rekenen op Lorenzo’s geschreeuw.

Bespelen jullie alle instrumenten op dat album zelf, of hebben jullie gastmuzikanten voor de cd ingeschakeld?
We hebben alles zelf ingespeeld, behalve de nummers die wat inheemse instrumenten bevatten. Alle instrumenten worden door ons vieren bespeeld, met name door Paolo, die ook alle etnische strijk- en blaasinstrumenten bespeelt. Over de nummers gesproken: Simone Horus speelt de darbuka (trommel dembe-achtig instrument) en ney (soort van fluit) in Rise, Laurence Cocchiara van Bosco speelt viool in Walking on Sand en Lorenzo Nencini van Bosco speelt berimbau (soort snaarinstrument) in Save Our Ship en vibrofoon in Walking on Sand.

Als ik naar “Errat” luister, zie ik veel overeenkomsten met een band als Orphaned Land?
Eerlijk gezegd kenden we de band nog niet, maar na het lezen van de vraag werden we nieuwsgierig, gingen we op Spotify kijken en ja, we horen zeker een gelijkenis. Dank je wel voor de tip!

Werken jullie al aan een nieuwe cd?
Ja, we werken er momenteel aan. We hopen de eerste single voor de zomer van 2026 uit te brengen en het volledige album tegen het einde van datzelfde jaar.

Send this to a friend